Verzwelgen — als het verdriet je meetrekt
Drieluik over rouw, deel 2
Er is een tweede manier om niet te rouwen, en die ziet er van buiten uit als het tegendeel. De golf wordt niet tegengehouden. Hij komt, en hij komt weer, en hij blijft komen, en de mens gaat erin onder. Wie erbij staat, ziet iemand die te veel rouwt. Wie erin zit, voelt zich meegetrokken naar iets waar geen bodem in zit.
Toch is dit niet het verdriet zelf dat te groot is. Het verschil zit ergens anders, en het is klein, en het beslist alles: er is een verschil tussen in de golf zijn en boven de golf hangen en ernaar kijken. Wie in de golf is, voelt het verlies. Wie erboven hangt, voelt iets anders: dat het er nog steeds is. Dat het nog niet over is. Dat het toch een keer moet ophouden. Die tweede positie voelt als rouw, en ze doet pijn als rouw, maar wat er gevoeld wordt is niet het verlies maar de ergernis over het verlies. En die ergernis heeft, anders dan de golf, geen top en geen einde.
Waar het moeten vandaan komt
De gedachte dat verdriet een keer over moet zijn, is jong. Ze komt uit een tijd waarin rouw voor het eerst als arbeid werd beschreven: een taak met een begin en een einde, waarbij de band met de dode geleidelijk losgemaakt wordt tot de mens weer vrij is. Dat model heeft honderd jaar de kaders bepaald, en het lekt nog altijd door in hoe we praten: heb je het verwerkt, ben je eroverheen, kun je het loslaten. Alsof er een dag komt waarop de rekening vereffend is.
Daarna kwam het stadiamodel van Elisabeth Kübler-Ross, dat nooit voor nabestaanden was bedoeld en er toch de kaart van werd. Het gaf mensen een route met een eindstation en dus een manier om te falen: wie na een jaar nog verdriet had, was blijven steken. Dat kwam niet uit onderzoek naar rouw. Het kwam uit de behoefte van de omgeving aan een moment waarop het klaar mag zijn. De diagnosehandboeken hebben er intussen een getal aan gehangen, en dat getal zegt vooral iets over hoelang een cultuur bereid is te wachten.
Maar onder die culturele klok ligt iets ouders. Verlies is de ervaring bij uitstek van niet de baas zijn. Er is iets gebeurd dat niet ongedaan te maken is, buiten elke wil om, en dat is voor het ‘ik’ ondraaglijker dan de pijn zelf. De pijn kan gedragen worden. De machteloosheid niet. En dus zoekt het ik een terrein waarop het weer iets te zeggen heeft, en vindt dat in het verloop van de rouw: als ik het verlies niet kan bepalen, dan tenminste hoelang ik eronder lijd. De ergernis dat het nog niet over is, is het ‘ik’ dat protesteert tegen een proces dat het niet bestuurt. Het is de laatste vorm van controle, en juist die vorm houdt de mens onder water.
Het brein dat blijft zoeken
Wie iemand liefhad, heeft een systeem in zich dat naar die ander zoekt. Het is hetzelfde systeem dat honger stuurt en verlangen, en het schakelt niet uit bij een overlijdensbericht. Het brein weet dat de ander weg is en zoekt tegelijk verder, en dat gelijktijdige weten en zoeken is wat rouw zo vreemd maakt: je kunt een dode volledig begraven hebben en toch je hoofd omdraaien bij een stem in een winkel. Bij mensen bij wie rouw niet zakt, blijkt dat zoeksysteem actiever, niet zwakker. Het beloningscentrum licht op bij een foto van de dode, alsof er nog iets te halen valt.
Dat verklaart waarom de golven blijven komen en groter worden. Wat het niet verklaart is waarom ze niets leren. Elke golf zou een correctie moeten zijn: het lichaam botst tegen de afwezigheid, en de kaart in het brein wordt een stukje bijgewerkt. Maar dat bijwerken vraagt dat de aandacht in de botsing zit. Wie tijdens de golf bezig is met de golf, met de vraag waarom nog, waarom ik, hoelang nog, wanneer is dit klaar, die zit met zijn aandacht niet in het verlies maar in het commentaar erop. En commentaar leert het brein niets. De golf komt, de kaart blijft hetzelfde, en de volgende golf komt bij dezelfde kaart terug, maar hoger, omdat het commentaar de spanning opbouwt die het verdriet zelf had moeten laten zakken.
Dat is de paradox die onderzoekers uit Groningen en Utrecht op het spoor kwamen: piekeren over rouw is geen vorm van rouwen maar een vorm van vermijden. Het cirkelen rond het verdriet is een manier om het verdriet niet te voelen, en het verraderlijke is dat het cirkelen zelf zoveel pijn doet dat niemand vermoedt dat het vermijding is. Wie piekert, lijdt zichtbaar. En lijdt, precies daardoor, langs het verlies heen.

De tweede pijl
Er is een oude manier om dit te zeggen. Wie geraakt wordt door een pijl, voelt pijn. Wie daarna een tweede pijl op zichzelf afschiet, met de vraag waarom deze pijl, waarom nu, waarom nog, voelt een tweede pijn, en die tweede is van eigen makelij. De eerste pijl is het verlies. De tweede is het verzet tegen het verlies, en het verzet tegen het verdriet over het verlies, en het verzet tegen het feit dat dat verdriet nog niet over is.
De tweede pijl heeft een eigenschap die de eerste mist: ze kan eindeloos herladen worden. Verdriet is eindig per golf; het lichaam houdt intense emotie maar minuten vast. Ergernis over verdriet is dat niet, want ze leeft niet in het lichaam maar in het verhaal, en een verhaal kan zichzelf oneindig hervertellen. Dat is de afgrond: niet het verdriet, dat een bodem heeft, maar het commentaar op het verdriet, dat geen bodem heeft omdat het niets is waar je in kunt vallen. Je kunt alleen blijven draaien.
De verborgen trouw
En dan is er nog een laag, die niet in de rouwpsychologie staat maar die zich in elke opstelling laat zien. Soms wil het verdriet niet ophouden omdat het verdriet de laatste plek is waar de ander nog is. Wie ophoudt met rouwen, verliest de dode een tweede keer, en tegen die tweede keer verzet zich iets dat dieper zit dan pijn: trouw. Ik laat je niet los. Ik ga niet verder zonder jou. Als ik weer lach, verraad ik je.
Die beweging is bijna altijd onbewust en bijna altijd liefde. Maar het is liefde in een vorm die de dode niets geeft en de levende alles kost. Wat in opstellingen keer op keer zichtbaar wordt, is dat de doden niet gediend zijn met levenden die bij hen blijven staan. Ze zijn gediend met levenden die leven, en die hen daarin meenemen. De band hoeft niet te eindigen; hij moet van vorm veranderen. Het verzwelgen is, van deze kant bekeken, een weigering van die vormverandering: de mens blijft bij het graf staan omdat het graf de enige vorm is die hij kent, en noemt dat verdriet.
Wat een afgrond tot een afgrond maakt
Diepte op zich is niet gevaarlijk. Sommige mensen gaan heel diep en komen anders terug, en de diepte was daar de weg, niet het probleem. Wat een diepte tot een afgrond maakt, is niet hoe diep ze is maar of er iemand op de kant staat. Verdriet is als een oceaan, en een oceaan kun je alleen in als er een oever is: iets of iemand dat blijft, dat niet meegaat, dat kijkt en houdt. Dat kan een ander zijn. Het kan ook iets in de mens zelf zijn, een deel dat aanwezig blijft terwijl een ander deel kopje-onder gaat.
Wie verzwelgt, mist die oever. En dat is de verbinding met het eerste deel van dit drieluik, want de oever is precies wat het kind had moeten krijgen en niet kreeg: een gezicht dat kon blijven kijken. Wie dat nooit heeft ervaren, heeft geen innerlijke plek van waaruit hij zijn eigen verdriet kan zien komen en gaan. Er is dan alleen het verdriet, en de mens in het verdriet, en niets dat de twee van elkaar onderscheidt. Zo iemand rouwt niet te veel. Hij rouwt zonder oever, en dat ziet er van buiten hetzelfde uit.
Of een mens uit zo’n diepte iets meeneemt of erin blijft, hangt niet af van hoe diep hij ging. Het hangt ervan af of er tijdens de val iets in hem was dat meeviel én keek. Of dat er kan zijn zonder dat het ooit is aangereikt, en of het alsnog gebouwd kan worden door een ander die het voordoet, is een vraag waar ik geen sluitend antwoord op heb. Wel weet ik dat de tweede pijl altijd door de mens zelf wordt afgeschoten, en dat wie dat ziet, iets in handen heeft wat hij bij de eerste pijl niet had.
LEES VERDER:
* deel 1 – Niet rouwen de redenen en de golven
* deel 2 – Verzwelgen als het verdriet je meetrekt
* deel 3 – Rauwe rouw — het verdriet ontmoeten op het moment dat het zich aandient
* deel 4 – De vervangers van rouw