Rauwe rouw — het verdriet ontmoeten op het moment dat het zich aandient
Drieluik over rouw, deel 3
Verdriet kiest zijn eigen moment, en dat moment is bijna nooit het moment dat je zou kiezen. Het komt bij de kassa, omdat de vrouw achter je hetzelfde parfum draagt. Het komt op de verjaardag van een kind dat even oud is als het kind dat er niet meer is. Het komt midden in een vergadering, bij een liedje in een winkel, in de auto op een kruispunt waar niets bijzonders is behalve dat je daar ooit samen stond. En het komt, vooral, wanneer je net dacht dat het even niet kwam.
Dat is geen onhandigheid van het verdriet. Het volgt uit waar het verdriet woont. Een verlies ligt niet opgeslagen in het deel van het geheugen dat data en volgorde bewaart, maar in het deel dat geuren en klanken en lichaamshoudingen bewaart, zonder tijdstempel. Dat geheugen kent geen agenda en geen fatsoen. Het kent alleen herkenning, en wanneer het iets herkent, opent het. Op dat moment is de ander even helemaal terug, en even helemaal weg, en dat is de golf.

Waarom het moment het moment is
Er is een reden om het verdriet precies dan te nemen, en die is niet moreel maar mechanisch. Een herinnering die geraakt wordt, gaat open. Ze wordt voor korte tijd bewerkbaar, en in die korte tijd kan er iets aan toegevoegd worden: dat het gedragen kan worden, dat er iemand bij was, dat je het overleefde. Daarna sluit ze weer, met of zonder die toevoeging. Dat is wat het brein doet met alles wat het opnieuw ophaalt, en het is waarom verdriet dat op het moment zelf wordt toegelaten, iets anders achterlaat dan verdriet dat later, op een gepast moment, alsnog wordt opgezocht.
Want dat latere moment is kunstmatig. Wie ’s avonds thuis probeert alsnog te huilen om wat bij de kassa werd ingeslikt, merkt dat het niet komt, of half komt, of komt over iets anders. De herinnering is dan dicht. Ze moet opnieuw aangeraakt worden, en dat lukt niet op commando. Het verdriet had een deur open, en de deur is een paar seconden open, en dan is hij weer dicht tot het geheugen zelf een volgende aanleiding herkent.
Daarom is uitstel geen uitstel. Wat op het moment zelf niet wordt genomen, wordt niet later genomen. Het wordt niet genomen, en het wacht op de volgende deur.
Het komt niet uit
Voor wie komt het niet uit? Dat is de vraag die zelden gesteld wordt, omdat het antwoord ongemakkelijk is. Het komt niet uit voor de omgeving. Voor de collega die niet weet waar hij moet kijken, voor de gastvrouw die haar feest ziet kantelen, voor de zus die vandaag haar zwangerschap viert en nu een moeder ziet huilen om een kind dat niet kwam. Het verdriet verstoort iets, en wat het verstoort is de afspraak dat we in gezelschap beheerst zijn.
Die afspraak beschermt iets, en het is de moeite waard eerlijk te zijn over wat. Ze beschermt niet de rouwende. Ze beschermt de anderen tegen het ongemak van iets wat ze niet kunnen oplossen. En het is een asymmetrische afspraak: jouw beheersing kost jou de deur, en jouw verdriet kost hen een paar minuten waarin ze niets hoeven te doen behalve erbij blijven.
Er is nog iets wat die afspraak veronderstelt, en dat is onjuist. Ze gaat ervan uit dat verdriet en vreugde niet in één ruimte kunnen zijn. Dat het huilen van de een de blijdschap van de ander wegneemt. Wie het ooit heeft meegemaakt, weet dat het omgekeerd is. Een verdriet dat openlijk in de kamer is, maakt de vreugde in die kamer echter, omdat er dan niets meer hoeft te worden volgehouden. Wat een feest werkelijk bederft is niet de traan maar de moeder die met een strak gezicht het glas heft en van wie iedereen voelt dat ze er niet is. Kinderen voelen dat als eerste. Ze registreren het ingehouden verdriet van een volwassene met een precisie die de volwassene zelf niet heeft, en ze dragen het mee als iets onbenoemds. Een moeder die huilt, kan een kind begrijpen. Een moeder die niet huilt terwijl er alles is om te huilen, kan een kind niet begrijpen, en dus maakt het er zichzelf verantwoordelijk voor.
Wat anderen ervan vinden
Dat brengt bij de tweede rem: de blik van de ander. Wat zullen ze denken. Dat ik me aanstel, dat ik het na al die tijd nog niet op orde heb, dat ik de aandacht naar me toe trek. Die angst is niet ongegrond, want mensen denken dat inderdaad soms. Maar de angst zit dieper dan de mening van wie er toevallig bij is. Ze zit in het gezien worden zelf. Rauw verdriet heeft geen vorm. Het is een mens zonder de laag die hem normaal presentabel maakt, en die laag afleggen in het bijzijn van anderen voelt als naaktheid.
En toch is dat gezien worden precies wat het verdriet nodig heeft. Verdriet dat alleen wordt geleden, is half. Het lichaam kalmeert niet op eigen kracht, het kalmeert aan een ander lichaam dat rustig blijft, en dat is geen zwakte maar de manier waarop zoogdieren gebouwd zijn. Een zenuwstelsel dat onder water gaat, vindt zijn weg terug via een ander zenuwstelsel dat boven blijft. Daarom werkt huilen in gezelschap anders dan huilen alleen. Het gezelschap hoeft niets te doen. Sterker, het beste gezelschap doet niets: geen troost, geen sterkte, geen dit komt goed, geen hand die het te snel wil sussen. Alleen blijven, en kijken, en niet wegkijken.
Wie dat kan geven, is zeldzaam, en wie het kan ontvangen ook. De schaamte over de eigen rauwheid is de oudste schaamte die er is, ouder dan de eerste herinnering, en ze zegt dat je met dit gezicht niet mag worden gezien. Iemand die blijft kijken, weerlegt dat. Niet met woorden, want woorden bereiken die laag niet. Alleen met het feit dat hij nog steeds kijkt.
Rauw
Rouw schrijf je met ou. Rauw met au. Het zijn twee woorden, en het verschil tussen die twee klinkers is het verschil waar dit hele drieluik over gaat. Rouw is wat er is: het verlies, en alles wat het in een mens teweegbrengt. Rauw is hoe je het neemt: op het moment zelf, niet mooier gemaakt, niet kleiner gemaakt, in zijn volle breedte en diepte. Rouw kan ingeslikt worden en kan verzwelgen; rauw is de derde weg, de enige waarop de rouw doet waarvoor ze er is.
Het woord rauw is precies. Het betekent: onbewerkt. Niets ertussen. Geen kader dat het gebeuren draaglijk maakt voordat het gevoeld is, geen zin die het al plaatst, geen betekenis die alvast klaarstaat. Rauw is het verlies in zijn eigen grootte, zonder korting.
Dat is te veel voor een mens, en het is toch wat er gevraagd wordt, en de manier waarop het kan is dat er in de mens iets is dat niet meegaat. Dat is de laag die in het vorige deel de oever heette, maar hier gaat het om iets anders: niet om het onderscheid tussen de mens en het verdriet, maar om de overgave zelf. Wie rauw rouwt, gaat kopje-onder. Volledig. Zonder een deel dat opzij blijft staan om te kijken hoe het gaat. En dat kan alleen wanneer er van tevoren een zekerheid is dat er iets blijft staan: in jezelf, of in de ander die erbij is. De overgave veronderstelt de vastheid. Wie niet zeker weet dat hij gehouden wordt, kan zich niet laten vallen, en houdt daarom, zonder het te willen, altijd een hand aan de rand.
Er is in het verdriet een beweging naar de dode toe, en in die beweging een moment waarop je helemaal bij hem bent, en dan een beweging terug. Rauw rouwen is die hele beweging laten gebeuren, tot in het diepste punt, en dan de terugweg niet zelf inzetten maar laten komen. Ze komt. Het lichaam brengt je terug, elke keer, als je hem het diepste punt niet ontzegt. Dat is wat mensen die het eenmaal hebben meegemaakt, verbaasd vertellen: dat het minder bodemloos was dan de angst ervoor, en dat er aan het einde iets was wat op rust leek, en wat ze niet hadden verwacht.
Wat oudere culturen wisten
De joodse traditie heeft dit niet aan het individu overgelaten. Ze heeft het verdriet een voorrang gegeven die in de kalender staat. In de dagen tussen het sterven en de begrafenis is de nabestaande van alles ontslagen: geen gebed, geen plicht, geen eten dat hij zelf hoeft te bereiden. Hij is enkel nabestaande. Daarna zeven dagen waarin hij op de grond zit, het huis niet verlaat, en waarin de bezoekers de regel hebben dat ze zwijgen tot hij zelf spreekt. En bij het begin van dat alles wordt het kleed gescheurd, over het hart, zichtbaar en onherstelbaar.
Dat scheuren is het rauwe in ritueelvorm. Het zegt: dit is niet netjes te maken, en we gaan niet doen alsof. Het geeft het verdriet een plek in het openbaar, op het moment zelf, en ontslaat de mens van de vraag of het uitkomt. Het komt uit, want het is de enige agenda die er nog is. Wij hebben die structuur verloren en er niets voor in de plaats gekregen, en dus valt de hele last van het moment kiezen op de mens zelf, die daar op geen enkele manier op is voorbereid.
Wat overblijft
Verdriet dat rauw genomen wordt, maakt het verlies niet kleiner. Dat is een misverstand dat de moeite waard is om op te ruimen. Het kind dat er niet is, blijft er niet zijn, in exact dezelfde grootte, voor altijd. Wat verandert is niet het gat maar de mens eromheen: er komt ruimte om het te dragen, niet omdat het lichter wordt, maar omdat de mens wijder wordt. Het leven groeit om het verlies heen, en het verlies blijft wat het is.
En dan is er nog iets, wat in geen van deze lagen te vinden is en waar de wetenschap zwijgt. Wie het verdriet volledig laat komen, zonder laag ertussen, ontdekt soms dat het hartverscheurende en iets wat alleen heilig genoemd kan worden op precies dezelfde plek liggen. Niet na elkaar, en niet als troost voor elkaar. Tegelijk. Waarom dat zo is, en waarom het alleen zo is als er werkelijk niets tussen de mens en het gebeuren staat, weet ik niet. Ik weet alleen dat het zich niet laat vinden langs een omweg.
LEES VERDER:
* deel 1 – Niet rouwen de redenen en de golven
* deel 2 – Verzwelgen als het verdriet je meetrekt
* deel 3 – Rauwe rouw — het verdriet ontmoeten op het moment dat het zich aandient
* deel 4 – De vervangers van rouw