Rouwtaken en rouwfasen
De Zwitsers-Amerikaans psychiater Elisabeth Kübler-Ross (1926-2004) ontdekte dat ongeneeslijk zieke mensen telkens een aantal fasen doorlopen gedurende hun ziekteproces. Zij ontwikkelde haar vijf fasen van rouw dus niet bij nabestaanden. Ze ontwikkelde ze bij stervenden — mensen die hun eigen dood onder ogen moesten zien, geïnterviewd in Amerikaanse ziekenhuizen eind jaren zestig. Ontkenning, woede, onderhandelen, depressie, aanvaarding: het was een kaart van wat er gebeurt wanneer een mens moet toegeven dat hijzelf gaat sterven. Pas later is dat model geleend door een heel ander veld: de rouw van wie achterblijft. Maar wat werkt voor het aanvaarden van je eigen einde, hoeft niet te werken voor het aanvaarden van het sterven van een ander.

En toch bleef het hangen, decennia lang, tot het een soort cultureel bezit werd — mensen die zeggen “ik zit nu in de woede-fase” zoals ze zouden zeggen dat het regent. Waarom? Omdat het onder die verkeerde toepassing ook een echte, herkenbare beweging beschrijft: verzet, protest, onderhandelen met wat niet meer te onderhandelen valt, een instorting, en dan iets dat rust lijkt. Alleen is die beweging geen keten van fasen die je een voor een afvinkt en achter je laat. Het is het gevoel dat opkomt terwijl een systeem, telkens opnieuw, probeert zich te herschikken rond wat er niet meer is.
Wat Worden anders deed
De Amerikaanse psycholoog J. William Worden (1932) koos, jaren later in 1982, voor een ander woord: geen fasen, maar taken. Dat is geen stilistisch verschil. Een fase overkomt je — je zit erin, en op een dag zit je er weer uit. Een taak vraagt iets van je — hij wordt pas voltooid als jij iets doet. Worden onderscheidt vier van die taken: de werkelijkheid van het verlies onder ogen zien, de pijn van het verlies doorleven, je aanpassen aan een wereld waarin de ander er niet meer is, en een blijvende, nieuwe plek vinden voor wie er niet meer is terwijl het leven verdergaat.

Wat opvalt, is hoe precies deze vier taken samenvallen met wat systemisch werk allang wist te noemen. De werkelijkheid onder ogen zien is niets anders dan erkennen wat er is — de tweede wet die ieder systeem nodig heeft om weer in beweging te komen. Jezelf aanpassen aan een wereld zonder de ander is niets anders dan een nieuwe, juiste plek innemen — de derde wet. En een blijvende plek geven aan wie er niet meer is, terwijl het leven verdergaat, is exact de balans van geven en nemen op zijn moeilijkst: een relatie voortzetten met iemand die niets meer kan teruggeven, zonder dat het systeem daaronder bezwijkt.
Worden kwam niet uit de systemische traditie. Hij kwam uit de klinische psychologie, met een heel andere taal en een heel ander uitgangspunt. Dat hij toch, via een volledig andere weg, bij dezelfde vier bewegingen uitkomt als Hellinger decennia eerder beschreef vanuit de familieopstelling, is geen toeval. Het is een aanwijzing dat deze vier bewegingen niet een theorie zijn die iemand heeft bedacht, maar een structuur die zich laat ontdekken vanuit elke invalshoek die diep genoeg graaft.
De fasen als het gevoel, de taken als de beweging
Hier ontstaat een onderscheid dat noch Kübler-Ross, noch Worden zo hebben benoemd, maar dat wel verklaart waarom beide modellen naast elkaar zijn blijven bestaan zonder elkaar ooit te vervangen. De fasen van Kübler-Ross beschrijven het gevoel dat opkomt terwijl een systeem weerstand biedt tegen een van die vier taken. De taken van Worden beschrijven de beweging die nodig is om die weerstand te doorbreken.

Ontkenning is het gevoel bij het uitstellen van de eerste taak: de werkelijkheid nog niet onder ogen zien. Woede is wat opkomt wanneer de balans van geven en nemen ernstig verstoord blijkt — waarom ik, waarom nu, wat heb ik hieraan verdiend — een protest tegen een uitwisseling die nooit is aangegaan en toch moet worden gedragen. Onderhandelen is de poging om het erbij horen te redden zonder dat het verlies definitief hoeft te worden: als ik nu maar goed genoeg ben, als ik nu maar bid, als ik nu maar alles anders doe, hoeft de plek niet leeg te blijven. Depressie is wat overblijft wanneer die onderhandeling faalt en de nieuwe, juiste plek nog niet gevonden is — het moment waarop de oude structuur al is losgelaten en de nieuwe zich nog niet heeft gevormd, precies de doorgang die Kazimierz Dąbrowski de positieve desintegratie noemde. En aanvaarding is niet een gevoel dat op een dag verschijnt. Het is de merkbare rust die ontstaat wanneer de vier taken, in welke volgorde en met welke herhaling dan ook, hun werk hebben gedaan.
Waarom lineair de verkeerde vorm is
De reden dat beide modellen zo makkelijk worden misverstaan als een trap met treden, ligt niet bij Kübler-Ross of Worden zelf — beiden hebben later expliciet gewaarschuwd tegen die lezing. De reden ligt bij wat een mens, en misschien vooral een westerse, doelgerichte cultuur, het liefst wil van pijn: een begin en een eind, een checklist, een moment waarop het klaar is. Recenter rouwonderzoek beschrijft eerder een slingerbeweging dan een lijn: iemand beweegt heen en weer tussen het rechtstreeks confronteren van het verlies en het tijdelijk wegdraaien ervan, soms binnen hetzelfde uur. Geen enkele fase wordt afgesloten en achtergelaten. Woede kan jaren na de zogenaamde aanvaarding onaangekondigd terugkeren, niet omdat het proces mislukt is, maar omdat een systeem dat ooit uit balans is geraakt, telkens opnieuw aanleiding vindt om dat evenwicht te toetsen.
De taken van Worden — actief, handelend, oplossend — spreken de taal waarin een testosterongedreven systeem zich het makkelijkst uitdrukt: iets dóén om de wereld weer kloppend te maken. De fasen van Kübler-Ross — doorleefd, gevoeld, ondergaan — spreken de taal van een oxytocinegedreven systeem: er middenin zitten, het voelen, het delen. Geen van beide modellen is voor de een geschikter dan voor de ander, maar het is geen toeval dat rouwbegeleiding die uitsluitend in taken denkt, vooral mannen aanspreekt, en rouwbegeleiding die uitsluitend in fasen denkt, vooral vrouwen. Volledige rouw heeft, zoals eerder bleek, altijd beide instrumenten nodig.
Wat de modellen niet kunnen dragen
Er zit een grens in beide benaderingen die zelden wordt uitgesproken. Taken zijn af te vinken. Dat maakt ze bruikbaar, maar het maakt ze ook kwetsbaar voor een sluipende vorm van wat John Welwood bypassing noemde: de pijn overslaan door het proces te managen in plaats van te doorleven. Iemand die alle vier de taken van Worden “voltooid” heeft, kan het rauwe, ongeregelde gevoel dat bij de fasen van Kübler-Ross hoort, nog altijd niet hebben aangeraakt. De taak is uitgevoerd; de rouw is er nog niet doorheen gegaan.
En andersom: wie in de fasen blijft hangen — wie de woede voelt, de depressie voelt, jaar na jaar — zonder ooit de vier taken daadwerkelijk uit te voeren, blijft voelen zonder dat het systeem zich herschikt. Het gevoel is er, de beweging niet. Ook dat is geen rouw die zijn werk heeft gedaan, hoe intens het gevoelde deel ook is.
Wat overblijft, is geen synthese die alles verklaart, en geen vijfde fase die de andere vier overstijgt. Het is de vraag of een mens, of een cultuur, ooit werkelijk allebei tegelijk aankan: voelen zonder te vluchten in taken, en handelen zonder te vluchten in gevoel.
Lees ook:
* Waarom elk verlies om rouw vraagt
* Waarom mannen en vrouwen verschillend rouwen
* Hoe mannen en vrouwen verschillend rouwen
* Rouwtaken en rouwfasen
* Hoe meeleven in verlies en rouw