Werd
Johannes 10:35
Als de wet hén goden noemde tot wie het woord van God kwam, en de Schrift niet van kracht beroofd van kracht beroofd kan worden.
[36 zegt u dan tegen Mij, Die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: U lastert God, omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon?
37 Als Ik niet de werken van Mijn Vader doe, geloof Mij dan niet,]
Johannes 1:14
En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid.
In de Nederlandse vertalingen is er niets aan de hand.
Johannes 10:35: als de wet hén goden noemde tot wie het woord van God kwam.
Johannes 1:14: en het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond.
Twee verschillende werkwoorden. Kwam, en geworden. Twee zinnen die niets met elkaar te maken lijken te hebben.
In het Grieks staat er twee keer hetzelfde woord. Egeneto = werd
Wat dat betekent
Beide zinnen hebben hetzelfde onderwerp: ho logos, het woord van God.
En beide keren staat er dat het egeneto — dat het geschiedde, gebeurde, werd.
Maar er is één verschil, en dat verschil betekend veel
De eerste keer komt het woord tót iemand. Er is een ontvanger. Er wordt gesproken, iemand hoort het, en die iemand verandert erdoor — die gaat volgens de psalm elohim heten.
De tweede keer is er geen ontvanger. Er is niemand die aangesproken wordt. Het woord is zelf het onderwerp, en vlees is wat het wordt.
Bij de een komt het woord ergens aan. Bij de ander wordt het woord zelf iets.
Dat is het. Maar waarom?
Het werkwoord
Ginomai is het grondwoord: worden, ontstaan, gebeuren, geschieden.
De vorm die op beide plaatsen staat, egeneto, is de aoristus. Dat is een tijdsvorm die het Nederlands niet kent. Ze zegt niet hoe lang iets duurde. Ze zet de handeling neer als iets wat zich voltrok, als één punt. Daartegenover staat het imperfectum, dat juist toestand of duur weergeeft.
En dat onderscheid is in de proloog het skelet.
In 1:1 staat drie keer ēn, imperfectum van einai, zijn. In het begin was het woord, en het woord was bij God, en God was het woord. Een toestand zonder aanvang in beeld.
In 1:3 staat egeneto over alles wat gemaakt is: alle dingen zijn door hem geworden. Ontstaan, dus, met een punt waarop het begon.
Twee categorieën, strak uit elkaar gehouden. Wat er is, is geworden. Het woord is niet geworden; het was.
En Johannes houdt dat vol. In 1:6, over Johannes de Doper: egeneto anthrōpos, er kwam een mens. Ontstaan. De Doper valt aan de kant van het geworden.
Tot Johannes 1:14.
Daar staat egeneto over het woord zelf. Dat is de enige plek waar de twee categorieën van de proloog elkaar raken. Wat was, gaat over in wat wordt, en het werkwoord dat daarvoor gebruikt wordt, is hetzelfde als voor alles wat gemaakt is.
De formule eronder
Er is nog iets aan 10:35 dat je alleen hoort als je de Septuaginta kent, en iedereen die daar stond kende hem.
Wajehi devar JHWH el… — en het woord des HEEREN geschiedde tot…
Die formule staat honderden keren in de Hebreeuwse bijbel. Bij Abraham in Genesis 15. Bij Samuël, bij Nathan, bij Elia. De boeken Jona, Zacharia en Haggaï openen ermee. Ezechiël begint bijna elk hoofdstuk zo.
De Septuaginta vertaalt dat met egeneto logos kuriou pros.
En dat is woordelijk wat er in Johannes 10:35 staat: tot wie het woord van God geschiedde.
Het is dus geen willekeurige omschrijving. Het is de profetenformule.
Wat hij daarmee doet met de elohim uit Psalm 82: hij duidt ze aan als mensen tot wie gesproken is, zoals er tot een profeet gesproken wordt. Niet als wezens van een bepaalde rang, maar als aangesprokenen.
En daarmee beantwoordt de bijzin een andere vraag dan de aanklacht stelt. Zij vragen wie er god genoemd mag worden. Hij zegt: mensen tot wie het woord kwam.
Wat er in de proloog is weggesneden
Nu terug naar 1:14, en dan eerst naar het vers ervoor, want dat leest als een uitweiding en is het niet.
Johannes 1:13 gaat over wie het recht ontvangen kinderen van God te worden, en dan volgt een drievoudige ontkenning:
die niet uit bloed,
noch uit de wil van vlees,
noch uit de wil van een man,
maar uit God geboren zijn.
Drie keer niet. Kijk waarvan.
* Uit bloed — er staat in het Grieks een meervoud, ex haimatōn, uit bloeden. Dat meervoud is vreemd genoeg om over te struikelen. In de antieke voortplantingsleer is het het samenkomen van twee bijdragen.
* Uit de wil van vlees — begeerte.
* Uit de wil van een man — en daar staat anēr, de man, niet anthrōpos, de mens.
Wie die drie regels achter elkaar zet, breekt een mechanisme af. En het is het enige mechanisme waarmee er in de omringende wereld een halfgod ontstond: een god die begeert, een verwekking, een vermenging van twee soorten bloed.
Genesis 6 kent die figuur — de zonen Gods die de dochters der mensen zien, en de nakomelingen die de Septuaginta gigantes noemt, reuzen, met de Griekse mythologie erin. En de hele Grieks-Romeinse wereld kent hem: Herakles, Perseus, en in geboortelegenden ook keizers.
Johannes zegt: niet zo. Drie keer, in één zin, vlak voordat hij bij het woord komt dat vlees wordt.
Het is dus geen zijstap over de gelovigen. Het is de laatste sluis vóór 1:14. Wat daar staat, moet niet gehoord worden als wat de wereld eromheen gewend was te horen.
Enig van soort
En dan het woord dat in 1:14 volgt, en dat door de vertaalgeschiedenis is dichtgeslibd.
Monogenēs. Eniggeborene, in de meeste vertalingen.
Dat is een weergave met een geschiedenis. Het Latijn heeft unigenitus, en daarachter staat het genitum non factum van de geloofsbelijdenis — geboren, niet gemaakt. Er zit dus een leerstellige beslissing in de vertaling.
Het Griekse woord is samengesteld uit mono- en -genēs, en dat tweede deel hangt aan genos: geslacht, soort. Niet aan gennaō, verwekken.
Monogenēs betekent: enig van zijn soort. De enige in zijn genre.
Zo wordt het ook elders gebruikt. De feniks heet bij Griekse auteurs monogenēs — er is er maar één. En in de Septuaginta staat het waar het Hebreeuws jachied heeft: enig, alleen, uniek.
En waar staat de jachied in de Schrift?
Genesis 22:2. Neem toch uw zoon, uw enige, die gij liefhebt, Izaäk. De enige zoon in het boek is de zoon op de berg. En Hebreeën 11:17 gebruikt voor diezelfde Izaäk het woord monogenēs.
Niet de zoon die verwekt wordt. De zoon die gebonden wordt.
Dat is een ander register dan afstamming, en het sluit precies aan bij wat 1:13 heeft weggesneden. Waar de omringende wereld zoonschap dacht als afkomst uit een vermenging, wijst dit woord naar een zoon die wordt weggegeven.
Waarom dit het laatste artikel is
Kijk terug naar wat er in deze serie langs is gekomen.
Er was een woord met veel rek — elohim, dat rechters kon aanduiden en een geest en een hemelse raad.
Er waren figuren die opklommen: Henoch, Melchisedek, Mozes, de logos van Filo.
Er was een Griekse trap met tussenverdiepingen.
Er was een bewaakte grens, met Metatron die zit en vuurslagen krijgt om te tonen dat zitten geen gelijkheid is.
Al die dingen hebben iets gemeen. Ze werken met zijn. Ze rangschikken wezens: wie staat waar, wie is meer, wie mag zitten.
Wat in 1:14 staat, is geen rangschikking. Het is een werkwoord.
En dat is de reden dat geen van de beschikbare categorieën past. Je kunt vragen of iemand god is of mens of iets ertussenin — dat zijn drie plaatsen op een schaal. Je kunt niet vragen welke plaats werd inneemt.
Daarom laat hij ook de precedenten liggen.
Melchisedek werd elohim genoemd.
Mozes heette elohim voor Farao.
De koning kreeg te horen: heden heb ik u gegenereerd.
Elk van die drie was bruikbaar geweest als verweer. En elk van die drie beantwoordt de vraag die zij stellen — welke rang — en niet de vraag waarin hij spreekt.
De psalm die hij wél aanhaalt, gebruikt hij bovendien precies op dat punt.
Niet: die mensen waren goden, dus mag ik het ook zijn.
Maar: tot hen geschiedde het woord. Er is iets gebeurd waardoor ze zo genoemd werden.
Het is een gebeurtenis, geen status.
Wat open blijft
Het was een hele worsteling voor mij (niet theoloog en geen gymnasiast, laat staan een classicus) om deze versen uit te diepen.
Begrijp ik het, als zoeker en graver, nu?
Maar ik kan het wel beter lezen omdat ik er veel meer context bij heb.
En dan is er iets wat ik niet dicht krijg, en dat mag, denk ik, ook niet dicht.
De twee zinnen waarmee dit artikel begon, zijn niet hetzelfde.
In de ene komt het woord tót mensen.
In de andere wordt het zelf iets. Wie die twee gelijkschakelt, laat precies het verschil verdwijnen dat de hele scène in de zuilengang veroorzaakt.
Maar het werkwoord is hetzelfde, en Johannes heeft het zo geschreven.
De kerk heeft er vier eeuwen later een woord voor gevonden dat in de Schrift niet voorkomt — homoousios, van hetzelfde wezen — om een verhouding te beschrijven waar geen woord voor was. Dat is een woord uit het register van het zijn, gemaakt om vast te leggen wat hier in een werkwoord staat.
Of dat betekent dat er een woord gevonden moest worden, of dat er geen woord voor mocht zijn, staat er niet bij.
Wat er wel staat, is dit. Aan het eind van dit boek steekt iemand zijn hand uit naar een lichaam met gaten erin en zegt: mijn Heer en mijn God. Dat is de eerste keer dat iemand in het verhaal dat woord op hem toepast, en het gebeurt op het moment dat hij het meest sterfelijk is.
Wat daar wordt erkend, weet ik niet. Iets wat er de hele tijd al was. Of iets wat de wond ervan gemaakt heeft.
Wat er uit dit graafwerk en deze zoektocht komt, is niet een beschrijving maar een houding. Jezus die op elke vraag naar wat hij is, antwoordt met van wie hij komt. Die zich benoemt in dingen die opgaan in hun gebruik — brood, deur, weg. Die vlucht als ze hem koning willen maken en blijft staan als ze hem willen stenigen. Die één keer zegt “ik ben” zonder er iets achter te zetten.
Van alles wat ik heb opgegraven, is het onverwachtste dat hij zich naar beneden verdedigt. Elke figuur in die eeuw die te hoog reikte, verdedigde zich omhoog — met precedenten, met een tussenverdieping, met een troon. Hij haalt de ene psalm aan waarin de goden doodgaan. Dat is niet de zet van iemand die zijn positie probeert te redden.
Lees verder:
* Johannes 9 en 10 (het skelet)
* Wat er naast god mag staan (waarom god en godenzonen)
* Twee gesprekken tegelijk (de context)
* De psalm die hij afbreekt (psalm 82)
* Van wie? (van God of van mensen?)
* Het was winter (het scharnier)
* Werd (het werkwoord)

