Twee gesprekken tegelijk
Johannes 10:30–36
30 Ik en de Vader zijn Één. [Jesaja 54:5; Johannes 5:19; 14:9; 17:5]
31 De Joden dan pakten opnieuw stenen op om Hem te stenigen. [Johannes 8:59; 11:8]
32 Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele goede werken van Mijn Vader laten zien. Vanwege welk van die werken stenigt u Mij?
33 De Joden antwoordden Hem: Wij stenigen U niet vanwege een goed werk, maar vanwege godslastering, namelijk omdat U, Die een Mens bent, Uzelf God maakt. [Johannes 5:18]
34 Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd: U bent goden? [Psalm 82:6]
35 Als de wet hén goden noemde tot wie het woord van God kwam, en de Schrift niet van kracht beroofd van kracht beroofd [10:35]
36 zegt u dan tegen Mij, Die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: U lastert God, omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon? [Johannes 5:17; 6:27]
Er zijn in dit boek twee keer stenen opgepakt, en de eerste keer viel er niets te citeren.
Johannes 8:58: Jezus zei tegen hen: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Vóór Abraham geboren was, ben Ik.’
Er staat een breuk in de tijd. Over Abraham: worden, ontstaan, een aoristus — de mens die een begin heeft. Over zichzelf: tegenwoordige tijd. Niet: ik wás er al. Er wordt geen hoge ouderdom geclaimd. Er wordt een ander soort bestaan neergezet naast een bestaan dat begonnen is, en de zin laat de twee botsen zonder ze te verbinden.
En achter dat ‘ben ik’ staat niets.
Dat is het tweede dat opvalt, en het is minder opvallend en zwaarder. In dit boek staat er meestal wél iets achter — ik ben het brood, ik ben de deur, ik ben de goede herder. Hier niet. Ook niet in 8:24 (Ik heb u dan gezegd dat u in uw zonden zult sterven, want als u niet gelooft dat Ik het ben, zult u in uw zonden sterven) en 8:28 (Jezus dan zei tegen hen: Wanneer u de Zoon des mensen verhoogd zult hebben, zult u inzien dat Ik het ben, en dat Ik vanuit Mijzelf niets doe, maar dat Ik die dingen spreek zoals Mijn Vader Mij heeft onderwezen.), waar dezelfde kale vorm valt: als gij niet gelooft dat ik ben. Drie keer in één hoofdstuk een werkwoord zonder gezegde.
Ze rapen stenen op. Natuurlijk rapen ze stenen op — dit is de plaats waar de Naam zich aandient in en dat wordt gehoord. Maar kijk wat er daarna gebeurt, of liever wat er niet gebeurt. Er wordt geen aanklacht geformuleerd. Er wordt niets uitgesproken. Hij verbergt zich en gaat de tempel uit, en het hoofdstuk is voorbij.
Dat is geen toeval van het verhaal. Je kunt niet naar de rechter met een zin die alleen uit een werkwoord bestaat. Wat hij zei bevat geen aanspraak die je kunt navertellen — er staat geen woord in dat je kunt aanwijzen en waarvan je kunt zeggen: dít beweerde hij te zijn. De woede is er, de steen is er, en de formulering ontbreekt.
De tweede keer, twee hoofdstukken later, is de formulering er wél. En ze is niet van hem.
De Joden antwoordden Hem: ‘Wij stenigen U niet vanwege een goed werk, maar vanwege godslastering, namelijk omdat U, Die een Mens bent, Uzelf god maakt.’
Dat is wat er tussen 8:59 en 10:33 veranderd is. De aanklacht heeft een woord gevonden voor iets waar de vorige keer geen woord voor was. Ze hoorden opnieuw wat ze eerder hoorden, en nu brengen ze het onder in een categorie — god (met kleine letter) — en pas dan kan er gestenigd worden op grond van iets.
Of die categorie past, is de vraag waar dit hele stuk over gaat. Maar het is hún categorie. Hij heeft het woord niet gebruikt.
Dus begin niet bij de aanklacht. Begin twee verzen eerder, bij wat hij wel zei.
Dus ik begin niet bij de aanklacht. Maar ik begin drie verzen eerder, bij wat hij zei: vers 30 ‘Ik en de Vader zijn Één.’
Één iets
Ik en de Vader zijn één. En het is een onzijdig telwoord één.
Grieks maakt dat onderscheid. Heis is mannelijk en betekent één iemand. Hen is onzijdig en betekent één iets. Johannes gebruikt beide vormen elders in zijn boek zonder aarzeling — in 11:50 staat één mens; in 17:21 staat weer hen, dat zij allen één zijn. Hij kiest.
Één mens zou een aanspraak zijn op identiteit. Wij zijn dezelfde. Dat had gekund, dat is grammaticaal mogelijk, en het is precies de zin waarvoor je gestenigd wordt.
Hen esmen is iets anders. Een eenheid die geen persoon is. Er is iets waarin wij één zijn, en dat iets heeft geen naam gekregen in de zin zelf. De zin laat een gat waar het onderwerp van de eenheid zou moeten staan.
Dat gat wordt twee verzen later door hemzelf ingevuld, en niemand luistert.
Om welk werk
Vers 31: De Joden dan pakten opnieuw stenen op om Hem te stenigen.
De stenen liggen al in de handen. En wat hij zegt terwijl ze daar staan is niet een verdediging maar een vraag, en het is een vraag over iets heel anders dan waar zij mee bezig zijn.
Vers 32: Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele goede werken van Mijn Vader laten zien. Vanwege welk van die werken stenigt u Mij?
Werken. Het woord dat in dit bijbelboek de tekenen draagt — het water, het brood, de blindgeborene die twee hoofdstukken terug ligt en waar dit hele gesprek uit voortkomt. En: laten zien. Niet gedaan, getoond. Aanwijzend. Kijk hiernaar.
Hij zegt dus: de eenheid waarover ik sprak is te zien. Ze ligt in het handelen. Wilt u weten waarin ik en de Vader één zijn — daar is het, dat is het, u heeft ernaar gekeken.
En dan het antwoord, en het antwoord is een weigering.
vers 33 De Joden antwoordden Hem: Wij stenigen U niet vanwege een goed werk, maar vanwege godslastering, namelijk omdat U, Die een Mens bent, Uzelf God maakt.
Niet om een goed werk stenigen wij u, maar om godslastering.
Daar valt het uit elkaar. Hij biedt het werk aan als gespreksgrond en zij wijzen het werk af als gespreksgrond. Niet daarover. Wat hij doet is niet waar het over gaat. Waar het over gaat is wat hij daarmee beweert te zijn.
Vanaf hier worden er twee gesprekken tegelijk gevoerd, en ze raken elkaar niet meer. Het ene gaat over doen, het andere over zijn.
En elk woord dat daarna valt, valt in twee betekenissen, één in elk gesprek.
Dit is de reden dat het psalmcitaat er straks uitziet als een ontwijking. Het is geen ontwijking. Het is de tweede poging om hetzelfde te zeggen tegen mensen die de eerste poging categorisch van tafel hebben gehaald.
De vier woorden
Nu de aanklacht zelf, woord voor woord, want er staat minder dan je denkt en het staat scherper.
* Mens zijnde. Een deelwoord vooraan, en het draagt de hele beschuldiging al voordat het werkwoord komt. Ze hoeven niet te zeggen dat het onmogelijk is; ze zetten zijn mens-zijn ervoor en dan spreekt het vanzelf. Hou dit vast. Er komt een moment waarop dit woord terugkeert en dan niet meer het bezwaar is.
* Je maakt. Niet legeis, je zegt. Niet phaskeis, je beweert. Poiein is fabriceren, vervaardigen, tot stand brengen. Er zit een handeling in, een productie, een ambacht bijna.
En dat is vreemd, want de aanklacht heet godslastering — maar het werkwoord komt uit een ander vocabulaire. Wie een god máákt uit iets dat het niet is, daar heeft de Schrift een woord voor, en dat woord is afgoderij. Het gouden kalf wordt door Aäron gemaakt bij de berg Sinai. De beschuldiging luidt in feite: jij vervaardigt een beeld, en het beeld ben jij.
* Jezelf. Dit is het scharnier van de hele wisseling, al is dat pas te zien als je bij vers 36 bent aangekomen. Reflexief. Uit eigen beweging, door eigen toedoen. Er staat geen tweede partij in de zin. Wat hij zou zijn, zou hij zichzelf hebben gemaakt.
* god met kleine letter — en er staat geen lidwoord.
Grieks kan onderscheiden tussen ho theos, de God, en theos zonder lidwoord, dat eerder goddelijk betekent, of god in de categorische zin. Johannes weet dat verschil precies: in zijn eigen eerste zin schrijft hij eerst pros ton theon, bij de God, en dan theos ēn ho logos, zonder lidwoord.
De aanklagers zeggen dus niet: jij maakt jezelf tot de God van Israël. Ze zeggen iets veel losser geformuleerds, en daarmee iets waar meer in past: jij plaatst jezelf in de categorie. Dat is een aanklacht over rang, over waar iemand hoort te staan.
Wat de aanklacht niet weet
Er ligt onder deze zin een andere zin, uit een ander boek, en wie hem hoort kan de rest van dit hoofdstuk niet meer neutraal lezen.
Genesis 3:
4: Toen zei de slang tegen de vrouw: U zult zeker niet sterven.
5: God weet dat, op de dag dat u daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden en dat u als God zult zijn, goed en kwaad kennend.
Kijk naar wat daar staat, letterlijk. Niet hejitem elohim, gij zult goden zijn. Er zit een letter voor: de kaf van vergelijking, vastgeplakt aan het woord. Een van de kleinste tekens in het Hebreeuws en een van de zwaarste. Hij zegt: als.
De belofte in de hof is nooit gelijkheid geweest. De belofte was gelijkenis. En de val zit in het verschil tussen die twee — een verschil dat op schrift één letter is en in werkelijkheid alles.
Wat de slang aanbiedt is exact wat de aanklagers menen te zien gebeuren. Een mens die de overkant binnenstapt. En dat is geen willekeurige echo: het is in de Schrift de oervorm van de overtreding, het enige verhaal dat verteld wordt vóór er wetten zijn. Wie in de eerste eeuw iemand ervan beschuldigt zichzelf god te maken, roept dat verhaal op, of hij het wil of niet.
Ze hebben gelijk over de vorm van wat er gebeurt. Iemand staat op de plaats waar de slang wees.
Ik heb gezegd
Johannes 10: 34Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd: U bent goden? (Psalm 82:6.)
En kijk wat er níet staat.
Ik heb gezegd: goden zijt gij.
Geen kaf. Geen vergelijking. Geen als. Er staat het gewoon, kaal, zonder verzachting: goden zijt gij.
Psalm 82: 6 en 7
6 Ík heb wel gezegd: U bent goden, u bent allen zonen van de Allerhoogste;
7 toch zult u sterven als een mens, zoals iedere andere vorst82:7 iedere andere vorst – Letterlijk: een van de vorsten. zult u vallen.
Sta hier even stil, want dit is verbijsterend genoeg om verkeerd te lezen. De belofte van de slang was voorzichtiger dan de uitspraak van God in deze psalm. De slang zei als goden. De psalm zegt goden. Wat in de hof een verleiding heette omdat het te veel beloofde, staat in het psalmboek als een uitspraak van de spreker zelf, en dan nog sterker geformuleerd.
En dát is zijn verweer tegen de beschuldiging dat hij zich god maakt.
Wie alleen deze halve regel hoort, ziet iemand die de aanklacht niet ontkent maar overtreft.
Halve regel. Want daar houdt hij op.
De regel in de psalm loopt door — er staat nog een tweede lid achter, en dat tweede lid zou zijn zaak op het eerste gezicht beter dienen dan het eerste. Hij laat het weg. En de psalm zelf loopt ook door, nog een aantal verzen, naar een uitkomst waar hij met geen woord naar wijst.
Iemand die zich verdedigt met een citaat en dat citaat halverwege afbreekt, doet één van twee dingen.
Hij pakt wat hij nodig heeft en laat de rest liggen.
Of hij rekent erop dat zijn hoorders de rest kennen en zelf afmaken.
Dit zijn mensen die vragen of er niet geschreven staat. Ze kennen de rest.
Wie het gezegd heeft
En dan komt vers 36, en daar staat het woord dat de hele aanklacht spiegelt.
36 zegt u dan tegen Mij, Die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: U lastert God, omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon?
Die de Vader geheiligd heeft en gezonden in de wereld.
Zet dat naast: jij maakt jezelf — actief, reflexief, uit eigen beweging, geen tweede partij in de zin.
Die de Vader geheiligd heeft — passief, en er staat een ander onderwerp voor.
Hon, betrekkelijk voornaamwoord in de vierde naamval: hij is hier het lijdend voorwerp van zijn eigen zin.
Dat is de eigenlijke weerlegging, en ze zit niet in de inhoud maar in de vorm.
Zij zeggen: jij hebt jezelf gemaakt.
Hij zegt: ik ben apart gezet.
Niet ik heb, maar mij is.
De hele beschuldiging draait op het woordje seauton, en hij haalt dat woordje weg en zet er een ander onderwerp neer.
Wie zich beroept op wat een ander met hem gedaan heeft, ontkent niet de plaats waar hij staat. Hij ontkent dat hij daar zelf is gaan staan.
En dan dat werkwoord: heiligen, apart zetten. In de Septuaginta is dat het woord voor het wijden — van een priester, van een offer, van een altaar. Van een tempel.
Er is een reden dat dit woord op deze plek staat en die reden ligt vier verzen terug, in een tijdsbepaling die ik nog niet genoemd heb.
Wat er blijft liggen
Terug naar het gat in vers 30: Ik en de Vader zijn Één. [Jesaja. 54:5; Johannes. 5:19; 14:9; 17:5]
Wij zijn één iets.
Zij hebben gehoord: één iemand, een tweede figuur naast God, en dat is de enige categorie die ze beschikbaar hebben. Hun beschuldiging vertaalt een onzijdige eenheid terug naar een aanspraak op rang.
Hij heeft het gat ingevuld met: Werken. Daarin zijn wij één, kijk daarnaar.
Ze hebben dat afgewezen: niet om een goed werk. En daarna is elk woord in twee gesprekken tegelijk gevallen. Het psalmcitaat alles.
Wat me niet loslaat is dat hij het misverstand niet corrigeert. Hij zegt nergens: u heeft mij verkeerd verstaan, ik bedoelde geen tweede persoon. Hij verlegt het gesprek — naar de werken, naar de psalm, naar wie hem gewijd heeft — maar hij trekt de zin uit vers 30 niet terug en hij legt hem niet uit.
Aan het eind van het hoofdstuk proberen ze hem opnieuw te grijpen, en hij gaat weg over de Jordaan.
Dat kan betekenen dat het misverstand hem niet belangrijk genoeg is om te repareren. Het kan ook betekenen dat er in dat misverstand iets zit wat hij niet wil ontkennen. En als je alleen deze zes verzen hebt, is er geen manier om uit te maken welke van die twee het is.
Lees verder:
* Johannes 9 en 10 (het skelet)
* Wat er naast god mag staan (waarom god en godenzonen)
* Twee gesprekken tegelijk (de context)
* De psalm die hij afbreekt (psalm 82)
* Van wie? (van God of van mensen?)
* Het was winter (het scharnier)
* Werd (het werkwoord)

