Van wie?
Wij stellen de vraag verkeerd, en daarom komt het antwoord niet aan.
Als wij ons afvragen wat er in Johannes 10 gebeurt, vragen wij: beweerde hij dat hij God wás. Dat is een vraag naar wezen. Naar wat iemand ten diepste is, achter zijn woorden en zijn daden, als je alles weghaalt wat hij doet.
Die vraag werd daar niet gesteld. Hij kón daar niet gesteld worden, want het vocabulaire waarin het gesprek gevoerd wordt, gaat niet over wezens. Het gaat over herkomst.
Zoon van
De uitdrukking waar alles om draait:
* Ben. Zoon. En in het Hebreeuws betekent dat vaak niet: verwekt door. Het betekent: behorend tot, van die soort, uit dat huis.
* Ben chajil is een dapper man — letterlijk zoon van kracht. Er is geen vader die Kracht heet.
* Bnei nevi’im zijn de profetenzonen, en dat is geen familie maar een gilde: mensen die in dat vak staan.
* Ben mavet is iemand die de dood verdient, zoon des doods.
* Bnei belial zijn deugnieten.
Het idioom maakt van een eigenschap, een orde of een lot een afstamming.
Dus bnei ha-elohim zegt niet dat er goden verwekt zijn. Het zegt: die tot die orde behoren. Lidmaatschap.
En bnei Eljon in Psalm 82:6 staat parallel aan elohim atem — de twee helften van dat vers zeggen hetzelfde met andere woorden. Van die orde zijt gij.
Nu terug naar de aanklacht. Zij vragen wat hij is: een mens, en hij zet zichzelf in een andere categorie. Een wezensvraag, of ze het weten of niet.
En elk antwoord dat hij geeft, gaat over herkomst.
Ruim veertig keer hetzelfde
Veertig keer duidt hij zichzelf aan.
Niet met een zelfstandig naamwoord. Met een deelwoord: hem die mij gezonden heeft. Ruim veertig keer staat daar een variant van in Johannes. Mijn spijze is te doen de wil van hem die mij gezonden heeft. Mijn leer is niet van mij, maar van hem die mij gezonden heeft. Ik ben niet uit mijzelf gekomen. Hij die mij gezonden heeft is waarachtig.
Telkens verplaatst dat de vraag. Zij vragen wat hij is; hij antwoordt van wie hij komt.
Dat is geen bescheidenheid en geen ontwijking. Het is de enige categorie waarin hij spreekt.
Het is bovendien een rechtsfiguur die iedereen daar kende: de gezant van een mens is als die mens zelf. Wie de gezant hoort, heeft de zender gehoord; wie hem afwijst, wijst de zender af. En de gezant is de zender niet. Dat laatste staat er ook, in 13:16: de gezondene is niet groter dan wie hem zond.
Die figuur draagt bijna alles. Ze is de reden dat ik en de Vader zijn één en de Vader is groter dan ik geen tegenspraak hoeven te zijn.
Bijna alles. Want er zijn vier plaatsen waar de gezant-figuur het begeeft.
* Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien — een gezant kun je zien zonder de zender te zien; dat is juist het nut van een gezant.
* De Vader in mij en ik in de Vader, wederkerig — geen enkele volmacht werkt beide kanten op, want dan is de zender ook gezonden.
* De heerlijkheid van vóór de grondlegging der wereld, 17:6 — een gezant krijgt zijn positie bij de zending, niet ervoor.
* En: de zoon kan niets uit zichzelf doen dan wat hij de Vader ziet doen.
Op die laatste wil ik even blijven staan.
De leerjongen
Wat hij de Vader ziet doen.
Er staat geen theologisch woord. Er staat een handeling, en een werkwoord van kijken.
Het beeld komt uit de werkplaats en had geen uitleg nodig. Een zoon leerde het vak van zijn vader door ernaast te staan. Hij had geen eigen opdracht, geen eigen tarief, geen eigen ontwerp — hij deed wat hij zag. En na verloop van tijd deed hij het net zo, niet omdat hij het had afgesproken maar omdat hij niet anders had gezien.
Zet dat naast de gezant-figuur en het verschil springt eruit. Een gezant heeft een boodschap gekregen en voert die uit. Hij hoeft niet te kijken; hij heeft zijn opdracht op zak. De leerjongen heeft niets gekregen. Hij moet blijven kijken, want zonder kijken kan hij niets.
Dat is een verhouding die twee dingen tegelijk waar maakt die wij niet samen kunnen denken.
* Volstrekte afhankelijkheid. Niets uit zichzelf, geen enkel eigen initiatief.
* Volstrekte gelijkvormigheid. Wat de Vader doet, doet de zoon evenzo.
Wij lezen die twee als een schaal met twee kanten. Hoe afhankelijker, hoe minder jezelf. Hoe meer jezelf, hoe onafhankelijker. In het leerjongenbeeld is het omgekeerd: hij wordt gelijkvormig dóór de afhankelijkheid, niet ondanks.
Er is altijd een dag
Dat het bij hem zo werkt, valt op tegen de achtergrond van hoe zoonschap in die wereld normaal tot stand kwam. En dat gebeurde altijd op een moment.
Neem de Romeinse adoptie. Adoptio was geen zorg voor een kind maar een rechtshandeling over opvolging, meestal tussen volwassen mannen. Wie geadopteerd werd, verliet zijn oude familia volledig en trad in de macht van de nieuwe pater familias. Hij nam de naam over, de erfenis, de voorouders — de oude afstamming werd juridisch uitgewist.
Dat is wat er met Octavianus gebeurt. Caesar adopteert hem in zijn testament, en vanaf dat moment heet hij zoon van Caesar. En als Caesar tot god verklaard wordt, is hij zoon van de vergoddelijkte, precies de titel die op de munten stond die door het hele rijk gingen. Zoon van god langs een notaris.
De joodse vorm is niet juridisch maar liturgisch, en heeft evengoed een moment. Psalm 2: gij zijt mijn zoon, heden heb ik u gegenereerd. Dat werd gezegd bij de kroning. Er is een heden — een dag waarop het ingaat, en daarvoor was het niet zo. Nathan zegt hetzelfde tegen David over zijn nazaat: ik zal hem tot een vader zijn en hij zal mij tot een zoon zijn.
Twee vormen van toegewezen zoonschap, allebei met een datum. En dat is precies wat er bij Johannes ontbreekt. Geen testament, geen zalving, geen heden. En in 17:5 een heerlijkheid van vóór de wereld was.
Bij een adoptie is er iets aan iemand toegevoegd op enig moment. Dat is nu net wat Jezus van zichzelf ontkent.
Wat wij ervan gemaakt hebben
En daar zit de reden dat dit hoofdstuk bij een moderne lezer niet binnenkomt zoals het bedoeld is.
Wij hebben van herkomst een last gemaakt en van identiteit een prestatie.
Jezelf worden betekent bij ons: uit het systeem stappen. Je eigen keuzes maken. Niet meer alleen de dochter van je moeder zijn. Loskomen van het huis waar je uit komt, en pas dan begint het echte leven. Wie op zijn vijftigste nog doet wat zijn vader deed, wordt niet bewonderd — dat noemen wij onverwerkt.
En de hoogste lof die wij kennen is: hij is helemaal zichzelf geworden. Wat wij daarmee bedoelen is: van niemand.
Zet daar de zin naast: ik kan niets uit mijzelf doen dan wat ik hem zie doen.
In onze taal is dat geen uitspraak over verhouding meer. Het is een symptoom. Zo iemand zou aan tafel zitten en ik zou geneigd zijn de knoop te ontwarren — want dit is precies het patroon dat wij ontwikkelingsstilstand noemen.
Terwijl daar iets staat wat wij nauwelijks meer kunnen denken. Dat volledig afhankelijk zijn en volledig jezelf zijn geen tegenstellingen zijn.
Er zit wel een verschil, en dat verschil is bepalend, maar het is niet het verschil dat wij denken. Het gaat er niet om hoevéél iemand van een ander overneemt. Het gaat erom of hij het overneemt uit angst of uit zien.
Wie doet wat zijn vader deed omdat hij niet durft af te wijken, kijkt niet — die herhaalt. Er zit een verstarring in, en die is te horen: hij kan niet zeggen waarom, alleen dat het zo hoort.
Wie doet wat hij zijn vader zíet doen, kijkt nog steeds. Dat is een levende beweging, geen kopie. Ze veronderstelt dat de ander nog bezig is, en dat er nog iets te zien valt.
Bert Hellinger heeft het eerste beschreven en het tweede eigenlijk niet. Bij hem is erbij horen de eerste voorwaarde, en wie zich losmaakt van het systeem waaruit hij komt, betaalt. Dat is scherp gezien. Maar het blijft de taal van een prijs die betaald moet worden, van iets wat je moet erkennen om verder te kunnen. Het Hebreeuwse ben zegt iets anders: niet dat je het moet erkennen, maar dat er niets over is als je het wegdenkt.
Twee bodems
De vraag van wie je komt heeft twee bodems, en de tweede is de moeilijke.
=> De eerste is: uit welk huis kom ik. Genealogie, systeem, wat er vóór mij lag. Dat is een feit. Je kunt het opzoeken.
=> De tweede is: van wie leef ik nu. En dat gaat niet over waar je energie vandaan haalt of wat je motiveert. Het gaat over de vraag wiens oordeel maakt dat je het goed hebt gedaan.
Iedereen heeft daar een adres voor, en bijna niemand kan het spontaan noemen. Je merkt het achteraf. Je hebt iets afgerond en je voelt of het klopt — en dat gevoel komt ergens vandaan. Er is iemand die het zou moeten zien. Soms is dat iemand die al dertig jaar dood is. Soms iemand die je nooit meer spreekt. Soms is het geen mens maar een stem die zegt dat het nooit genoeg is.
Uit welk huis kom ik, is een feit. Van wie leef ik nu, is een lopende rekening.
En de twee kunnen los van elkaar staan. Iemand komt uit een gezin waar hard werken telde en leeft van de goedkeuring van een leidinggevende die precies dat afkeurt. Iemand komt uit een kerk en leeft van de blik van mensen die daarop neerkijken. Dat is niet inconsequent. Dat is het gewone geval.
Om te zien wat er dan in Johannes 5:19 (Jezus dan antwoordde en zei tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: De Zoon kan niets van Zichzelf doen, als Hij dat niet de Vader ziet doen, want al wat Deze doet, dat doet ook de Zoon op dezelfde wijze) staat, helpt het naar iets te kijken wat wij wel kennen.
Neem de opvolger in een familiebedrijf. De vraag is niet of hij hetzelfde doet als zijn vader. De vraag is of hij nog kijkt. De een voert uit wat er is afgesproken, verandert niets, en kan niet zeggen waarom niet — die herhaalt. De ander is er nog steeds mee bezig, ziet wat zijn vader zag toen die het opzette, en doet daarom soms iets anders. Van buiten lijken ze op elkaar. Van binnen is het het verschil tussen een dood en een levend bedrijf.
Of neem iemand die jaren bij een meester in de leer is geweest — een chirurg, een instrumentbouwer, een therapeut. In het begin doet hij het na. Op enig moment doet hij het zelf, en het is niet meer nadoen; het is van hem. En toch zou hij het zonder die jaren niet kunnen. Wat er precies is overgedragen, kan geen van beiden opnoemen.
En dan het omgekeerde, en dat is het voorbeeld dat het meeste laat zien. Je zegt iets tegen je kind en het is de zin van je moeder. Woordelijk, met de intonatie erbij. Daar schrik je van.
Waarom schrik je? Omdat het onbewust is, en omdat het gaat waar je niet wilde dat het ging. Er is niets gezien; er is iets doorgegeven.
Daar zit het onderscheid. Wij hebben wel degelijk een categorie voor doorgegeven bestaan — we noemen het een patroon, en het is altijd iets om van af te komen. De mislukte vorm herkennen we onmiddellijk.
Wat wij niet meer hebben, is de gelukte vorm. Iemand die volledig van een ander leeft en daar niet kleiner van wordt!
En bij Jezus vallen de twee bodems samen. Dat is wat Johannes 5:19 zegt: geen ruimte tussen waar hij vandaan komt en waar hij van leeft. Wat hij ziet en wat hij doet is één beweging, en er is geen tweede adres waar het goedgekeurd moet worden.
Dat is misschien de scherpste manier om te zeggen wat er in Johannes 10 op het spel staat. Niet: hij beweerde God te zijn. Maar: bij Jezus was er geen kier tussen herkomst en doen.
Bij ons is die kier juist de plek waar het pijn doet.
Waarom er dan toch stenen komen
Want tot hier is het niet vreemd. Iedereen komt ergens vandaan. Iedereen leeft van iets. Het verschil is gradueel, niet categorisch.
Wat er in de zuilengang van Salomo gebeurt, is dat iemand die herkomst niet als achtergrond noemt maar als het enige waar hij van leeft. Niet: mijn vader heeft mij gevormd. Maar: er is niets van mij dat niet daarvandaan komt.
En dat is niet meetbaar. Er is geen manier om van buiten vast te stellen of iemand die dat zegt gelijk heeft. Je kunt alleen kijken naar wat eruit komt — en dat is precies wat Jezus twee verzen na de eenheidsuitspraak voorstelt: om welk werk stenigt gij mij.
Zij hebben dat afgewezen. Niet om een werk, maar om godslastering. En daarmee hebben ze de enige toetssteen van tafel gehaald die er in dit soort zaken is.
Dat is geen kwade wil. Het is dat zij een wezensvraag stellen en dat een wezensvraag niet met werken te beantwoorden is. Wie wil weten wát iemand is, heeft aan wat hij doet niets.
Wat er dan blijft staan
Dus dit is de verplaatsing die het hele gesprek bepaalt, en die door beide partijen niet wordt opgemerkt.
Zij vragen: wat ben jij.
Hij antwoordt: van wie ik ben, en wat er van die kant door mij heen gebeurt.
Twee gesprekken langs elkaar, en het valt niet op, want het woord zoon past in allebei. In hun mond is het een rang. In de zijne is het een herkomst.
En de aanklacht ‘je maakt jezelf’ is dan geen misverstand over de graad maar over de richting. Zij denken dat hij iets aan zichzelf toevoegt. Hij zegt dat er niets is dat hij zelf heeft gemaakt.
Hier valt ook iets op zijn plaats wat eerder bleef liggen. Hij corrigeert het misverstand nergens. Hij zegt niet: u heeft mij verkeerd verstaan, ik bedoelde geen tweede figuur naast God. Hij verlegt het gesprek — naar de werken, naar de psalm, naar wie hem gewijd heeft — en trekt niets terug.
Als de herkomstlezing klopt, is dat geen zwijgzaamheid maar onmogelijkheid. Er valt niets te corrigeren, want hij heeft nooit in hun categorie gesproken. Wie een rang ontkent die hij niet geclaimd heeft, gaat alsnog het gesprek in dat hij vermijdt. Het enige wat hij kan doen is blijven antwoorden in de taal waarin hij begonnen is, en dat is precies wat hij doet.
Wat ik daar niet uit krijg: of dat verschil in onze taal überhaupt over te brengen is. Wij hebben het woord roeping bijna weggegooid ten gunste van keuze, en wie zegt dat hij dit niet heeft uitgezocht, wordt verdacht van slachtofferschap of van fanatisme.
Het kan zijn dat de categorie bij ons ontbreekt zoals de tussenverdieping bij zijn hoorders ontbrak. En dat wij dus, met andere middelen, dezelfde fout maken.
Lees verder:
* Johannes 9 en 10 (het skelet)
* Wat er naast god mag staan (waarom god en godenzonen)
* Twee gesprekken tegelijk (de context)
* De psalm die hij afbreekt (psalm 82)
* Van wie? (van God of van mensen?)
* Het was winter (het scharnier)
* Werd (het werkwoord)
