Eén woord, twee keer gehoord
Er is één zin in de zuilengang die ik al die tijd te klein heb gelezen. Diegenen noemt hij goden tot wie de Logos geschiedde. Ik hoorde in dat logos van 10:35 het woord van God in de gewone zin — een boodschap, een uitspraak, iets wat gezegd wordt tot een profeet. Dat is ook wat er staat, en de profetenformule eronder is echt. Maar er staat ho logos tou theou, en dat is ook de Logos van de proloog. Dezelfde die in het begin was, die bij God was, die God was.
Zodra je dat hoort, verandert de zin van richting. Dan zegt Jezus in de zuilengang niet: er waren mensen tot wie God ooit sprak en die daarom goden heetten. Dan zegt hij: er zijn mensen tot wie ik geschied ben.
Ik moet even blijven staan bij hoe groot dat is. Hij verdedigt zich met een psalm waarin goden sterven. Maar in deze lezing haalt hij die psalm niet aan als precedent voor zichzelf. Hij haalt haar aan als beschrijving van wat er met anderen gebeurt wanneer hij bij hen aankomt. De aanklagers vragen: wie ben jij dat je jezelf god maakt. Hij antwoordt met een zin over wat er van hen wordt — van wie hem ontvangt.
Dezelfde richting
Het is te zien aan een voorzetsel, en ik had het niet gezien tot ik de twee zinnen in het Grieks onder elkaar legde.
Johannes 1:1: kai ho logos ēn pros ton theon. En de Logos was pros God. Dat pros is geen bij, zoals wij vertalen. Het is naar toe, gericht op, tegenover — met het gezicht ernaartoe. Het is het woord dat je gebruikt voor iemand die tegenover je zit aan tafel. In 1:18 wordt datzelfde gezegd met een lichaamsdeel: in de schoot van de vader, aan zijn borst zoals de leerling aan tafel bij hem ligt in hoofdstuk 13.
Johannes 10:35: Tot wie de Logos van God geschiedde. Hetzelfde pros.
De Logos was pros God. En dan geschiedt hij pros mensen. Het gezicht dat naar de Vader gekeerd was, keert zich naar wie er staat. Daartussen ligt 1:14, waar hij zijn tent opslaat en hēmin, onder ons, temidden van ons. En aan het einde, in hoofdstuk 17, gaat het voorzetsel nog een stap verder: ik in hen, en autois. Van tegenover naar temidden naar in. Dat is de hele beweging van het evangelie, en ze staat in drie voorzetsels.

Logica, davar
Woord is te smal voor wat er staat. Logos is de logica, de samenhang, de wijze waarop de dingen kloppen — eerst van de geschapen wereld, alle dingen zijn door hem geworden, en dan als een mens tussen die dingen.
Het Hebreeuws eronder maakt het nog scherper. Het woord dat de Septuaginta met logos weergeeft is davar, en davar betekent woord én ding én gebeurtenis, zonder onderscheid. Divrei ha-jamim, de woorden van de dagen, is de naam van het boek Kronieken: niet wat er gezegd is, maar wat er gebeurd is. In het Hebreeuws is een woord iets wat plaatsvindt. Daarom kan het geschieden — wajehi devar JHWH — en daarom is de profetenformule geen beeldspraak. Er gebeurt iets bij die mens.
En er zit nog een woord in dezelfde drie letters, en dan zegt de joodse mystiek: Devir. Dalet, bet, resj — dezelfde letters als davar. Het is de naam van het Heilige der Heiligen in de tempel van Salomo, 1 Koningen 6. De binnenste ruimte, waar de ark staat, waar niemand komt behalve één keer per jaar. De achterkamer — want de stam betekent ook achter, het achterste. Het woord en de binnenste ruimte zijn in het Hebreeuws hetzelfde letterbeeld.
Zet dat naast het gesprek in de zuilengang. Het is Chanoeka, het feest van de herwijding van precies die tempel. Ze lopen in de buitenste hof. En hij zegt dat de davar tot mensen geschiedt — het woord dat in zijn letters de binnenste kamer is. Ik weet niet of Johannes het zo dacht; hij schreef Grieks. Maar wie de Septuaginta hoorde, hoorde davar eronder, en voor wie Hebreeuws las, was de kamer in het woord aanwezig.
Ontvangen
Nu de schakel naar 1:12, want daar staat wat er met die mensen gebeurt. Zovelen hem ontvingen — die heeft hij de macht gegeven kinderen van God te worden. En dat worden is hetzelfde werkwoord als dat van 10:35 en dat van 1:14. Het woord geschiedt tot mensen; het woord wordt vlees; mensen worden kinderen. Drie keer één werkwoord.
Ontvangen. Het Hebreeuwse woord daarvoor is kibbel de ontvangst. Niet de leer, niet het weten — het ontvangen. Het begint niet bij wat je doet maar bij wat je in je laat komen.
En dat is precies het onderscheid waar de scène op draait. Jij maakt jezelf god. Nee — er zijn mensen tot wie het geschiedt, en die het ontvangen. In beide gevallen is de mens lijdend voorwerp. De psalm zegt: ik heb gezegd, gij zijt goden — ik heb gezegd, God spreekt, de goden worden aangesproken. 1:12: hij heeft hun gegeven — gegeven. 1:13: uit God geboren — geboren. Overal ontvangen, nergens maken.
Wat de kerk er drie eeuwen later van maakte — hij is mens geworden opdat wij god gemaakt zouden worden — is dus geen vergroting van wat Johannes zegt. Het is een samenvatting. En het merkwaardige is dat de lijdende vorm in die zin, hetzelfde Grieks is als de aanklacht van 10:33, met één ding eruit gehaald: het zelf. Haal het zelf weg, en de godslastering wordt de belofte.
Waar het op uitloopt
Hoofdstuk 17 spreekt uit wat 10:35 in een bijzin laat staan:
Opdat zij allen één zijn, zoals gij, Vader, in mij en ik in u, opdat ook zij in ons zijn.
En dan, vers 22: de heerlijkheid die gij mij gegeven hebt, heb ik hun gegeven. Gegeven, weer. Dezelfde heerlijkheid waarvan in 1:14 gezegd wordt dat wij haar gezien hebben, en in 17:5 dat zij er was vóór de wereld was. Die wordt doorgegeven. Niet een deel ervan, niet een afgeleide — de heerlijkheid.
En hier wordt het het meest waar en het meest ongemakkelijk tegelijk. Want als dit klopt, dan is het verschil tussen de zuilengang en het afscheidsgebed niet dat hij daar iets anders zegt. Het is dat de hoorders anders zijn. In de zuilengang staan mensen die vragen wie hij is en stenen oprapen. In hoofdstuk 17 zit hij bij mensen tot wie de Logos geschied is, en tegen hen zegt hij waar het op uitloopt: in ons.
De psalm die hij afbreekt, breekt hij dus af op de plek waar hij zelf verdergaat. Psalm 82 zegt: goden zijt gij — en gij zult sterven als mensen. Johannes 17 zegt: in ons — en dan volgt hoofdstuk 18, en hij wordt gegrepen, en hij sterft als een mens. De psalm wordt niet weersproken. Zij wordt door hem heen voltrokken, in omgekeerde volgorde. De goden in de psalm vallen van hun hoogte naar de dood. Hij gaat naar de dood en neemt daar de hoogte mee naar binnen.
Wat open blijft
Er is één stap die ik niet zet, al ligt hij voor de hand: dan word je dus zelf God. De tekst zegt het niet zo. Zij zegt kinderen, zij zegt in ons, zij zegt zoals. De kerkvaders hebben theopoiēsis gezegd en zijn er eeuwen over blijven twisten wat het betekent — deelname aan Gods werkingen, zeiden de Grieken uiteindelijk, niet aan zijn wezen. Ook dat is weer zijn tegenover doen, dezelfde as als in de zuilengang.
Maar ik wil daar nu niet heen. Wat ik gevonden heb, is dat de zin waarmee Jezus zich verdedigt geen verdediging is. Hij is een beschrijving van wat er met de ander gebeurt. Wie dat hoort, hoort een man die op de vraag wie ben jij antwoordt met wat er van jou wordt als je mij binnenlaat.
En dat is misschien de enige manier waarop iemand die van de Vader komt op die vraag kán antwoorden. Niet door te zeggen wat hij is. Door te zeggen wat hij doet met wie hem ontvangt.
Of dat een antwoord is, weet ik niet. Zij vonden van niet. Ze probeerden hem opnieuw te grijpen, en hij ging naar de overkant van de Jordaan, en daar geloofden velen. Tot wie het woord geschiedde.
Met grote dank aan Geurt Henk van Kooten, Lady Margaret’s Professor of Divinity aan de Universiteit van Cambridge.
Lees verder:
* Johannes 9 en 10 (het skelet)
* Wat er naast god mag staan (waarom god en godenzonen)
* Twee gesprekken tegelijk (de context)
* De psalm die hij afbreekt (psalm 82)
* Van wie? (van God of van mensen?)
* Het was winter (het scharnier)
* Werd (het werkwoord)
* Twee huizen
* Een woord twee keer gehoord
* Mijn worsteling

