Twee huizen
Johannes 8: 35 En de slaaf blijft niet eeuwig in het huis; de zoon blijft er eeuwig.
Er staat een zin in Johannes 8 die ik altijd over het hoofd heb gezien omdat er zoveel gebeurt omheen. De slaaf blijft niet voor altijd in het huis; de zoon blijft voor altijd. Vers 35. Het is een terloopse regel, tussen de ruzie over Abraham en de ruzie over de duivel in, en hij gebruikt het woord dat Johannes anders zo spaarzaam gebruikt: huios.
Galaten 4: 7 Dus nu bent u geen slaaf meer, maar een zoon; en als u een zoon bent, dan bent u ook erfgenaam van God door Christus.
En dan Galaten 4. Paulus zegt daar bijna hetzelfde, en hij zegt het precies andersom. Zo zijt gij dan geen slaaf meer, maar zoon. Dezelfde twee figuren, slaaf en zoon, hetzelfde huis. Bij Paulus stapt de slaaf over naar de andere kant. Bij Johannes blijft er één zoon in het huis en worden de anderen — vers 36 — vrij. Vrij, niet zoon. Hij had het woord in de mond. Hij gebruikt het niet voor hen.
Dat is geen toeval van formulering, want het gebeurt vaker dan één keer. Ik schreef eerder dat Johannes gelovigen nergens zonen noemt, en dat moet preciezer. Nergens zonen van God. Wel één keer, in 12:36: opdat gij zonen van het licht wordt. Dat is het Hebreeuwse ben zoals Van wie? het al liet zien — zonen van kracht, zonen des doods — lidmaatschap, geen afkomst. Judas heet in 17:12 zoon van het verderf in datzelfde idioom. En let op het werkwoord bij die zonen van het licht: genēsthe, worden. Weer ginomai. Ze worden ergens toe; ze worden niet uit iemand geboren. Het idioom mag; de afkomst niet.
Dus twee schrijvers die dezelfde tegenstelling gebruiken, slaaf en zoon, en die op het beslissende punt uit elkaar gaan. Paulus laat de slaaf zoon worden. Johannes laat hem vrij worden en bewaart het woord.
Een datum die vaststaat
Wat Paulus daarvoor nodig heeft is een figuur die Johannes niet kent: huiothesia. Letterlijk zoon-zetting, thesis, plaatsing. Iemand wordt als zoon neergezet. Het is een rechtsterm en Paulus schrijft aan mensen in Galatië en in Rome die wisten wat er dan gebeurde bij een notaris.
En kijk hoe hij de tijd erin bouwt. Galaten 4:1–2: de erfgenaam, zolang hij onmondig is, verschilt in niets van een slaaf, al is hij heer van alles; hij staat onder voogden en beheerders tot de door de vader gestelde tijd. Een termijn. Een datum die de vader heeft vastgezet en die de zoon niet kent. En dan vers 4: toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God zijn Zoon. Nog een datum. En vers 5: opdat wij de zoonstelling zouden ontvangen.
Er zit dus een heden in, zoals in Psalm 2. Alleen is het bij Paulus geen kroningsdag maar een dag waarop een voogdij afloopt. Voor die dag was je al erfgenaam en toch slaaf. Na die dag ben je zoon. Wat er verandert is niet wat je bent maar wat je mag.
En dan doet Paulus iets wat ik niet verwachtte. In Romeinen 8:15 hebben wij de geest van de zoonstelling ontvangen, en die roept Abba. Verleden tijd, ontvangen. Maar acht verzen verder, 8:23: wij zuchten en wachten op de zoonstelling, de verlossing van ons lichaam. Toekomende tijd. Dezelfde term, tweemaal, en de ene keer is het gebeurd en de andere keer nog niet. Het papier is getekend; het lichaam is nog niet meegekomen.
Dat is een figuur die ik ken. Iemand is aangenomen, hoort erbij, heeft de naam en de rechten, en er is iets in hem dat nog wacht. Niet omdat de aanneming niet echt was. Omdat een aanneming altijd een moment heeft, en een moment altijd een ervoor en een erna.
Geboren is zonder datum
Johannes heeft geen zoonstelling en geen termijn. Hij heeft gennaō, verwekken, baren, en hij heeft er een gesprek voor nodig dat over niets anders gaat. Nicodemus, hoofdstuk 3. Tenzij iemand geboren wordt anōthen — en dat woord betekent van boven én opnieuw, en Nicodemus hoort het tweede en Jezus bedoelt het eerste, en Johannes laat die twee opzettelijk door elkaar lopen.
En dan vers 8, dat ik lang als sfeer heb gelezen en dat een antwoord is op de vraag naar de datum: de wind waait waarheen hij wil, je hoort zijn geluid, maar je weet niet vanwaar hij komt of waarheen hij gaat — zo is ieder die uit de Geest geboren is. Geen wanneer. Geen termijn van de vader. Je hoort achteraf dat het gebeurd is, aan het geluid.
Dat is het verschil tussen de twee huizen. Bij een aanneming kun je de akte aanwijzen. Bij een geboorte ben je er niet bij geweest; je weet het van horen zeggen, en er is geen moment daarvoor waarop je al erfgenaam was maar nog slaaf. Je was er niet, en dan was je er.
En het blijft open, ook naar de andere kant. De eerste Johannesbrief, 3:2: nu zijn wij kinderen van God, en wat wij zullen zijn is nog niet openbaar geworden. Paulus wacht op de zoonstelling die zijn lichaam moet ophalen. Johannes wacht ook, maar niet op een status die nog moet ingaan; op iets wat nog niet te zien is aan wat er al is. Het kind is er. Wat het wordt, weet niemand.
Zaad
Er is nog een plek waar de twee elkaar raken en uit elkaar gaan, en die zit in één woord: sperma, zaad.
Paulus, Galaten 3:16: de beloften zijn aan Abraham gedaan en aan zijn zaad, en er staat niet zaden maar zaad, enkelvoud, en dat is Christus. En dan 3:29: als gij van Christus zijt, dan zijt gij Abrahams zaad, erfgenamen naar de belofte. De lijn loopt via Abraham, via de belofte, via het enkelvoud dat Christus heet, en pas dan naar ons. Het is een afstammingsketen met een rechtsgrond.
Johannes, eerste brief, 3:9: wie uit God geboren is, doet geen zonde, want zijn zaad blijft in hem. Gods zaad. Niet Abrahams zaad, niet via een keten. Het zit in de geborene, en het blijft daar.
En in het evangelie, hoofdstuk 8, wordt precies die keten geweigerd. Zij zeggen: wij zijn Abrahams zaad. Hij zegt: ik weet dat gij Abrahams zaad zijt — en dan: als gij Abrahams kinderen waart, zoudt gij Abrahams werken doen. Zaad is wat je bent; kind is wat je doet. En hij haalt de twee uit elkaar op de plek waar Paulus ze aan elkaar bindt.
Dat is geen tegenspraak tussen twee schrijvers. Het zijn twee manieren om te zeggen hoe je ergens bij komt te horen. Bij Paulus word je ingelijfd in een lijn die er al was — Abraham, belofte, erfenis — en de zoonstelling is de akte waarmee dat gebeurt. Bij Johannes wordt er iets in je gelegd dat er niet was, en het kind is wat daaruit groeit, en de werken zijn hoe je ziet dat het er zit.
Geboren, gegeven
Nu terug naar de Zoon, want daar zit het spiegelbeeld.
Paulus noemt hem prōtotokos, eerstgeborene. Eerstgeborene onder vele broeders, Romeinen 8:29. Eerstgeborene van de hele schepping, Kolossenzen 1:15. Een eerste heeft per definitie volgenden. De titel bevat de rij die erachter komt.
Johannes noemt hem monogenēs. Enig van zijn soort. Dat woord heeft geen rij. Er komt niemand achteraan, want er is er maar één van.
En dan zie ik iets wat er de hele tijd al stond. Jesaja 9, het vers dat elke kerstnacht gelezen wordt: een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven. In het Hebreeuws twee verschillende woorden en twee verschillende werkwoorden. Jeled joellad, een kind is gebaard — jeled komt van jalad, baren, en is het woord voor wie geboren is. Ben nittan, een zoon is gegeven — ben is het woord voor wie hoort bij, wie bouwt, wie voortzet. Het kind wordt geboren. De zoon wordt gegeven.
De Septuaginta heeft het bewaard: paidion egennēthē, een kind is verwekt — gennaō —, huios edothē, een zoon is gegeven — didōmi.
En Johannes 3:16: alzo lief heeft God de wereld gehad dat hij zijn monogenēs zoon gegeven heeft. Edōken. Het werkwoord van Jesaja, bij het woord van Jesaja.
Dus bij Johannes worden de kinderen geboren — gennaō, 1:13 — en wordt de zoon gegeven — didōmi, 3:16. Precies de verdeling van Jesaja 9. Het kind heeft een geboorte. De zoon wordt uit een hand in een andere gelegd, en over zijn geboorte zwijgt Johannes zoals hij over alles zwijgt wat een datum zou hebben.
Wat dat voor ons betekent, is nu te zeggen zonder dat het een leerstelling wordt. Wij zijn bij Johannes de geborenen. Hij is de gegevene. Bij Paulus zijn wij de aangenomenen en is hij de eerste van de rij. Beide schrijvers houden één ding vast: er is een verschil tussen hem en ons, en dat verschil zit niet in rang maar in het werkwoord.
Waar het één keer kantelt
En dan zijn er twee plaatsen bij Johannes waar het woord zoon toch naar een mens gaat, en ze staan allebei aan het einde.
De eerste is onder het kruis, 19:26. Vrouw, zie uw zoon. Hij zegt het tegen zijn moeder over de leerling die hij liefhad. Huios, het woord dat hij voor zichzelf bewaarde. Maar niet zoon van God — zoon van háár. Op het moment dat hij het huis verlaat, zet hij iemand anders in het huis, en gebruikt daarvoor het woord dat de hele tijd alleen van hem was. Dat lijkt wel op een zoonstelling. Alleen is er geen notaris, geen erfenis, geen termijn. Er is een stervende die zegt: zie.
De tweede is bij het graf, 20:17. Ga naar mijn broeders. Het is de eerste keer in het evangelie dat hij hen zo noemt. Broeders — dat is Paulus’ woord, de vele broeders van de eerstgeborene. En in dezelfde zin: mijn Vader en uw Vader, mijn God en uw God. Hij geeft het woord broeders en houdt het woord onze in.
Ik krijg dat niet op één lijn. Op het laatste moment schuift Johannes een klein stuk in de richting van Paulus — broeders, zie uw zoon — en trekt tegelijk een streep die Paulus nooit trekt. Bij Paulus roepen wij Abba met dezelfde geest als de Zoon en is er geen zin waarin Vader tweemaal staat. Bij Johannes staat hij tweemaal, mijn en uw, en daartussen niets.
Wat er blijft staan
Twee manieren om ergens bij te horen, en de Schrift heeft ze allebei laten staan.
De ene is een huis waar je in wordt gezet. Er is een dag, er is een wil van de vader, er zijn rechten die je krijgt en een erfenis die je wacht, en er is iets in je lichaam dat nog niet is meegekomen en dat zucht. Je kunt de akte aanwijzen. Je kunt haar ook nooit meer ongedaan maken.
De andere is een huis waar je in geboren wordt. Er is geen dag die je kent, er is zaad dat blijft, en wat je wordt is nog niet te zien. Je kunt niets aanwijzen. Je bent er alleen.
Wat ik van hieruit niet dicht krijg, is wat de kerk ermee gedaan heeft toen ze de twee samenvoegde. Geboren, niet gemaakt — dat is Johannes’ werkwoord voor ons, toegepast op hem, en Paulus’ eerstgeborene erbij. Misschien moest dat. Maar ergens in die samenvoeging is de zoon die gegeven wordt uit beeld geraakt, en de kinderen die niet weten wanneer, en de streep tussen mijn en uw.
En de vraag onder alles, die ik hier alleen kan laten liggen: of iemand die in een huis is gezet en iemand die in een huis is geboren, elkaar ooit helemaal verstaan. Ze horen allebei. Ze weten niet hetzelfde over hoe.
Lees verder:
* Johannes 9 en 10 (het skelet)
* Wat er naast god mag staan (waarom god en godenzonen)
* Twee gesprekken tegelijk (de context)
* De psalm die hij afbreekt (psalm 82)
* Van wie? (van God of van mensen?)
* Het was winter (het scharnier)
* Werd (het werkwoord)
* Twee huizen
* Een woord twee keer gehoord
* Mijn worsteling

