De psalm die hij afbreekt
Johannes 10:34 en Psalm 82
Johannes 10: 34 Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd: U bent goden?
Psalm 82:6 Ík heb wel gezegd: U bent goden, u bent allen zonen van de Allerhoogste;
Hij zegt: is er niet geschreven in uw wet, ik heb gezegd, goden zijt gij.
En dan stopt hij.
De regel waaruit hij put loopt door. Er staat nog een tweede deel, en het is precies het deel dat zijn zaak lijkt te dienen. En de psalm loopt ook door, naar een vers dat de hele voorafgaande tekst omkeert.
Beide laat hij liggen. Dat is dit paneel: wat er in de psalm staat, en waarom hij ophoudt waar hij ophoudt.
Een psalm die begint met een rechtszaak
1 Een psalm van Asaf.
God staat in de vergadering van God,
Hij oordeelt te midden van de goden:
2 Hoelang zult u onrechtvaardig oordelen
en de goddelozen bevoordelen? [Letterlijk: aangezichten van goddelozen verheffen.] Sela
3 Doe recht aan de geringe en de wees,
bewijs de ellendige en de arme gerechtigheid.
4 Bevrijd de geringe en de arme,
ontruk hem aan de hand van de goddelozen.
5 Zij weten niets en begrijpen niets,
zij wandelen steeds in de duisternis rond;
daarom wankelen alle fundamenten van de aarde.
6 Ík heb wel gezegd: U bent goden,
u bent allen zonen van de Allerhoogste;
7 toch zult u sterven als een mens,
zoals iedere andere vorst [ Letterlijk: een van de vorsten.] zult u vallen.
8 Sta op, o God, oordeel de aarde,
want Ú bezit alle volken.
Acht verzen. Een van de kortste in het boek en een van de vreemdste.
Elohim staat in de vergadering van El, te midden van elohim oordeelt hij.
Lees dat langzaam, want het staat er echt zo. Eén Elohim staat. Om hem heen zijn elohim, meervoud. En de plaats heet adat El, de vergadering van El — de raad.
Nitsav is niet zomaar staan. Het is postvatten, zich opstellen, gaan staan zoals iemand die het woord neemt in een gezelschap waar hij tot dan toe niet stond. Het is hetzelfde werkwoord dat gebruikt wordt voor iemand die zich opstelt om iets te doen wat nu gaat gebeuren. De psalm opent dus met een beweging: er wordt opgestaan in een vergadering.
En dan begint de aanklacht — niet tegen de mensen, tegen de vergadering.
Tot hoelang zult gij onrecht richten en het aangezicht der goddelozen opnemen? Richt de geringe en de wees, doet recht de ellendige en de arme. Redt de geringe en de behoeftige, rukt hem uit der goddelozen hand.
Dit is dus een psalm over rechtspraak. Over wie het opneemt voor de weerloze en wie dat nalaat. Wie het beeld van een hemelse raad in zijn hoofd heeft, met tronen en glans, moet dat hier bijstellen: de aanklacht gaat over de wees en de arme.
En het vierde vers zet het decor om in kosmologie: Zij weten niet en verstaan niet, in duisternis wandelen zij rond; alle grondvesten der aarde wankelen.
Als de rechtspraak faalt, wankelt de aarde. Niet bij wijze van spreken — er staat jimotu, ze wankelen, hetzelfde woord dat elders voor aardbevingen staat. Onrecht is een constructiefout in de kosmos.
Vers 6 en 7, en de kaf die terugkeert
Dan komt de regel die hij citeert.
Ik heb gezegd: goden zijt gij, en zonen van de Allerhoogste, gij allen.
Twee helften. En Jezus neemt in Johannes 10 de eerste.
Wat er in de eerste helft staat, is hard. Geen vergelijking, geen kaf, geen als. In het eerste artikel stond al dat de slang voorzichtiger formuleerde dan dit: die zei: als goden. Hier staat: Goden zijt gij, punt.
En dan, één vers later: Echter, als Adam zult gij sterven, en als één van de vorsten zult gij vallen.
Daar is de kaf. Twee keer zelfs — ke-adam, als Adam, en ke-achad, als één.
Zet de drie zinnen op één rij.
Ki-elohim — als goden.
Genesis 3:5, aangeboden aan de mens. Elohim atem — goden zijt gij.
Psalm 82:6, gezegd tot de vergadering. Ke-adam temutun — als Adam zult gij sterven.
Psalm 82:7, tot dezelfde vergadering.
Aan de mens wordt gelijkenis met goden aangeboden. Aan de goden wordt gelijkenis met Adam aangezegd. Dezelfde grammaticale figuur, in tegengestelde richting, en tussen die twee richtingen ligt de hele Schrift.
En let op wat achen doet, het woord waarmee vers 7 begint. Het is een tegenstellend partikel, een klein woordje zonder vaste woordsoort: echter, voorwaar, en toch. Het draait niet iets bij, het zet iets recht dat je zojuist gedacht had. Wie vers 6 hoort, denkt: dus ze zijn goden. Wie vers 7 hoort weet: dat was de vaststelling, dit is de uitkomst.
Ik zei dat de eerste helft van vers 6 hard is. Dat is te snel. Hard is niet de toekenning maar de intrekking, en het is één vers later.
Wat er in de weggelaten helft staat
Nu de vraag die deze serie draagt.
“En zonen van de Allerhoogste, gij allen.”
Dat is de helft die Jezus niet citeert. En bedenk waarvan hij beschuldigd wordt en waarmee hij zich verdedigt.
In 10:36 zegt hij: gij zegt dat ik godslaster, omdat ik gezegd heb, ik ben Gods zoon.
Daar staat het woord. Huios theou. Zoon.
En in de regel die hij citeert staat, in de helft die hij overslaat, dat God tot mensen zegt: zonen van de Allerhoogste zijt gij, allen.
Dat is het schriftbewijs. Dat is precies wat hij nodig heeft. Als je wilt aantonen dat de uitdrukking zoon van God in de Schrift op mensen wordt toegepast en dus geen godslastering hoeft te zijn, is bnei Eljon kulchem het vers dat je aanhaalt. Het staat er, in dezelfde regel, direct achter wat hij wel citeert. Hij hoefde alleen door te lezen.
Hij doet het niet.
Er zijn twee manieren om dat te verklaren, en ze sluiten elkaar niet uit.
De eerste is retorisch. In de rabbijnse manier van citeren is het aanhalen van het begin van een vers de aanwijzing naar het geheel. Je zegt de eerste woorden en het gehoor levert de rest. Zeker bij mensen die zelf vragen of er niet geschreven staat. Hij hoeft bnei Eljon niet te zeggen omdat iedereen het meeleest — en dan geldt hetzelfde voor vers 7, dat er twee regels onder staat. Wie de psalm oproept, roept de sterfelijkheid mee op.
De tweede is inhoudelijk. Bnei Eljon zou zijn zaak dienen door hem naar boven te verplaatsen: kijk, ook mensen heten zonen van de Allerhoogste, dus mijn woord is niet buitenissig. Dat is een verdediging die de ladder gebruikt. Ze zegt: er is een verdieping tussen mens en God, en er staan er meer op dan alleen ik.
En dat is precies wat hij nergens doet. Niet in dit hoofdstuk, niet ergens anders. Hij verdedigt zich niet door een tussenpositie te claimen. Hij haalt een psalm aan waarin de tussenpositie wordt opgeheven — van boven af, door de sterfelijkheid.
Wat hij nodig had om zich omhoog te verdedigen liet hij liggen. Wat hij aanhaalde, brengt hem omlaag.
De rabbijnen: wie zijn die goden
De psalm zegt niet wie er in die vergadering staan. Dat is de reden dat er zoveel over gelezen is.
De oudste laag is niet moeilijk te reconstrueren. Deuteronomium 32:8 in de tekst van Qumran verdeelt de volken naar het aantal van de zonen Gods — elk volk zijn hoeder. Psalm 82 is dan de scène waarin die hoeders worden ontslagen omdat ze hun volken niet hebben beschermd, en het slotvers volgt logisch: sta op, God, richt de aarde, want gij zult alle volken beërven. Alle volken vallen terug op de Ene omdat hun hoeders hebben gefaald.
De rabbijnse lezing gaat een andere kant op, en die is voor Johannes de relevante.
In het traktaat over de afgoderij, Avoda Zara 5a (blad 5, kant a van het Talmoed-traktaat Avoda Zara (Hebreeuws voor ‘vreemde aanbidding’ of afgoderij)) wordt Psalm 82 gelezen als een uitspraak over Israël bij de Sinaï. De redenering: bij het ontvangen van de Tora hield de doodsengel geen macht meer over hen. Ze werden wat vers 6 zegt: elohim, bnei Eljon. En toen maakten ze het kalf, en toen kwam vers 7: als Adam zult gij sterven.
De verbinding is niet willekeurig. In Exodus 32:16 staat dat de tafelen Gods werk waren en het schrift Gods schrift, charut op de tafelen — gegraveerd. En de rabbijnen lezen daar cherut, vrijheid, dezelfde medeklinkers. Vrijheid waarvan, vragen ze. Van de doodsengel.
Dus in die lezing is Psalm 82 een samenvatting van Exodus 32. Onsterfelijkheid ontvangen door het woord, en verspeeld door een beeld te maken.
Kijk nu terug naar de aanklacht in 10:33. Poieis seauton theon — het werkwoord poiein, maken, vervaardigen. Precies wat Aäron doet bij de berg. Zij beschuldigen hem ervan een god te maken, en hij antwoordt met de psalm die in hun eigen traditie gaat over wat er gebeurde toen er een god gemaakt werd.
Ik weet niet of hij dat zo bedoelt. De rabbijnse tekst is later opgeschreven dan Johannes en er is geen manier om te bewijzen dat de lezing er toen al lag. Maar de aanklagers gebruiken het werkwoord van het kalf en hij antwoordt met de psalm van het kalf, en dat is te precies om er niets van te zeggen.
Waar de psalm eindigt
Sta op, God, richt de aarde, want gij zult alle volken beërven.
Het laatste vers is een oproep om te gaan staan. En het eerste vers zei dat hij al staat, nitsav, opgesteld in de vergadering.
Tussen dat staan en dat opstaan liggen acht verzen waarin de vergadering wordt afgezet.
De psalm begint met een God die zich opstelt tussen anderen, en eindigt met een God die alleen overblijft omdat de anderen sterfelijk bleken.
En dat is de psalm die Jezus aanhaalt terwijl hij omringd wordt door mensen met stenen, in het hoofdstuk waarin Jezus drie keer heeft gezegd dat hij zijn leven aflegt en weer opneemt.
Hij citeert vers 6. Zijn hoorders horen vers 7 erbij. En vers 7 zegt: gij zult sterven.
Wat er niet klopt
Eén ding blijft wringen, en ik krijg het er niet uit.
Als de psalm zijn hoorders naar de sterfelijkheid brengt, dan verdedigt hij zich met een tekst die zijn tegenstanders gelijk lijkt te geven — een mens die zich onder de goden schaart, sterft. Dat is geen vrijspraak. Dat is een bevestiging van de aanklacht met een andere strafmaat.
Tenzij de sterfelijkheid het punt is en niet de complicatie. In dit hoofdstuk is de dood namelijk niet iets wat hem overkomt: niemand neemt mijn leven van mij, ik leg het uit mijzelf af. Dat staat in 10:18 (Niemand neemt het Mij af, maar Ik geef het uit Mijzelf; Ik heb macht het te geven, en heb macht het opnieuw te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen), twaalf verzen voor de steen. Wie een psalm aanhaalt waarin goden sterven, terwijl hij net gezegd heeft dat hij zijn leven zelf aflegt, doet niet aan zelfverdediging.
Maar dan is de vraag wat hij dan wel doet, en die vraag beantwoordt de psalm niet.
Lees verder:
* Johannes 9 en 10 (het skelet)
* Wat er naast god mag staan (waarom god en godenzonen)
* Twee gesprekken tegelijk (de context)
* De psalm die hij afbreekt (psalm 82)
* Van wie? (van God of van mensen?)
* Het was winter (het scharnier)
* Werd (het werkwoord)
