Johannes 9 en 10
Waarom ik hierover schrijf, en waar het zich afspeelt
Er wordt in Johannes 10 een steen opgeraapt, en al enige tijd laat het me niet los dat ik niet precies weet waarvoor.
Dat is een vreemde toestand. Iemand zegt iets, mensen bukken naar de grond, en als je vraagt wat er nu eigenlijk gezegd is, krijg je antwoorden die de tekst niet geeft. Hij heeft gezegd dat hij God is — dat staat er niet. Hij heeft de eenheid met de Vader geclaimd — er staat een woord dat we in het Nederlands niet kunnen weergeven. Hij heeft godslastering gepleegd — dat is wat zijn tegenstanders zeggen, en het is nog maar de vraag of hun woord past op wat hij zei.
Wat mij bezighoudt is het moment zelf, voordat er iets van gemaakt is. Wat werd er gehoord door mensen die er stonden? Waarom pakten ze op dat moment stenen op en niet drie hoofdstukken eerder, toen hij iets zei wat minstens zo verstrekkend was? En waarom verdedigt hij zich met een psalm die op het eerste gezicht niet in zijn voordeel werkt?
Ik ben daar niet uit. Dat is de reden om te schrijven, al zoekend, al ontdekkend. Graafwerk, zoals bij mij past.
Er is nog iets. Deze verzen zijn zo vaak uit hun omgeving getild dat ze bijna losse citaten geworden zijn. Ik en de Vader zijn één staat op wandkleden. Het is een zin uit een ruzie, en die ruzie gaat niet over godheid maar over wie er gezag heeft over mensen — wie hoedt, wie uitwerpt, wie roept en wie geroofd wordt. Wie dat weghaalt, houdt een leerstelling over waar een conflict stond.
Daarom eerst het skelet.
Niet omdat de omgeving van een tekst netjes is om te vermelden, maar omdat het hier het verschil uitmaakt tussen twee heel verschillende teksten.
Als je bij Johannes 10:30 begint, zoals ik in eerste instantie deed, dan lees je een uitspraak over de verhouding tussen Vader en Zoon.
Als je bij Johannes 9:1 begint, lees je een man die het licht in zijn ogen krijgt (de zogenaamde blindgeborene) en er zijn plaats in de gemeenschap voor inlevert — en dan pas, twee hoofdstukken later, valt het woord god.
Het gedeelte loopt van Johannes 9:1 tot Johannes 10:42. Er zit één tijdssprong in van ruim twee maanden, en Johannes zet er geen overgang tussen; hij noteert alleen dat het winter was. Verder is het één doorlopend gesprek, met steeds hetzelfde gehoor en steeds dezelfde inzet.
Ik loop het hier door zoals je een gebouw doorloopt voordat je gaat vragen waarom een muur daar staat. Waar de scènes beginnen en eindigen. Waar iemand binnenkomt en waar iemand wordt uitgezet. Waar de tekst een naad heeft en waar hij er geen heeft terwijl je er een zou verwachten.
Wat ik nog niet weet — en dit is geen bescheidenheidsfiguur, ik weet het werkelijk niet — is of het scharnier ligt waar ik het vermoed. Dat komt in de stukken die hierna volgen aan de orde, en daar ga ik hier niet op vooruitlopen.
Eerst kijken wat er staat.
Waar het begint: een man die kan zien
Johannes 9:1–7. Een blindgeborene.
De leerlingen vragen wie er gezondigd heeft, hij of zijn ouders — de standaardvraag, en die vraag gaat over schuld. Hij weigert haar en zegt: hij is blind opdat de werken van God openbaar worden. Dan zegt hij dat hij het licht der wereld is, maakt slijk van speeksel, en stuurt de man naar Siloam.
Let op twee dingen. Werken — het woord dat het hele conflict zal dragen. En: het is sabbat. Dat staat er pas in vers 14, achteraf, alsof Johannes het even vergeten was. Hij vergeet niets.
Johannes 9:8–34.
Vier ondervragingen, en dat is de kern van het hoofdstuk.
* De buren ondervragen de man.
* De Farizeeën ondervragen hem.
* Ze ondervragen zijn ouders, die zich terugtrekken omdat er al besloten is dat wie hem belijdt uit de synagoge gaat.
* Dan ondervragen ze de man opnieuw.
En kijk wat er met die man gebeurt terwijl hij ondervraagd wordt. Zijn antwoorden worden korter en scherper.
Eerst: de mens die Jezus heet.
Dan: hij is een profeet.
Dan: als deze niet van God was, kon hij niets doen.
Hij ziet steeds meer, letterlijk terwijl hij verhoord wordt.
En de ondervragers zien steeds minder. Zij beginnen met een feit dat vaststaat — deze mens is niet van God, want hij houdt de sabbat niet — en elk stuk bewijs dat binnenkomt moet daaraan worden aangepast. Aan het eind zeggen ze: gij zijt geheel in zonden geboren, en werpen hem uit.
Johannes 9:35–41. Jezus vindt hem, buiten.
Het gesprek eindigt met vers 39: En Jezus zei: Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat zij die niet zien, zien zouden, en die zien, blind zouden worden.
Vers 40: En sommigen van de Farizeeën die bij Hem waren, hoorden dit en zeiden tegen Hem: Zijn wij dan soms ook blind?
Vers 41: Jezus zei tegen hen: Als u blind was, zou u geen zonde hebben, maar nu u zegt: Wij zien, zo blijft dan uw zonde.
Dat is de laatste zin voor hoofdstuk 10 begint. Er staat geen tijdsaanduiding tussen, geen plaatsverandering, geen “de volgende dag”. De herderrede is het antwoord op die vraag.
De rede: wie hoedt hier eigenlijk
Johannes 10:1–21.
Hij begint met amen amen (voorwaar, voorwaar), dat is in Johannes 25x een voortzetting, nooit een opening. Hetzelfde gehoor, hetzelfde moment.
Het beeld is een schaapskooi. Een deur, een deurwachter, een herder die bij name roept. En één die niet door de deur binnenkomt maar over de muur klimt: dief en rover. Dan de huurling, die de schapen niet toebehoren, die vlucht als de wolf komt.
Dit is geen algemene pastorale bespiegeling. Het is een aanklacht, en het adres is duidelijk: mensen die net iemand hebben uitgeworpen wordt verteld dat de herder degenen die hem toebehoren juist uitleidt.
En eronder ligt Ezechiël 34.
Dat is de sleutel van de hele rede. Daar zegt God tegen de herders van Israël: gij weidt uzelf en niet de kudde, het verlorene hebt gij niet gezocht, de zwakke niet gesterkt. Daarom: zie, ik ben tegen de herders, ik zal ze afzetten, en ik zelf zal mijn schapen weiden. En verderop: ik zal één herder over hen stellen.
Wie in dat gehoor deze woorden hoort, hoort iemand die zegt: jullie zijn de herders uit Ezechiël 34, en ik ben degene die daar wordt aangekondigd.
Dat is de eerste aanspraak, en ze is enorm. En er valt geen steen.
Johannes 10:19–21. Wel verdeeldheid.
Sommigen zeggen: hij heeft een demon en raast.
Anderen zeggen: dit zijn geen woorden van een bezetene, kan een demon de ogen van blinden openen?
Merk op: het gesprek is nog steeds hetzelfde gesprek. Ze halen de blindgeborene erbij. Hoofdstuk 9 is niet afgesloten.
De naad
Johannes 10:22. En het was het feest van de inwijding van de tempel in Jeruzalem, en het was winter.
Hier zit een sprong van ongeveer twee en een halve maand.
Hoofdstuk 7 tot 10:21 speelt op het Loofhuttenfeest, in de herfst. Chanoeka is in december.
Johannes zet er geen overgang tussen. Geen “later”, geen “toen dit gebeurd was”. Alleen: het was winter. En dan gaat het gesprek verder alsof er niets tussen zat — want in 10:26 zegt hij: ‘Maar u gelooft niet, want u bent niet van Mijn schapen, zoals Ik u gezegd heb.’ Hij verwijst terug naar de rede van twee maanden geleden.
De naad is er dus wel, en hij wordt tegelijk overgeslagen. Dat is een van de opvallendste dingen in het hele boek: welk feest dit is en waarom het uitmaakt. Kort gezegd: Chanoeka bestaat omdat een heerser die zichzelf god die verschijnt liet noemen de tempel innam en ontwijdde. Op dat feest wordt hem verweten dat hij zichzelf god maakt. En zijn antwoord in 10:36 gebruikt het woord voor wijden.
De tweede ronde
Johannes 10:23 en 24.
23 En Jezus liep rond in de tempel, in de zuilengang van Salomo.
24 De Joden dan omringden Hem en zeiden tegen Hem: Hoelang houdt U ons in het onzekere?
Als U de Christus bent, zeg het ons vrijuit.
Er staat letterlijk: hoe lang neemt gij onze ziel weg. Een idioom dat spanning betekent, ophouden, in het onzekere laten. Dit is niet louter vijandig. Het is een verzoek van mensen die merken dat er iets gezegd wordt zonder gezegd te worden.
Johannes 10: 25–29.
25 Jezus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd en u gelooft het niet. De werken die Ik doe in de Naam van Mijn Vader, die getuigen van Mij.
26 Maar u gelooft niet, want u bent niet van Mijn schapen, zoals Ik u gezegd heb.
Alweer erga. Alweer: kijk, in plaats van: hier is de formulering.
Dan gaat hij door over de schapen.
vers 27 Mijn schapen horen Mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij.
vers 28 En Ik geef hun eeuwig leven; en zij zullen beslist niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit Mijn hand rukken.
vers 29 Mijn Vader, Die hen aan Mij gegeven heeft, is meer dan allen, en niemand kan hen uit de hand van Mijn Vader rukken.
Twee handen. Eén greep.
Johannes 10:30. Ik en de Vader zijn Één.
Dit vers wordt bijna altijd geciteerd als een losse leerstellige uitspraak. Maar het is een conclusie, en het is de conclusie van een zin over vasthouden.
Wat er één is, is die greep.
Daarom staat het telwoord in de onzijdige vorm en niet in de mannelijke: één iets, geen één iemand.
Johannes 10:31–33. Stenen.
Hij vraagt: om welk werk? Zij: niet om een werk, om godslastering — omdat gij, mens zijnde, uzelf god maakt.
Daar splitst het gesprek definitief. Hij praat over doen, zij over zijn.
Johannes 10:34–38. Het psalmcitaat, en dan het slot: gelooft de werken, opdat gij weet dat de Vader in mij is en ik in de Vader.
Vers 38: maar als Ik ze doe en u Mij niet gelooft, geloof dan de werken, opdat u erkent en gelooft dat de Vader in Mij is en Ik in Hem.
Zie waar hij eindigt. Bij de werken. Waar hij ook begon.
Johannes 10:39–42. Ze proberen hem opnieuw te grijpen, hij ontkomt, en gaat weg over de Jordaan — naar de plaats waar Johannes het eerst doopte. Daar geloven velen. Het hoofdstuk eindigt buiten Jeruzalem, op de plek van het begin.
De drie draden
In dit hoofdstuk lopen drie dingen tegelijk lopen die wij gescheiden zouden houden.
* Wie mag hoeden.
Van de uitgeworpen blinde, via Ezechiël 34, naar de hand waaruit niets geroofd wordt. Dit is een conflict over gezag, niet over metafysica.
* Wie ziet.
De blinde gaat van zien naar meer zien. De zienden gaan naar blindheid. En in 10:24 vragen ze om duidelijkheid van iemand die steeds naar de werken wijst — dat is dezelfde beweging: er is genoeg te zien, en de vraag is of je kijkt.
* Wie hij is.
Deze draad komt het laatst en het minst uit zijn eigen mond. Hij formuleert het nooit als titel. Het woord god valt precies één keer, en het valt uit de mond van zijn aanklagers.
Wat ook de aandacht trekt, maar niet voor nu is, is dat:
* hij wordt in hoofdstuk 9 uitgeworpen — de blinde, buiten de synagoge — en in
* Johannes 10:3 zegt hij dat de herder de schapen uitleidt. Hetzelfde ruimtelijke gebaar, twee keer, met een tegengesteld teken.
* aan het eind gaat hij zelf naar buiten, over de Jordaan.
Of dat opzet is of dat ik een patroon zie waar er geen is, weet ik niet.
Lees verder:
* Johannes 9 en 10 (het skelet)
* Wat er naast god mag staan (waarom god en godenzonen)
* Twee gesprekken tegelijk (de context)
* De psalm die hij afbreekt (psalm 82)
* Van wie? (van God of van mensen?)
* Het was winter (het scharnier)
* Werd (het werkwoord)

