Mijn worsteling
Gravend met Johannes 10 moest ik naar binnen.
Ik heb maanden gevraagd waarom hij zichzelf zoon noemt. En nu ik het antwoord ongeveer heb — omdat zoon het ene woord is dat je niet op jezelf kunt toepassen, omdat hij niet zegt wat hij is maar wat er van de ander wordt — merk ik dat de vraag niet weg is. Ze is alleen van eigenaar veranderd.
Want ik stelde haar zoals zij haar stelden. Wat ben jij. Ik stond in de zuilengang aan de kant van de vragers, met een goede reden, met zeven artikelen, en ik wilde weten wat hij was. Dat is de wezensvraag, en ik weet inmiddels dat hij die niet beantwoordt, van niemand. Ook niet van mij.
Wat hij wél doet, is de vraag terugleggen. Tot wie het woord geschiedde. Dat is geen uitspraak over hem. Dat is een uitspraak over de lezer. En dan is er ineens geen buitenkant meer waar ik vandaan kan kijken.
Wat er intussen gebeurd is
Ik ben in de herfst begonnen bij een steen die werd opgeraapt, en ik wist niet waarvoor. Ik heb er sindsdien dagen in gezeten. Een woord, een voorzetsel, een werkwoord dat twee keer staat. En als ik nu terugkijk naar wie dat begon, is dat niet dezelfde die dit schrijft. Er is iets veranderd, en ik kan niet aanwijzen wanneer.
Dat is de vorm van het antwoord. Niet een zin die ik vind, maar iets wat gebeurd is terwijl ik zocht. Het geschiedde. De wind waait waarheen hij wil, je hoort het geluid, je weet niet vanwaar.
Ik kan dat niet bewijzen, en dat is precies wat er in de zuilengang op het spel stond. Zij wilden een formulering en hij wees naar de werken. Voor mij geldt hetzelfde: ik kan niet vaststellen of het woord tot mij geschied is. Ik kan alleen kijken wat eruit komt. Aan mijn tafel, in wat ik zeg tegen wie tegenover me zit, in of ik nog kijk of alleen nog herhaal.
Van wie
En dan zit er een tweede laag onder, die ik liever niet had gevonden.
Ik heb in Van wie? geschreven dat de vraag van wie leef ik twee bodems heeft, en dat de tweede de moeilijke is: wiens oordeel maakt dat ik het goed heb gedaan. Ik schreef dat alsof ik erover ging. Alsof ik die rekening bij anderen kon zien liggen.
Maar als de zin van 10:35 over mij gaat, dan gaat de vraag wat ben jij ook over mij, en dan is het antwoord dat ik mezelf niet kan maken. Niet god, niet coach, niet iemand die het weet. Ik heb mezelf jarenlang geformuleerd, en dat is het werk van de vragers, niet van de zoon. De zoon formuleert zich niet. Hij zegt van wie hij komt en doet wat hij ziet.
Er is in mij een plek die nog steeds wat ben ik vraagt en die een naam wil. Het is dezelfde plek die stenen opraapt als het antwoord niet komt in de vorm die ze verwacht. En het is de plek die de tekst niet bedient. Hij geeft geen wezen. Hij geeft een herkomst en een werk.
Kind
Als ik dan toch een woord krijg, is het niet zoon. Dat woord is bewaard. Wat er voor mij staat is kind — geboren, zonder datum, uit zaad dat blijft, en wat het wordt is nog niet te zien.
Ik vind dat op mijn drieënzestigste moeilijker dan het klinkt. Een kind heeft geen positie. Het heeft geen rekening waar het van leeft, geen formulering waarmee het zichzelf verdedigt. Het is er, en het is van iemand, en verder is het nog niet af.
Wat wij zullen zijn is nog niet openbaar geworden. Ik heb die zin altijd als troost gelezen, voor later. Ik lees hem nu als een beschrijving van hoe ik hier zit: niet af, en niet in staat dat zelf te maken. En dat is geen tekort meer als de zin klopt. Het is de toestand van wie geboren is.
De steen
Ik ben begonnen met een steen waarvan ik niet wist waarvoor hij werd opgeraapt.
Ik denk dat ik het nu weet, en het is niet wat ik zocht. Hij werd opgeraapt door mensen die een antwoord wilden op wat ben jij, en dat antwoord niet kregen, en niet konden verdragen dat er in plaats daarvan iets over henzelf gezegd werd. Dat is geen kwade wil. Dat is wat een mens doet met een vraag die terugkomt.
Ik heb dezelfde steen in mijn hand gehad, in de vorm van de vraag waarmee ik deze reeks begon. Het antwoord dat ik krijg is niet: dit is hij. Het antwoord is: leg neer wat je vasthoudt, en kijk wat er van je wordt.
Of dat een antwoord is, weet ik nog steeds niet. Maar het is het eerste dat aan mij gericht is.
Lees verder:
* Johannes 9 en 10 (het skelet)
* Wat er naast god mag staan (waarom god en godenzonen)
* Twee gesprekken tegelijk (de context)
* De psalm die hij afbreekt (psalm 82)
* Van wie? (van God of van mensen?)
* Het was winter (het scharnier)
* Werd (het werkwoord)
* Twee huizen
* Een woord twee keer gehoord
* Mijn worsteling
