Het was winter
Johannes 10:22 En het was het feest van de inwijding van de tempel in Jeruzalem, en het was winter.
Johannes 10:36 zegt u dan tegen Mij, Die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: U lastert God, omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon?
Het is me nog niet opgevallen dat in de evangelien over de winter, lente, zomer of hersft gesproken wordt. Het blijkt de enige plek in de vier evangeliën te zijn waar een seizoen als tijdsaanduiding staat.
* In Mattheüs 24:20 staat cheimōn in de aansporing te bidden dat de vlucht niet in de winter zal zijn — dat is geen datering maar een omstandigheid, en Marcus 13:18 heeft het parallel.
* Bij Handelingen 27:12 en 28:11 gaat het over overwinteren, dus over scheepvaart.
* En in Mattheüs 16:3, over het weer voorspellen, gaat het over vandaag en morgen.
Verder gaat alles op feesten. Pascha, Loofhutten, en bij Johannes ook dit. De joodse kalender is een feestkalender, niet een seizoenenkalender — en waar de seizoenen wel doorklinken, doen ze dat via de oogst: de aren in het korenveld, de vijgenboom die uitbot.
Dat maakt de mededeling in 10:22 dubbel opvallend. Er staat al een tijdsaanduiding— ta enkainia — en die is volledig. Iedereen die het feest kent, weet dat het winter is. Het tweede lid is redundant.
En Johannes is de evangelist die met dat soort dingen niet slordig is. Elders noteert hij en het was nacht, als Judas naar buiten gaat. Ook daar is de mededeling feitelijk overbodig.
Er zit een naad in dit hoofdstuk en Johannes doet geen moeite hem te verbergen. Hij doet ook geen moeite hem uit te leggen. Er staat alleen, midden in een lopend gesprek: Het was toen de enkainia te Jeruzalem; het was winter.
Twee mededelingen. Een feest en een seizoen. En dan gaat de tekst verder alsof er niets tussen zat.
Wat er tussen zat
Reken het na en de sprong is aanzienlijk.
Vanaf hoofdstuk 7 speelt alles op het Loofhuttenfeest, Soekot, in de herfst — september of oktober. Het waterritueel van dat feest staat in 7:37, de grote lichten in de vrouwenhof klinken door in 8:12. Dat loopt door tot en met de herderrede in 10:21.
En dan: het was winter. Chanoeka valt in de negende maand, Kislev, dus december. Ergens tussen tweeënhalve en drie maanden.
In elk ander boek zou daar een overgang staan. En later, na deze gebeurtenis, staat er ook een: na deze dingen, of het was de zesde dag voor het Pascha. Johannes kan het. Hier doet hij het niet.
En het gesprek gaat verder waar het opgehouden was. In 10:26 zegt hij: gij gelooft niet, want gij zijt van mijn schapen niet, zoals ik u gezegd heb. Hij verwijst naar de rede van twee maanden geleden alsof die van vanmorgen was. In 10:27 komt de stem terug, in 10:28 de hand.
Er is dus een naad die er wel is en die tegelijk wordt overgeslagen. Dat is een van de raadselachtigste dingen in dit boek, en er zijn maar twee soorten verklaringen voor.
De eerste: de tekst is verplaatst. Er zijn geleerden geweest die de volgorde van Johannes wilden herschikken en dit als bewijs aanvoerden. Het probleem daarmee is dat er geen enkel handschrift bestaat waarin het anders staat.
De tweede: hij noteert het feest omdat het feest ertoe doet. Niet als tijdrekening maar als plaats waar dit gesprek moet vallen.
Als dat zo is, moet je weten welk feest het is. En de meeste lezers van nu weten dat niet, terwijl de eerste lezers het niet uitgelegd hoefden te krijgen.
Het woord dat er staat
Ta enkainia. Meervoud, met lidwoord — het is een eigennaam.
Het Griekse woord komt van kainos, nieuw, met het voorzetsel en: het opnieuw-maken, de vernieuwing. In de Septuaginta is het het vaste woord voor inwijding. Het staat bij de inwijding van het altaar in Numeri 7, bij de inwijding van de muur in Nehemia 12, bij de inwijding van het beeld van Nebukadnezar in Daniël 3.
En het Hebreeuwse woord dat eronder ligt is chanoeka. Van de stam chanach — inwijden, in gebruik nemen, en ook: opvoeden, africhten. Dezelfde stam als in Spreuken 22:6, leer de knaap. Iets voor het eerst zijn bestemming geven.
Dus wat er staat is: het was het feest van de inwijding.
En dan moet de vraag komen die de lezer van toen niet hoefde te stellen. Inwijding waarvan?
Waarom dat feest bestaat
Het antwoord ligt bijna tweehonderd jaar terug, en het is geen vrolijke geschiedenis.
Antiochus IV regeerde over het Seleucidische rijk vanaf 175 voor Christus. Hij nam een titel aan die op zijn munten kwam te staan: theos epiphanēs. God die verschijnt. De god die zichtbaar is geworden.
Sta daar even bij stil, want het woord komt straks terug. Epiphanēs komt van epiphainō, tevoorschijn komen, zich vertonen, oplichten. Ons woord epifanie. De claim is niet dat hij een god ís; de claim is dat de godheid in hem te zien is geworden.
Zijn tegenstanders maakten er een woordgrap van. Ze noemden hem epimanēs, waanzinnig. Eén letter verschil.
Wat hij deed in Jeruzalem staat in 1 en 2 Makkabeeën. Hij plunderde de tempel. Hij verbood de besnijdenis en de sabbat. Hij liet de wetsrollen verscheuren en verbranden. En hij richtte op het brandofferaltaar iets op wat de bronnen bdelugma erēmōseōs noemen, de gruwel der verwoesting — waarschijnlijk een altaar voor Zeus Olympios, waarop varkens werden geofferd.
Daniël beschrijft dezelfde figuur, in de taal van een visioen. Daniël 11:36: hij zal doen wat hem behaagt, en hij zal zich verheffen en groot maken boven elke god, en tegen de God der goden zal hij ongehoorde dingen spreken.
Dat is de zwaarste formulering die de Schrift heeft voor een mens die zich boven de grens plaatst.
En dan de opstand van de Makkabeeën, en de herovering, en de reiniging van het heiligdom. Ze braken het ontwijde altaar af — ze durfden het niet zomaar te vernietigen en legden de stenen apart, tot er een profeet zou komen die kon zeggen wat ermee moest. Ze bouwden een nieuw altaar. En ze wijdden het opnieuw in, acht dagen lang, in de maand Kislev.
Enkainismos tou thusiastēriou, staat er in 1 Makkabeeën. De inwijding van het altaar.
Dat is het feest waar Johannes naar verwijst met één woord.
Wat er dan gebeurt in de zuilengang
Zet het nu bij elkaar.
Het is het feest waarop gevierd wordt dat een heiligdom is teruggenomen van iemand die zichzelf god liet noemen.
Op dat feest lopen mensen om hem heen en zeggen: hoe lang houdt gij ons in spanning, zeg het ronduit.
En als hij antwoordt, luidt de aanklacht: poieis seauton theon. Gij maakt uzelf god.
Het is precies de beschuldiging waarvoor het feest bestaat.
Dat kan toeval zijn. Maar Johannes is de enige evangelist die dit feest noemt — het komt nergens anders in het Nieuwe Testament voor — en hij noemt het zonder het uit te leggen, wat betekent dat hij ervan uitgaat dat je weet wat het is.
En er is nog iets. Hij noteert waar hij loopt: in de zuilengang van Salomo. Dat is de oostelijke galerij van het tempelplein, en volgens Josephus het enige deel van de tempelberg dat van de oorspronkelijke bouw was overgebleven — het stuk dat noch door Antiochus, noch bij de herbouw was vervangen.
Wie op het feest van de herwijding beschuldigd wordt zichzelf god te maken, staat op de enige plek die nooit opnieuw gewijd hoefde te worden.
Het licht
Er is een laag in dit feest die in 1 Makkabeeën nog niet staat, en die je toch moet noemen omdat ze oud is.
De acht dagen. Josephus, die in dezelfde eeuw als Johannes schrijft, noemt het feest phōta, lichten, en zegt dat hij niet zeker weet waar die naam vandaan komt — hij vermoedt dat het te maken heeft met het onverwacht opgaan van de vrijheid. Het verhaal van het kruikje olie dat acht dagen brandde staat pas veel later opgeschreven, in de Talmoed.
Wat er in Johannes’ tijd dus in ieder geval lag: acht dagen, lichten, en dat in de donkerste weken van het jaar. Cheimōn ēn, het was winter — dat is niet alleen een datering. Het is het jaargetijde waarin het licht op zijn kortst is.
En hij heeft zichzelf twee hoofdstukken eerder het licht der wereld genoemd, op het Loofhuttenfeest, bij een ander lichtritueel.
Ik laat dat hier liggen zonder er meer van te maken. Het is een echo, geen argument.
En dan het woord
Nu naar vers 36, want daar staat iets wat te zwaar is voor de plek waar het staat.
Die de Vader geheiligd heeft en gezonden in de wereld.
Heiligen, apart zetten, wijden.
Kijk waar dat woord in de Septuaginta staat. Exodus 29: Mozes moet Aäron en zijn zonen heiligen om priester te zijn. Exodus 40: de tabernakel en al zijn gerei worden geheiligd. Leviticus 8: het altaar wordt geheiligd. Numeri 7 — het hoofdstuk dat de Septuaginta ta enkainia van het altaar noemt.
Het is het woord voor wijding. Van een priester, van een offer, van een altaar, van een heiligdom.
Hij gebruikt het over zichzelf. Op het feest van de wijding.
En daarmee doet dat ene woord drie dingen tegelijk, en ze grijpen in elkaar.
* Het spiegelt de aanklacht.
Zij zeggen poieis seauton — jij maakt jezelf. Actief, reflexief, geen tweede partij in de zin. Hij zegt hon ho patēr hēgiasen — passief, met een ander onderwerp ervoor. Hon is een betrekkelijk voornaamwoord in de vierde naamval: hij is het lijdend voorwerp van zijn eigen zin. Ze beschuldigen hem ervan zichzelf gemaakt te hebben; hij antwoordt dat hij apart is gezet.
* Het beantwoordt het feest.
Antiochus nam een heiligdom en verklaarde zichzelf epiphanēs. Wat gewijd was werd ontwijd door iemand die zichzelf verhief. Hier staat iemand die zegt dat hij niet zichzelf heeft verhoogd maar gewijd is — op de dag waarop herdacht wordt dat wijding van de andere kant moet komen.
* En het wijst naar wat hij is.
Want in 2:19 heeft hij gezegd: breekt deze tempel af, en in drie dagen zal ik hem oprichten. En de verteller voegt eraan toe, in 2:21: maar hij sprak van de tempel zijns lichaams.
Wie op het feest van de tempelwijding zegt dat de Vader hem gewijd heeft, en eerder heeft gezegd dat zijn lichaam de tempel is — die zegt: de wijding waarvan u het jaarfeest viert, is aan mij voltrokken.
Waar het scharniert
En nu is te zien waarom dit paneel het scharnier heet.
De aanklacht gaat over rang: waar staat hij, mag hij daar staan, wie heeft hem daar gezet. Dat is een vraag over de verticale as.
Het antwoord gaat over wijding: wat apart is gezet en waarvoor. En dat is geen vraag over hoogte maar over bestemming. Een altaar staat niet hoger dan andere stenen. Het is uit het gewone gebruik genomen en aan iets anders gegeven.
Dat is de omslag. Waar zij een positie zien, staat hij op een functie. Waar zij vragen hoe hoog, antwoordt hij waarvoor.
En dan valt ook op wat er in het wijdingswoord besloten ligt en wat in de aanklacht ontbreekt. Wat gewijd wordt, wordt gewijd om verbruikt te worden. Een offer wordt geheiligd en dan gebracht. Een altaar wordt geheiligd om er vuur op te maken. Wijding is geen verheffing die iets veiligstelt; het is een bestemming die iets uit handen geeft.
Twintig verzen eerder heeft hij drie keer gezegd dat hij zijn leven aflegt.
Wat ik niet weet
Er blijft iets ongelijk.
Als hēgiasen het wijdingswoord is en het feest het wijdingsfeest, dan lijkt dat een sluitende zaak, en sluitende zaken zijn in dit boek zeldzaam.
Maar het woord staat nog één keer in Johannes, en daar wordt het breder. In 17:19 zegt hij: voor hen heilig ik mijzelf, opdat ook zij geheiligd zijn in waarheid. Daar staat hagiazō egō emauton — met het reflexief. Ik heilig mijzelf.
Precies de vorm die hij in 10:36 tegenover poieis seauton zet, gebruikt hij zeven hoofdstukken later over zichzelf.
Dat kan betekenen dat het verschil niet zit in wie de handeling verricht maar in wat er gemaakt wordt: jezelf tot god maken is iets anders dan jezelf apart zetten. Het kan ook betekenen dat het antwoord in 10:36 minder sluitend was dan het lijkt.
Ik krijg dat niet rond. En misschien is dat juist het punt: hij wijst naar wie hem gewijd heeft, en aan het eind doet hij het zelf.
Lees verder:
* Johannes 9 en 10 (het skelet)
* Wat er naast god mag staan (waarom god en godenzonen)
* Twee gesprekken tegelijk (de context)
* De psalm die hij afbreekt (psalm 82)
* Van wie? (van God of van mensen?)
* Het was winter (het scharnier)
* Werd (het werkwoord)

