Kolossenzen en Titus – 3. serie Onderschikking en overgave
De huistafel als vorm
Kolossenzen 3:18–4:1 volgt een vorm die in de oudheid bekend was. Aristoteles beschrijft in zijn Politica het huishouden, de oikos, als bestaande uit drie verhoudingen: heer en slaaf, man en vrouw, vader en kinderen. Precies die drie paren staan in Kolossenzen, in die volgorde omgekeerd: vrouwen en mannen, kinderen en vaders, slaven en heren. Duitse exegeten noemden zulke lijsten Haustafeln, huistafels, en de naam is gebleven.
Wie de vorm kent, ziet ook waar Paulus ervan afwijkt. Bij Aristoteles en de filosofen na hem wordt alleen de heer des huizes aangesproken. Hij krijgt uitleg over hoe hij zijn vrouw, kinderen en slaven moet besturen. De anderen zijn onderwerp van zijn beleid, geen gesprekspartners. In Kolossenzen worden de vrouwen, de kinderen en de slaven als eersten aangesproken, rechtstreeks, als mensen die zelf kunnen kiezen. En de sterkere partij in elk paar krijgt verplichtingen tegenover de zwakkere: mannen, wees niet bitter; vaders, maak je kinderen niet moedeloos; heren, geef je slaven wat recht en billijk is, want ook jullie hebben een Heer in de hemel (4:1).
Zeven verzen vóór de huistafel staat een zin die hem doorkruist: waar geen Griek is en Jood, slaaf of vrije, maar Christus is alles en in allen (Kolossenzen 3:11). In Galaten staat hetzelfde, met een toevoeging: er is geen mannelijk en vrouwelijk, want gij allen zijt één in Christus Jezus (Galaten 3:28).
Arsen kai thēly zijn precies de woorden van de Griekse vertaling van Genesis 1:27: arsen kai thēly epoiēsen autous, mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen. Paulus citeert Genesis, en ontkent het in dezelfde adem. Dat kan niet betekenen dat het verschil tussen man en vrouw ophoudt te bestaan; Paulus schrijft elders uitvoerig over het huwelijk en over het lichaam. Het betekent eerder dat het verschil in Christus niet meer bepaalt wie erbij hoort en wie meer waard is. De polariteit blijft. De rangorde die eraan werd opgehangen, verliest haar grond.
De huistafel staat dus tussen twee krachten. De vorm komt uit de cultuur, met haar vaste orde van het huishouden. De inhoud komt uit een gemeenschap waarin iedereen één is in Christus. Wie Kolossenzen 3:18 leest, leest een zin waarin die twee krachten op elkaar drukken.
Zoals het past
Vrouwen, ordent u onder uw mannen, zoals het past in de Heer (Kolossenzen 3:18).
Hier staat het werkwoord er wel, in de gebiedende wijs, maar opnieuw in de mediale vorm: ordent u zelf. En de zin krijgt een reden mee die in Efeziërs ontbrak: zoals het past.
Anēkō betekent passen, betamen, horen bij. Het is het woord voor wat gepast is, wat in een bepaalde situatie hoort. Paulus gebruikt het nog twee keer. In Efeziërs 5:4 voor grove taal, ha ouk anēken, wat niet past. En in de brief aan Filemon: hoewel ik in Christus de vrijmoedigheid heb u te gebieden wat gepast is, vraag ik u liever omwille van de liefde (Filemon 8–9).
Die laatste zin is een sleutel. Wat gepast is, kan bevolen worden. Paulus ziet daarvan af en kiest de liefde als grond. Het gepaste is in zijn denken niet het hoogste. Het staat onder de liefde.
Opvallend is ook de werkwoordsvorm. Anēken is een verleden tijd: zoals het paste, zoals het al gepast was. Sommige uitleggers lezen daarin een verwijzing naar wat in de bestaande samenleving al als behoorlijk gold. Dan zegt Paulus: doe wat bij jullie als gepast geldt. En hij voegt toe: in de Heer. Het gepaste wordt daarmee niet heilig verklaard. Het wordt in een nieuwe ruimte gezet, waar het zich moet verantwoorden tegenover Hem in wiens naam alles gebeurt.
Dat laatste staat in het vers vlak ervoor, dat als een opschrift boven de hele huistafel hangt: alles wat u doet in woord of daad, doe het alles in de naam van de Heer Jezus (3:17). De orde van het huis is niet de laatste orde. Ze staat onder een Naam.
Mē pikrainesthe – de bitterheid van de man
Mannen, heb uw vrouw lief en wordt niet bitter tegen haar (Kolossenzen 3:19).
Het eerste deel kennen we uit Efeziërs. Het tweede is nieuw, en het is opvallend precies. Paulus waarschuwt niet tegen geweld, niet tegen ontrouw, niet tegen hardvochtig bestuur, wat in de huistafels van zijn tijd de voor de hand liggende waarschuwing zou zijn. Hij waarschuwt tegen bitterheid. Een innerlijke toestand.
Pikrainō komt van pikros, bitter. In de Griekse vertaling van de Tenach is het de vertaling van de Hebreeuwse stam marar, מרר. Die stam heeft een geschiedenis. In Egypte wajemarreroe et-chajjéhem – maakten de Egyptenaren hun leven bitter met harde slavernij (Exodus 1:14). Bitterheid is in de Thora eerst wat onderdrukkers aanrichten. Het is de smaak van slavernij, die tot vandaag elk jaar met Pesach wordt geproefd in de bittere kruiden, de maror.
Een man die bitter wordt tegen zijn vrouw, maakt van zijn huis een stukje Egypte. Wat hij binnen voelt, legt hij als juk op haar.
Waar komt die bitterheid vandaan? Vaak uit een teleurstelling die geen uitweg vond. Een man die in zijn vrouw zocht wat hij als kind niet kreeg – erkenning, onvoorwaardelijke aandacht, een moeder die er helemaal voor hem was – komt vroeg of laat bij de ontdekking dat zij dat niet kan geven. Zij is zijn vrouw, niet zijn moeder. Als hij die rouw niet doorleeft, slaat de teleurstelling om in verwijt, en het verwijt verhardt tot bitterheid. Het lijkt over haar te gaan. Het gaat over wat hij nooit heeft gekregen.
Na de doortocht door de Rietzee komt het volk bij water dat niet te drinken is. Ze kwamen in Mara, want het water was bitter (Exodus 15:23). God wijst Mozes een stuk hout, éts, dat hij in het water gooit, en het water wordt zoet. En dan zegt God: Ik ben de Eeuwige, uw Heelmaker (15:26). Het eerste wat God na de bevrijding geneest, is bitterheid.
Naomi, terug uit Moab na de dood van haar man en haar zonen, zegt: noem mij niet Naomi, lieflijk; noem mij Mara, want de Almachtige heeft mij zeer bitter gemaakt (Ruth 1:20). Bitterheid is er ook bij wie veel verloren heeft. Het verhaal van Ruth laat zien hoe die bitterheid langzaam weer zoet wordt, door trouw.
Van de man wordt in Kolossenzen dus iets innerlijks gevraagd. Hij moet bij zichzelf naar binnen kijken, naar het bittere water, en het niet uitschenken over zijn vrouw. Of het water zoet kan worden, hangt niet alleen van hem af. Mara werd zoet door een hout dat God aanwees.
Titus 2 – vrouwen die vrouwen onderwijzen
In de brief aan Titus staat de onderschikking in een heel andere zin. Het is een opdracht aan oudere vrouwen over wat zij aan jongere vrouwen moeten doorgeven.
De oudere vrouwen moeten leraressen van het goede zijn, opdat zij de jonge vrouwen leren hun man lief te hebben, hun kinderen lief te hebben, bezonnen te zijn, rein, zorgzaam voor het huis, goed, zich ordenend onder hun eigen man, opdat het woord van God niet gelasterd wordt (Titus 2:3–5).
Kalodidaskalos, leraar van het goede, komt in het hele Nieuwe Testament alleen hier voor. Het wordt gebruikt voor vrouwen. Midden in een passage die vaak wordt aangehaald om vrouwen een stille plaats te geven, krijgen oudere vrouwen een leeropdracht.
En kijk naar de volgorde. Het eerste wat de jonge vrouwen moeten leren, is philandros: hun man liefhebben. Het woord komt van phileō, de liefde van genegenheid, warmte, vriendschap. Daarna philoteknos, hun kinderen liefhebben. Pas als zevende en laatste komt de onderschikking. Ze staat aan het eind van een rij die met liefde begint.
De beweging gaat van vrouw naar vrouw. Wat het betekent om vrouw te zijn in een huwelijk, leren jonge vrouwen hier van vrouwen die het al geleefd hebben. De man en de oudsten van de gemeente komen in dit leerproces niet voor. Systemisch is dat een diepe beweging. Een vrouw ontvangt haar vrouwelijkheid in de eerste plaats uit de lijn van de vrouwen vóór haar, haar moeder, haar grootmoeders. Waar die lijn gebroken is, waar een vrouw geen moeder had die haar kon voorgaan of waar die moeder haar eigen vrouw-zijn afwees, mist een jonge vrouw de grond waarop ze kan staan. Titus vraagt de gemeente om die lijn te herstellen, van oudere vrouw naar jongere vrouw.
Dan de reden: hina mē ho logos tou theou blasphēmētai, opdat het woord van God niet gelasterd wordt. Die reden komt van buiten. Het gaat om wat de omgeving ziet. Titus werkt op Kreta, en de brief citeert een Kretenzische dichter die zijn eigen landgenoten leugenaars noemt (1:12). In die omgeving moet de gemeente zich niet laten kennen als een groep waar de gewone orde van het huis op zijn kop staat. Hetzelfde motief keert terug bij de jonge mannen, opdat de tegenstander niets kwaads over ons kan zeggen (2:8), en bij de slaven, opdat zij de leer sieren (2:10).
Sōphrosynē – wat voor iedereen geldt
In Titus 2 komt één woord steeds terug, bij iedere groep. De oudere mannen moeten sōphronas zijn (2:2). De oudere vrouwen leren de jonge vrouwen sōphronizōsin, tot bezinning brengen, en zelf sōphronas te zijn (2:4–5). De jonge mannen moeten sōphronein (2:6). En dan voor iedereen: de genade van God leert ons sōphronōs, bezonnen, te leven (2:12).
Het woord is samengesteld uit sōs, heel, gaaf, behouden, en phrēn, het innerlijk, het verstand, oorspronkelijk het middenrif, de plek waar de Grieken het gevoel en het denken lokaliseerden. Sōphrōn is iemand met een heel innerlijk, een behouden binnenkant.
In de Griekse ethiek was sōphrosynē een van de vier hoofddeugden. Plato beschrijft haar in zijn Politeia als de eensgezindheid binnen de ziel: de delen van de mens, het verlangen, de drift en het verstand, nemen ieder hun plaats in, en het lagere stemt in met de leiding van het hogere. Sōphrosynē is een innerlijke ordening.
Daarmee komt iets aan het licht. De onderschikking die van de vrouw gevraagd wordt tegenover haar man, wordt in Titus van iedereen gevraagd tegenover zichzelf. Iedere mens, man of vrouw, oud of jong, moet zijn eigen binnenkant ordenen: impulsen kunnen dragen zonder erdoor meegesleept te worden, verlangen kunnen voelen zonder erdoor geregeerd te worden.
In de taal van de neurobiologie zou je het zelfregulatie noemen: het vermogen om de golven uit de diepere, oudere lagen van het brein op te vangen zonder dat ze het hele systeem overspoelen. Dat vermogen ontstaat niet vanzelf. Het groeit in een kind dat door een volwassene gereguleerd werd, die rustig bleef waar het kind overspoeld werd. Wie dat niet kreeg, moet het later alsnog leren, vaak in een relatie, vaak met veel pijn.
Een man zonder sōphrosynē wordt bitter of hard. Een vrouw zonder sōphrosynē kan zich niet werkelijk overgeven; ze kan alleen bezwijken of vechten. Overgave veronderstelt een heel innerlijk dat zichzelf bezit. Wat in Kolossenzen en Titus van de vrouw gevraagd wordt, rust dus op wat van iedereen gevraagd wordt.
De tijd waarin het klonk
Kolosse was een klein stadje in Frygië, in het binnenland van Klein-Azië. Kreta, waar Titus werkte, was een eiland met een slechte naam. Beide gemeenten waren klein, nieuw en kwetsbaar. Ze leefden in een omgeving die nieuwe godsdiensten met argwaan bekeek, vooral als die vrouwen en slaven aantrokken.
Die argwaan had een geschiedenis. In 186 voor Christus had de Romeinse senaat de feesten voor de god Bacchus verboden, na geruchten over nachtelijke bijeenkomsten waar vrouwen en mannen, slaven en vrijen samenkwamen en alle fatsoen zou worden losgelaten. Wie een nieuwe cultus binnen de deur haalde die vrouwen en slaven een eigen stem gaf, werd verdacht van het ondermijnen van het huishouden, en daarmee van de staat.
Joodse schrijvers kenden die verdenking ook en verweerden zich ertegen. Josefus, de joodse geschiedschrijver uit die tijd, verdedigt het jodendom tegenover zijn Romeinse lezers door te benadrukken hoe ordelijk joodse huishoudens zijn: de vrouw is in alles minder dan de man, schrijft hij, laat zij daarom gehoorzamen (Tegen Apion 2.201). Het was apologie: zo bewees je dat je geen gevaar was.
In die context moeten de christenen in Kolosse en op Kreta de huistafels hebben gehoord. Ze waren een manier om te zeggen: wij zijn geen Bacchanten, ons huis staat. Ongeveer een halve eeuw later schrijft Plinius, Romeins gouverneur in Klein-Azië, aan keizer Trajanus dat hij twee slavinnen heeft laten martelen om de waarheid over de christenen te achterhalen. Ze werden ministrae genoemd: dienaressen, diakenen. De vrouwen hadden in de gemeenten dus een zichtbare rol, en juist dat maakte de groep verdacht.
Wie een huistafel hoorde, hoorde dus twee dingen tegelijk. Naar buiten: wij houden de orde van het huis in ere. Naar binnen: maar iedereen wordt aangesproken als iemand die zelf kiest, de sterkere heeft plichten tegenover de zwakkere, en alles gebeurt in de naam van een Heer die boven alle heren staat. Voor een slaaf of een vrouw die gewend was alleen onderwerp van andermans beleid te zijn, moet dat tweede misschien het luidst hebben geklonken.
De tijd waarin het klonk
Kolosse was een klein stadje in Frygië, in het binnenland van Klein-Azië. Kreta, waar Titus werkte, was een eiland met een slechte naam. Beide gemeenten waren klein, nieuw en kwetsbaar. Ze leefden in een omgeving die nieuwe godsdiensten met argwaan bekeek, vooral als die vrouwen en slaven aantrokken.
Die argwaan had een geschiedenis. In 186 voor Christus had de Romeinse senaat de feesten voor de god Bacchus verboden, na geruchten over nachtelijke bijeenkomsten waar vrouwen en mannen, slaven en vrijen samenkwamen en alle fatsoen zou worden losgelaten. Wie een nieuwe cultus binnen de deur haalde die vrouwen en slaven een eigen stem gaf, werd verdacht van het ondermijnen van het huishouden, en daarmee van de staat.
Joodse schrijvers kenden die verdenking ook en verweerden zich ertegen. Josefus, de joodse geschiedschrijver uit die tijd, verdedigt het jodendom tegenover zijn Romeinse lezers door te benadrukken hoe ordelijk joodse huishoudens zijn: de vrouw is in alles minder dan de man, schrijft hij, laat zij daarom gehoorzamen (Tegen Apion 2.201). Het was apologie: zo bewees je dat je geen gevaar was.
In die context moeten de christenen in Kolosse en op Kreta de huistafels hebben gehoord. Ze waren een manier om te zeggen: wij zijn geen Bacchanten, ons huis staat. Ongeveer een halve eeuw later schrijft Plinius, Romeins gouverneur in Klein-Azië, aan keizer Trajanus dat hij twee slavinnen heeft laten martelen om de waarheid over de christenen te achterhalen. Ze werden ministrae genoemd: dienaressen, diakenen. De vrouwen hadden in de gemeenten dus een zichtbare rol, en juist dat maakte de groep verdacht.
Wie een huistafel hoorde, hoorde dus twee dingen tegelijk. Naar buiten: wij houden de orde van het huis in ere. Naar binnen: maar iedereen wordt aangesproken als iemand die zelf kiest, de sterkere heeft plichten tegenover de zwakkere, en alles gebeurt in de naam van een Heer die boven alle heren staat. Voor een slaaf of een vrouw die gewend was alleen onderwerp van andermans beleid te zijn, moet dat tweede misschien het luidst hebben geklonken.
Wat cultuur is en wat blijft
De twee redenen die Kolossenzen en Titus geven, wijzen allebei naar buiten. Hōs anēken: zoals het past, zoals het al als behoorlijk gold. Hina mē ho logos blasphēmētai: opdat het woord niet gelasterd wordt, opdat de omgeving geen aanstoot neemt. In geen van beide teksten wordt de onderschikking van de vrouw gegrond in de schepping, in Genesis of in Christus. Ze wordt gegrond in de verhouding tussen de gemeente en de wereld om haar heen.
Zo roepen de teksten zelf een vraag op. Een reden die naar buiten kijkt, hangt af van wat er buiten te zien is. In de eerste eeuw op Kreta zou een huis waar de vrouw zich niet onderschikte, het evangelie in diskrediet hebben gebracht. Wat brengt het woord in onze tijd in diskrediet? Veel lezers zullen antwoorden: in een samenleving waar vrouwen dezelfde waardigheid en dezelfde stem hebben als mannen, wordt het evangelie juist gelasterd wanneer het gebruikt wordt om vrouwen klein te houden. Wie de reden van Titus serieus neemt, kan bij een andere toepassing uitkomen dan wie alleen het gebod overneemt.
Tegelijk zou het te gemakkelijk zijn om alles wat in deze teksten staat als cultuur weg te zetten. Er blijft iets over dat niet uit Kreta of uit Kolosse komt. De man wordt gevraagd lief te hebben en niet bitter te worden. De vrouw wordt gevraagd haar man lief te hebben en zich naar hem te ordenen. Iedereen wordt gevraagd een heel innerlijk te hebben. En onder dat alles ligt de polariteit uit Genesis: een pool die zich uitgeeft en een pool die zich opent, die elkaar nodig hebben om leven voort te brengen.
Dan verschuift de vraag naar de vorm die die polariteit in een bepaalde tijd aanneemt. De vorm van de huistafel was de vorm van de eerste eeuw. De vraag die eronder ligt – hoe kunnen een man en een vrouw elkaar zo ontmoeten dat het vuur brandt zonder te verteren – is niet aan een eeuw gebonden.
Wat in Kolossenzen en Titus nog niet in beeld komt, is de vrouw die alleen staat: getrouwd met een man die haar geloof niet deelt, in een huis waar de orde tegen haar werkt. Over haar gaat 1 Petrus 3.
De serie Onderschikking en overgave
- Genesis 1–3: aan elkaar gegeven en Genesis 3:16 als beschrijving van de breuk
- Efeziërs 5:21–33: het werkwoord dat ontbreekt, en het mystērion van één vlees
- Kolossenzen 3 en Titus 2: de huistafels, en waar ze afwijken van wat in hun tijd gewoon was
- 1 Petrus 3 en Sara: het enige ‘gehoorzamen’, en luister naar haar stem (Genesis 21:12)
- 1 Korinthiërs 11 en 14, 1 Timotheüs 2: de volgorde, de val, en ‘niet zonder elkaar’
- Man en vrouw in 2026
- Hooglied: het lied dat Genesis 3:16 terugdraait
- Als één vleugel stilvalt: Abigaïl, Hosea, Vasti en de vraag wie begint
- Het lichaam dat zich niet kan openen
- Polariteit zonder rangorde
- De vrouwen die er stonden

