De vrouwen die er stonden – 11. Onderschikking en overgave
In de Tosefta staat een zegenspreuk die een joodse man elke ochtend zei. Gezegend die mij niet als heiden heeft gemaakt. Gezegend die mij niet als vrouw heeft gemaakt. Gezegend die mij niet als onwetende heeft gemaakt (Tosefta Berachot 6:18; in de Babylonische Talmoed, Menachot 43b, staat slaaf op de plaats van de onwetende). In de Griekse wereld ging een vergelijkbare spreuk rond, toegeschreven aan Thales of aan Socrates: dankbaar te zijn geboren als mens en niet als dier, als man en niet als vrouw, als Griek en niet als barbaar.
Paulus kende die spreuk. Hij schrijft aan de Galaten: er is geen Jood of Griek, geen slaaf of vrije, geen mannelijk en vrouwelijk (Galaten 3:28). Drie paren, dezelfde drie als in het ochtendgebed. Wat de vrome man elke dag als voorrecht uitsprak, wordt hier voor wie in Christus is ontkend.
Dan zie ik iets in het Grieks wat in de meeste vertalingen verdwijnt. De eerste twee paren worden verbonden met oude: noch, en ook niet. Het derde paar met kai: en. Niet ‘man noch vrouw’, maar ‘mannelijk en vrouwelijk’. En niet anēr en gynē, man en vrouw, maar arsēn en thēly, mannelijk en vrouwelijk, onzijdig, bijna biologisch. Het zijn de woorden van de Griekse vertaling van Genesis 1:27: arsēn kai thēly epoiēsen autous, mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.
Paulus citeert de schepping. En hij zegt: dat paar is er niet, ouk eni.
Ik schrik ervan. Hier wordt toch precies weggenomen wat ik negen delen lang heb verdedigd, het verschil van Genesis 1? Ik lees verder.
Vers 26: jullie zijn allen zonen van God.
Vers 29: en als jullie van Christus zijn, dan zijn jullie erfgenamen, klēronomoi, volgens de belofte.
Het gaat om zonen en erfgenamen. In de wereld van Paulus erfde een dochter zelden op gelijke voet met een zoon. Hier worden vrouwen zonen genoemd, en daarmee erfgenamen. Het mannelijk-en-vrouwelijk dat er niet is, is het verschil als grond voor wie erft en wie niet.
En er staat: want allen zijn jullie één in Christus Jezus. Heis, één, in de mannelijke vorm: één persoon, één lichaam. Niet hen, één ding, één gelijke massa. Wie één lichaam wordt, verliest de verschillende leden niet. Paulus schreef later aan de Korinthiërs uitgebreid over vrouwen die bidden en profeteren, als vrouw. Het verschil bleef bestaan. Wat wegviel, was wat de ochtendspreuk ervan had gemaakt: een reden om dankbaar te zijn dat je de ander niet bent.
Iounian
In Romeinen 16 groet Paulus zesentwintig mensen bij naam. Bij vers 7 staat: groet Andronikus en Iounian, mijn verwanten en medegevangenen, episēmoi en tois apostolois, die uitblinken onder de apostelen, en die al vóór mij in Christus waren.
Iounian is een accusatief. De vraag is van welke naam. Met het accent op de laatste lettergreep, Iouniân, zou het een mannennaam zijn: Junias. Met het accent op de voorlaatste, Iounían, is het Junia, een vrouw. De oudste handschriften hebben geen accenten. De lezer moest kiezen.
Junia was in Rome een gewone vrouwennaam; er zijn honderden voorbeelden van gevonden, op grafstenen en in teksten. De mannennaam Junias is nergens in de oudheid aangetroffen, geen enkele keer. Wie er een man van maakte, moest een naam bedenken die niemand droeg.
De vroege kerk had daar geen moeite mee. Johannes Chrysostomus, aartsbisschop van Constantinopel aan het eind van de vierde eeuw, schreef over dit vers: hoe groot moet de wijsheid van deze vrouw zijn geweest, dat zij zelfs de naam van apostel waardig werd geacht. Meer dan duizend jaar lang lazen commentatoren hier een vrouw. Pas in de late middeleeuwen werd zij een man, en vanaf dat moment bleef zij het in veel vertalingen. In de jaren negentig paste de standaardeditie van het Griekse Nieuwe Testament het accent weer aan: Iounían, een vrouw.
Wie Junia een vrouw laat zijn, staat voor de volgende vraag. Betekent episēmoi en tois apostolois uitblinkend onder de apostelen, of bekend bij de apostelen? Over die grammatica wordt sinds het begin van deze eeuw gestreden, en ik laat het open. Maar ik merk iets op. Zodra vaststond dat het een vrouw was, werd de zin opnieuw onderzocht. Zolang men dacht dat het een man was, las iedereen: een apostel.
Ik blijf hangen bij het woord episēmos: gemerkt, getekend, met een teken erop, sēma. Zij was gemerkt. Andronikus en zij zaten met Paulus gevangen, en zij waren al in Christus voordat hij het was. Paulus, die zich de minste der apostelen noemde omdat hij als laatste kwam, groet een vrouw die er eerder was dan hij.
Diakonos en prostatis
De groetenlijst begint niet met Junia, maar met een vrouw die Paulus aanbeveelt. Ik beveel jullie Phoebe aan, onze zuster, die diakonos is van de gemeente in Kenchreë (Romeinen 16:1).
Veel vertalingen maken van haar een dienares, of een diacones. Het Grieks heeft daar geen vrouwelijke vorm. Er staat diakonos, hetzelfde woord dat Paulus voor zichzelf en Apollos gebruikt: wat is Apollos, wat is Paulus? Diakonoi, door wie jullie tot geloof zijn gekomen (1 Korinthiërs 3:5). Hij noemt zichzelf diakonos van het nieuwe verbond (2 Korinthiërs 3:6), en Christus diakonos van de besnijdenis (Romeinen 15:8). Wanneer het over een man gaat, vertalen we: dienaar van het woord. Wanneer het over Phoebe gaat, wordt het vaak iets kleiners.
Dan het tweede woord. Ontvang haar, schrijft Paulus, en sta haar bij in alles waarin zij jullie nodig heeft, kai gar autē prostatis pollōn egēnthē kai emou autou – want zij is zelf een prostatis geweest van velen, ook van mij (16:2). Het woord komt in het hele Nieuwe Testament maar één keer voor. Het hoort bij het werkwoord proistēmi: vooraan staan, leiding geven, beschermen. Datzelfde werkwoord gebruikt Paulus voor wie de gemeente leiden (1 Thessalonicenzen 5:12). In de Romeinse wereld was een prostatis een beschermvrouwe, iemand met middelen en gezag die anderen onder haar hoede nam.
Paulus zegt het van zichzelf: zij heeft ook mij beschermd. De apostel staat onder haar hoede.
En vermoedelijk droeg zij de brief. Een brief werd in die tijd meegegeven aan iemand die hem bracht, voorlas, en uitleg gaf als er vragen waren. De aanbeveling aan het begin van hoofdstuk 16 is de aanbeveling van wie hem bracht. Als dat klopt, dan was de eerste die de brief aan de Romeinen hardop uitlegde, met zijn hoofdstukken over genade en geloof, een vrouw uit de havenstad Kenchreë.
Priska en Aquila
Direct na Phoebe groet Paulus een echtpaar: groet Priska en Aquila, mijn medearbeiders in Christus Jezus, die voor mijn leven hun nek hebben uitgestoken (Romeinen 16:3–4). Synergoi, medearbeiders. Hetzelfde woord gebruikt hij voor Timotheüs (16:21) en voor Titus (2 Korinthiërs 8:23).
Ik tel hoe vaak het paar in het Nieuwe Testament voorkomt. Zes keer. Viermaal staat haar naam voorop: Priska of Priscilla en Aquila (Handelingen 18:18, 18:26; Romeinen 16:3; 2 Timotheüs 4:19). Tweemaal de zijne (Handelingen 18:2; 1 Korinthiërs 16:19). In een wereld waarin de man vrijwel altijd eerst werd genoemd, valt dat op. Sommige uitleggers denken dat zij van hogere afkomst was; Prisca is een naam uit een oud Romeins geslacht. Anderen denken dat zij de bekendste van de twee was in de gemeente. Waarom het zo is, staat er niet. Dat het zo is, staat er vier keer.
In Efeze komt Apollos aan, een welsprekend man uit Alexandrië, krachtig in de Schriften, die vurig spreekt over Jezus maar alleen de doop van Johannes kent. Toen Priscilla en Aquila hem hoorden, namen zij hem apart en legden hem de weg van God nauwkeuriger uit (Handelingen 18:26).
Het werkwoord ektithēmi betekent uitzetten, uiteenzetten, iets openleggen zodat het zichtbaar wordt. Een vrouw en haar man leggen een geleerde man uit hoe het zit. En Apollos neemt het aan. Daarna gaat hij naar Achaje, met een aanbevelingsbrief van de broeders, en wordt hij van grote betekenis voor de gemeente in Korinthe.
Die gemeente in Korinthe kreeg later van Paulus te horen dat de vrouwen in de samenkomst moesten zwijgen en thuis hun man moesten vragen (1 Korinthiërs 14:35). Een van de leraren die die gemeente zo had gevormd, was onderwezen door een vrouw. En het huis van Priska en Aquila was zelf een gemeente: tēn kat’ oikon autōn ekklēsian, de gemeente in hun huis (Romeinen 16:5).
Uw dochters zullen profeteren
De eerste preek van de kerk begint met een citaat. Op Pinksteren staat Petrus op en verklaart wat de menigte ziet: dit is wat gezegd is door de profeet Joël. Het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat ik van mijn Geest zal uitstorten op alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren. Zelfs op mijn slaven en op mijn slavinnen zal ik in die dagen van mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren (Handelingen 2:17–18; Joël 3:1–2).
In het Hebreeuws staat uw zonen en dochters zullen profeteren. De Geest wordt uitgestort op alle vlees. Basar: hetzelfde woord als in basar echad, één vlees. Het vlees van man en vrouw, dat in Genesis 2 één werd, ontvangt in Joël dezelfde Geest. Er is geen onderscheid in wie spreekt.
Het begin van de kerk wordt daarmee getekend door een tekst die alle grenzen van het ochtendgebed doorbreekt: jong en oud, zonen en dochters, slaven en slavinnen. Petrus voegt er zelfs iets aan toe wat bij Joël niet staat. Hij herhaalt na de slaven en slavinnen: zij zullen profeteren (Handelingen 2:18). Alsof hij het nog eens wil onderstrepen.
En het gebeurt. Lukas vertelt terloops dat de evangelist Filippus vier ongetrouwde dochters had, prophēteuousai, die profeteerden (Handelingen 21:9). In Korinthe bidden en profeteren vrouwen in de samenkomst (1 Korinthiërs 11:5). En profeteren is volgens Paulus de gave die de gemeente opbouwt, vermaant en troost (14:3), de gave die hij boven alle andere stelt.
Ik lees het vers van Joël nog eens en blijf hangen bij de volgorde. Eerst de zonen en dochters, dan de ouden en de jongen, dan de slaven en slavinnen. Het zijn precies de grenzen langs welke een samenleving bepaalt wie spreekt en wie zwijgt: geslacht, leeftijd, stand. Bij elke grens zegt de profeet: ook hier. De Geest die over de wateren zweefde toen de wereld werd geschapen, gaat hier over alle grenzen heen die na de schepping zijn getrokken.
Esjet lappidot
Wat Joël voor de laatste dagen belooft, was in Israël niet nieuw. En Debora, een vrouw, een profetes, de vrouw van Lappidot, zij richtte Israël in die tijd (Richteren 4:4). Zij zat onder haar palmboom tussen Rama en Betel, en de Israëlieten gingen naar haar toe voor het recht.
Esjet Lappidot kan betekenen: de vrouw van een man die Lappidot heette. Maar lappid is een fakkel, en esjet lappidot kan ook gelezen worden als: vrouw van fakkels. De Talmoed vertelt dat zij de lonten maakte voor de lampen van het heiligdom (Megilla 14a). Lappid is het woord van het vuur dat tussen de stukken van het offer doorging toen God een verbond sloot met Abram (Genesis 15:17), en van de fakkels die het volk bij de Sinai zag (Exodus 20:18). Debora draagt het vuur in haar naam, zoals isja het vuur draagt in de hare.
Als zij Barak oproept om tegen Sisera te trekken, zegt hij: als jij met mij meegaat, ga ik; als jij niet meegaat, ga ik niet (4:8). De legeraanvoerder gaat niet zonder de vrouw. Zij gaat mee, en zegt hem dat de eer niet de zijne zal zijn: de Eeuwige zal Sisera in de hand van een vrouw overleveren. In haar lied noemt zij zichzelf geen richter of profetes, maar em beJisra’el, een moeder in Israël (5:7).
Eeuwen later wordt in de tempel een boekrol gevonden. Koning Josia scheurt zijn kleren en stuurt de hogepriester en vier hoge ambtenaren om de Eeuwige te raadplegen. Zij gaan naar Hulda, hanevia, de profetes, die in Jeruzalem woont, in de nieuwe stad (2 Koningen 22:14). Jeremia was in die tijd al profeet. Toch gaan zij naar haar. Zij zegt: zo spreekt de Eeuwige, en verklaart wat er in de rol staat. Een gevonden boekrol wordt door haar mond erkend als woord van de Eeuwige.
En Micha laat God zeggen, als Hij zijn volk herinnert aan wat Hij voor hen deed: Ik heb je uit Egypte gebracht, en ik heb vóór je uit gezonden Mozes, Aäron en Mirjam (Micha 6:4). Drie namen. Een van de drie die Israël door de woestijn leidden, was een vrouw. Toen zij melaats werd en buiten het kamp moest blijven, trok het volk niet verder voordat zij was teruggekomen (Numeri 12:15).
Ga naar mijn broeders
Het is vroeg, nog donker. Maria van Magdala staat bij het graf en huilt. Zij ziet iemand staan en denkt dat het de tuinman is, kēpouros (Johannes 20:15). Zij vraagt waar hij het lichaam heeft gelegd. Hij zegt één woord: Mariam. Zij keert zich om en zegt: Rabboeni.
Ik lees het in een tuin. Johannes zegt het uitdrukkelijk: op de plaats waar Hij gekruisigd werd, was een tuin, en in die tuin een nieuw graf (19:41). In de eerste tuin stond een vrouw bij een boom en hoorde een stem die niet van God was. Daar begon de breuk, en de mens verborg zich. In deze tuin staat een vrouw bij een graf en wordt bij haar naam geroepen. Zij herkent de stem. Zij wordt de eerste mens die de Opgestane ziet.
En zij krijgt een opdracht: ga naar mijn broeders en zeg hun (20:17). Zij gaat, en zegt: ik heb de Heer gezien (20:18). Het is de eerste verkondiging van de opstanding, en zij komt uit de mond van een vrouw, gericht aan de mannen die later apostelen zullen heten.
In die tijd telde de getuigenis van een vrouw voor de rechter niet. Josefus schrijft het zonder omwegen: laat van vrouwen geen getuigenis worden aanvaard, vanwege de lichtzinnigheid en vrijpostigheid van hun geslacht (Joodse Oudheden 4.219). Lukas laat zien hoe dat uitwerkte: toen de vrouwen het vertelden, leken hun woorden de apostelen lēros, kletspraat, en zij geloofden hen niet (Lukas 24:11). Toch staat het in alle vier de evangeliën: de eerste getuigen van de opstanding waren vrouwen. Wie een verhaal verzint om geloofd te worden, kiest geen getuigen die niemand gelooft.
In de derde eeuw noemde Hippolytus van Rome de vrouwen bij het graf, in zijn uitleg van het Hooglied, apostelen voor de apostelen. Later werd dat de titel van Maria van Magdala: apostola apostolorum. Gezonden naar de gezondenen. De vrouw die in de tuin het eerst geroepen wordt, wordt in die tuin ook het eerst gezonden.
Twee stemmen
Deze teksten maken de andere niet ongedaan. 1 Timotheüs 2 staat er nog, en 1 Korinthiërs 14 ook. Wie de ene stem gebruikt om de andere weg te strepen, doet hetzelfde als wie eeuwenlang alleen de beperkende teksten citeerde, maar dan in omgekeerde richting. De Schrift spreekt met twee stemmen, en ik wil ze allebei horen.
Wel valt me op hoe ze zich tot elkaar verhouden. De beperkende teksten zijn aanwijzingen, geschreven in een bepaalde gemeente op een bepaald moment, vaak midden in een conflict. De andere zijn beschrijvingen van wat er gebeurde: een vrouw richtte Israël, een vrouw werd naar Josia’s gezanten gestuurd, een vrouw zag de Opgestane als eerste, een vrouw droeg Paulus’ brief naar Rome en had hem onder haar hoede genomen. Een aanwijzing zegt wat er op een plek moest gebeuren. Een verhaal laat zien wat God deed.
En nog iets, wat ik pas zag toen ik de namen onder elkaar zette. Bijna al deze vrouwen staan naast een man. Andronikus en Junia. Priska en Aquila. Debora en Barak, die niet ging zonder haar. Hulda, de vrouw van Sjallum. Mirjam, met Mozes en Aäron. Ze nemen de plaats van de man niet in, en hij niet de hare. Zij doen het werk samen, en de vrouw wordt bij naam genoemd. Wat Paulus in 1 Korinthiërs 11 schreef, niet de vrouw zonder de man en niet de man zonder de vrouw, is in deze verhalen al werkelijkheid.
Maar twee staan alleen. Phoebe, die zonder man wordt genoemd, als diakonos en prostatis. En Maria van Magdala, die als eerste wordt geroepen en gezonden, alleen in de tuin. Wat zegt het dat juist bij de brief en bij de opstanding een vrouw alleen staat? Ik weet het niet. Ik laat de vraag staan.

De serie Onderschikking en overgave
- Genesis 1–3: aan elkaar gegeven en Genesis 3:16 als beschrijving van de breuk
- Efeziërs 5:21–33: het werkwoord dat ontbreekt, en het mystērion van één vlees
- Kolossenzen 3 en Titus 2: de huistafels, en waar ze afwijken van wat in hun tijd gewoon was
- 1 Petrus 3 en Sara: het enige ‘gehoorzamen’, en luister naar haar stem (Genesis 21:12)
- 1 Korinthiërs 11 en 14, 1 Timotheüs 2: de volgorde, de val, en ‘niet zonder elkaar’
- Man en vrouw in 2026
- Hooglied: het lied dat Genesis 3:16 terugdraait
- Als één vleugel stilvalt: Abigaïl, Hosea, Vasti en de vraag wie begint
- Het lichaam dat zich niet kan openen
- Polariteit zonder rangorde
- De vrouwen die er stonden

