Als de wereld zoals je haar kende, niet meer bestaat
Over ingestorte referentiekaders, het verborgen gezicht van God, en waarom Marcus niet werd geschreven voor mensen met antwoorden
Er is een moment waarop iemand niet meer weet hoe de wereld in elkaar zit. Niet omdat hij dom is of zwak of zijn geloof heeft verloren. Maar omdat de structuur die hem dat vertelde — de overtuiging, de relatie, het instituut, het geloof, de manier van leven die generaties lang had gewerkt — is weggevallen. Niet beschadigd. Weggevallen. En er is niets voor in de plaats gekomen. Geen nieuwe structuur, geen antwoord, geen plek waar God nog te vinden is op de manier waarop hij altijd te vinden was. Alleen de leegte van wat er was — en de onmogelijke vraag hoe je verder leeft in een wereld die je niet meer kent.
Marcus werd geschreven voor die mens.
Niet voor de mens die zoekt naar verdieping. Niet voor de mens die zijn geloof wil verrijken of zijn spirituele leven wil verbreden. Maar voor de mens wiens referentiekader is ingestort — en die niet weet of er nog iets is om naar terug te keren.
Het jaar is waarschijnlijk rond 70 na Christus. De tempel in Jeruzalem is verwoest door de Romeinen. Niet beschadigd. Met de grond gelijkgemaakt. De tempel was niet alleen een gebouw. De tempel was het adres van God. De plek waar vergeving mogelijk was, waar reiniging plaatsvond, waar de afstand tussen de mens en het heilige werd overbrugd op Jom Kippoer, de grote verzoendag. Waar je naartoe ging als je niet meer wist hoe je verder moest.
Dat adres bestaat niet meer.
En in die situatie circuleert een tekst. Het evangelie dat later Marcus zal heten. Het kortste. Het rauwste. Zonder geboorteverhaal, zonder lange redevoeringen, zonder de omlijsting die een tekst draaglijk maakt. Alleen handelen. Alleen beweging. En aan het eind — een lege tombe, geen verschenen Jezus, alleen de mededeling dat hij er niet is en de vrouwen die vluchten van angst.
Dit is geen troostboek. Dit is een tekst die zijn lezers neerzet in precies de werkelijkheid die ze al kennen.
De joodse traditie had hier een naam voor — een naam die zelden wordt uitgesproken omdat hij te veel vraagt van wie hem hoort.
Hester Panim. Het verbergen van het gezicht van God.
Niet de afwezigheid van God. Het verbergen. Het onderscheid is het smalste pad dat er bestaat — en tegelijk het enige pad dat niet eindigt in wanhoop of in de goedkope troost dat alles wel goed komt.
Want Hester Panim is in de joodse traditie niet alleen een beschrijving van wat de mens ervaart. Het is een beschrijving van wat God doet — en waarom. God verbergt zijn gezicht niet uit onverschilligheid. Hij verbergt het omdat de mens alleen kan worden wie hij werkelijk is in de ruimte die ontstaat als God zich terugtrekt. Zoals een goede ouder zich terugtrekt zodat het kind leert lopen. Niet omdat het kind er klaar voor is. Maar omdat het kind alleen leert lopen als er niemand is die hem draagt.
Hester Panim is de meest actieve daad van God — de daad van het loslaten. Van het scheppen van ruimte. Van het toestaan dat de mens valt — zodat hij ontdekt dat hij kan opstaan.
De leegte is niet wat overblijft als God weg is. De leegte is wat God schept zodat er iets nieuws kan ontstaan.
De Psalmen zijn er vol van. Psalm 22 begint met de schreeuw die Jezus aan het kruis herhaalt: Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten. Job spreekt er zijn hele boek lang over. De Klaagliederenvan Jeremia — geschreven na de eerste verwoesting van de tempel in 586 voor Christus — zijn er van doordrenkt. Steeds hetzelfde: God is er. Maar zijn gezicht is verborgen. En de mens die dat ervaart, ervaart het als verlating — terwijl het de ruimte is die hij nodig heeft om te ontdekken wie hij is zonder de structuur die hem altijd heeft gedragen.
Dat onderscheid verandert niets aan de pijn. Het verandert alles aan de betekenis van de pijn.
Hester Panim zegt: de leegte die iemand ervaart is niet het bewijs dat God er niet is. Het is de ervaring van een mens die gewend was God te vinden op een plek die er niet meer is — en die nog niet weet waar hij hem nu moet zoeken.
Het adres is weg. Maar de bewoner van het adres is niet weg.
Marcus begrijpt dit. En hij schrijft er niet over. Hij schrijft erdoorheen.
Dat begint al in het eerste hoofdstuk. Direct na de doop in de Jordaan — het moment waarop de hemel openbreekt en een stem zegt: jij bent mijn geliefde Zoon — staat er één woord: euthús. Onmiddellijk. En dan: de Geest drijft hem de woestijn in.
Niet: hij koos ervoor de woestijn in te gaan. Hij werd erin gedreven. Door dezelfde Geest die hem zojuist had bevestigd. Veertig dagen. Wilde dieren. Verzoekingen. Marcus geeft geen details — geen dialoog met de duivel, geen beschrijving van de strijd. Alleen de mededeling dat hij er was. En dat de engelen hem dienden.
Dit is het eerste wat Marcus laat zien over hoe Jezus werkt: hij gaat eerst zelf de leegte in. Niet als heldendaad. Als werkelijkheid. De bevestiging van de doop — jij bent mijn geliefde Zoon — is geen bescherming tegen de woestijn. Ze is de voorwaarde om erin te kunnen gaan zonder er door te worden verzwolgen.
De bevestiging van wie hij is, gevolgd door de onmiddellijke intrekking van het gevoel van die bevestiging. De stem heeft gesproken. En dan zwijgt alles. De woestijn is de eerste Hester Panim — het gezicht verborgen, de stem weg, alleen de leegte en wat daarin leeft.
Vanuit die leegte begint hij te bewegen naar anderen. Niet ondanks wat hij in de woestijn heeft meegemaakt. Daardoor.
Hester Panim van binnenuit. God heeft gesproken — en stuurt hem onmiddellijk naar de plek waar zijn stem niet meer te horen is.
Vanuit die leegte begint Jezus te bewegen naar anderen.
Marcus 5 beschrijft de meest extreme ontmoeting in het hele evangelie. Jezus steekt het meer over — naar de overkant, naar het heidense gebied van Gerasa, buiten de grenzen van Israël. Hij zoekt niemand op. Maar zodra hij aan land stapt, komt er een man op hem af uit de tombes.
Een man die leeft tussen de doden. Die zichzelf snijdt met stenen. Die zo sterk is dat niemand hem meer kan binden — geen kettingen, geen boeien houden. Hij schreeuwt dag en nacht. Hij is voorbij elk referentiekader — buiten de samenleving, buiten de levenden, buiten zichzelf. Hij weet niet meer wie hij is.
En Jezus stelt hem een vraag.
Niet: wat is er met je gebeurd? Niet: wat heb je nodig? Niet: geloof je dat ik je kan genezen?
Hij vraagt: wat is uw naam?
Dat is alles. Aan een man die zichzelf niet meer kent. Die antwoordt: Legioen — want wij zijn met velen. Niet één naam. Vele. De identiteit volledig uiteengevallen. Hij weet niet meer wie hij is — en hij zegt het met de eerlijkheid van iemand die niets meer te verliezen heeft.
En in die vraag — wie ben jij? — zit de hele beweging van het artikel. Want de mens wiens referentiekader is ingestort, is ook zijn naam kwijtgeraakt. Niet letterlijk. Maar de identiteit die verbonden was met de structuur die er niet meer is — die is weg. Hij weet niet meer wie hij is zonder het adres dat altijd werkte. Zonder de tempel. Zonder de relatie. Zonder het geloof dat hem definieerde.
Jezus vraagt niet hoe hij de wereld kan herstellen. Hij vraagt wie de mens is zonder de wereld die hij kende.
Dat is de diepste vraag die je kunt stellen aan iemand wiens referentiekader is ingestort. En het is de vraag die het minst wordt gesteld — omdat ze zo weinig houvast biedt. Geen stappenplan, geen richting, geen troost. Alleen: wie ben jij? Nu. Hier. Zonder alles wat je had.
En dan — zonder handleiding, zonder theologie, zonder eerst uit te leggen wat er gaat gebeuren — geneest Jezus hem. De man zit gekleed en bij zijn verstand. Heel. Eén. Met een naam die hij zelf weer kent.
Maar wat er dan gebeurt, is het detail dat altijd wordt overgeslagen. De mensen uit de omgeving komen kijken — en ze worden bang. Niet voor de bezetene. Voor de genezen man. Voor iemand die is teruggekeerd uit de absolute leegte van zichzelf en weet wie hij is. Dat past nergens in.
De genezing maakt hen onrustiger dan de bezetenheid deed.
Omdat de bezetene paste in hun referentiekader — hij was de gekke man bij de graven, bekend, voorspelbaar, op veilige afstand. Maar een mens die is teruggekeerd uit de absolute leegte van zichzelf, die niet meer Legioen is maar één — dat past nergens in.
Dat is kainos — van een aard die de wereld nog niet kende. En wat de wereld niet kent, maakt haar onrustig. Ze vragen Jezus weg te gaan.
Geurt Henk van Kooten beschrijft in Echo’s van het goede nieuws hoe Jezus bij Marcus mensen oproept tot een innerlijke catharsis — een beweging die dieper gaat dan ritueel of gewoonte. Maar wat deze scène laat zien, gaat verder dan oproepen.
Jezus gaat naar de plek waar het referentiekader het meest volledig is ingestort. Naar de tombes. Naar de leegte. En hij stelt daar de vraag die niemand durft te stellen — niet omdat hij het antwoord heeft, maar omdat hij gelooft dat de mens het antwoord in zichzelf draagt. Zelfs als die mens Legioen heet. Zelfs als die mens zichzelf niet meer kent.
Hester Panim schept de ruimte. De vraag wie ben jij opent haar.
Dat is wat de mens nodig heeft wiens wereld is ingestort. Niet een nieuw adres. Maar iemand die de adresloosheid kent — en er niet door wordt verzwolgen.
En dan het einde van Marcus. De schreeuw aan het kruis.
Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten.
Marcus laat deze schreeuw staan. Zonder hem te verklaren. Zonder een stem uit de hemel die antwoordt. Zonder de omlijsting die de schreeuw draaglijk maakt. De hemel blijft stil. De omstanders begrijpen hem niet — ze denken dat hij Elia roept. En dan sterft hij.
De mensen voor wie Marcus schrijft, kennen Psalm 22 — de psalm waaruit Jezus citeert. Ze weten dat die psalm eindigt met vertrouwen, met lof, met de overtuiging dat God niet heeft veracht wie tot hem schreeuwt. Maar ze weten ook dat de schreeuw aan het begin van die psalm echt is. Geen retorische figuur. Geen geloofsoefening. Een mens die God niet meer voelt en het uitschreeuwt.
Dit is Hester Panim op zijn absolutst. God heeft zijn gezicht verborgen — en de mens die altijd wist waar God te vinden was, vindt hem niet meer.
Maar er is iets in deze schreeuw wat verder gaat dan godverlatenheid. Jezus schreeuwt niet ondanks zijn geloof. Hij schreeuwt vanuit zijn geloof — naar de God die zijn gezicht heeft verborgen, maar van wie hij weet dat hij er is. De schreeuw is geen wanhoop. De schreeuw is het meest naakte gebed dat er bestaat: roepen naar wie zich heeft teruggetrokken, zonder bewijs dat hij luistert, zonder garantie dat hij antwoordt.
Dat is volledige menswording. Niet de leraar die boven de verlating staat. Niet de godheid die de leegte omzeilt. Maar de mens die er middenin gaat — tot op het bot — en blijft roepen.
En Marcus laat het staan — precies zo, zonder verklaring — omdat de mensen voor wie hij schrijft dit kennen. Omdat zij ook schreeuwen. Omdat hun tempel ook weg is. Omdat ook zij niet weten waar God nu te vinden is.
Jezus schreeuwt niet namens hen. Hij schreeuwt met hen. Hij is niet de leraar die boven de verlating staat en uitlegt hoe je ermee omgaat. Hij is de mens die er middenin zit — en toch blijft roepen naar de bron die zijn gezicht heeft verborgen.
Dat is de diepste onderbouwing van alles wat Marcus beschrijft. Niet de leer. Niet de wonderen. Niet de gelijkenissen. Maar dit: dat hij de leegte van Hester Panim van binnenuit kent. Vanuit de woestijn. Vanuit Getsemane. Vanuit het kruis.
En dat hij er niet aan onderdoor is gegaan.
Wij leven in een tijd van ingestorte referentiekaders. Instituties die generaties lang houvast hebben gegeven, hebben hun vanzelfsprekendheid verloren. De kerk. De politiek. Het huwelijk als gegeven structuur. De wetenschap als enige autoriteit. Mensen weten niet meer waar ze moeten zoeken — naar God, naar betekenis, naar antwoord op de vraag hoe ze moeten leven.
Dat is geen geloofskrisis in de traditionele zin. Dat is Hester Panim op collectieve schaal. Niet de afwezigheid van betekenis. De intrekking van de vertrouwde toegang ertoe. De ruimte die wordt geschapen — pijnlijk, ongewenst, onvermijdelijk — zodat er iets nieuws kan ontstaan dat de oude structuur nooit had kunnen bevatten. Het verborgen gezicht. De ervaring van verlating die geen verlating is — maar die zo voelt, omdat het adres dat altijd werkte, er niet meer is.
Marcus werd voor deze tijd geschreven. Niet als historisch document. Als levende tekst voor mensen die niet meer weten waar ze moeten zoeken.
Niet om hun een nieuw adres te geven.
Maar om hen te laten zien dat iemand vóór hen in dezelfde adresloosheid heeft gestaan — in de woestijn, bij de tombes van Gerasa, aan het kruis — en bleef roepen naar wat zijn gezicht had verborgen.
De leegte is bewoonbaar.
Niet omdat ze voorbijgaat.
Maar omdat er iemand is die er al in heeft geleefd.
En om de vraag te stellen die Jezus stelde aan de man bij de tombes — aan de man die Legioen heette, die zichzelf niet meer kende, die voorbij elk referentiekader leefde.
Wie ben jij?
Nu. Hier. Zonder alles wat je hebt.
Niet als verwijt. Niet als opdracht. Als de enige vraag die verder gaat dan het verlies.
MARCUS-SERIE: ‘de catharsis‘:
00. Marcus – een inleiding
01. Het woord dat niemand goed vertaalt (taal)
02. Het lichaam weet het eerst (fysiologie)
03. De belichaamde catharsis (aanwezigheid)
04. De oude zak de nieuwe noodzaak (verdediging)
05. Wat je voelt als aankomen, is vaak het begin van de val (schaduw)
06. Wat jij heelt heelt de wereld (doorwerking)
07. De liefde die beschermt (goede intentie als blokkade)
08. De toeschouwer van de catharsis (afstand)
09. Als de wereld zoals je haar kende, niet meer bestaat (adresloosheid)
10. De schemering (het interval)
11. De naakte vlucht (te werkelijk om te dragen)
12. De lege tombe (drempel)
LEES VERDER: vier evangelisten vier woorden een beweging

