De liefde die beschermt
(goede intentie als blokkade)
Wat Marcus laat zien
Er is een moment in Marcus 8 dat in twee bewegingen wordt verteld en dat zelden in zijn geheel wordt gelezen.
De eerste beweging: Jezus vraagt zijn leerlingen wie de mensen zeggen dat hij is. Ze noemen namen — Johannes de Doper, Elia, een van de profeten. Dan vraagt hij: maar gij, wie zegt gij dat ik ben? En Petrus antwoordt als eerste en raak: Gij zijt de Christus.
Marcus schrijft dit zonder omhaal. Petrus ziet wat niemand anders heeft gezegd. Hij benoemt het. En Jezus verbiedt hun over hem te spreken — euthús, onmiddellijk, zoals alles bij Marcus onmiddellijk gaat.
Dan de tweede beweging: Jezus begint te onderwijzen. De Zoon des mensen moet veel lijden, verworpen worden door de oudsten en overpriesters en schriftgeleerden, gedood worden en na drie dagen opstaan. Hij zegt het openlijk — parrēsia, dat staat er: vrijmoedig, zonder omhaal, publiekelijk.
En Petrus neemt hem terzijde. Hij begint hem te berispen.
Het Griekse werkwoord is epitimaō — hetzelfde woord dat Marcus gebruikt als Jezus demonen berispt. Als hij de storm berispt. Als hij de koorts berispt. Petrus gebruikt het woord van de exorcist op zijn meester.
En Jezus keert zich om. Hij ziet zijn leerlingen. Hij berispt Petrus — epitimaō, hetzelfde werkwoord, terug.
Ga weg achter mij, satan. Want gij bedenkt niet de dingen die Gods zijn, maar die der mensen. (Marcus 8:32-33)
Twee berispingen. Eén woord. Twee kanten van hetzelfde moment.
Wat er onder zit
Petrus heeft hem juist herkend. Dat is het eerste wat moet worden vastgehouden. Hij heeft niet uit onbegrip gehandeld. Hij heeft niet uit ongeloof gehandeld. Hij heeft de Christus herkend — als eerste, als enige op dat moment — en hij heeft hem berispt vanuit precies die herkenning.
Dit is de verdediging die alle andere verdedigingen overtreft in subtiliteit: de goede intentie die weet wat ze beschermt en precies daarin beschermt wat niet beschermd mag worden.
Petrus wil niet dat de Christus lijdt. Dat is zijn motivatie. Hij houdt van hem — en houden van betekent hier: willen behoeden voor wat pijn doet. De meest herkenbare beweging die er is. De beweging die elke ouder kent die zijn kind ziet lijden. Die elke partner kent die de ander ziet breken. Die elke vriend kent die de ander ziet vallen.
Het is de beweging die zegt: dit hoeft niet. Ik kan dit voorkomen. Ik moet dit voorkomen.
Eugen Drewermann las heel Marcus als beeld van de ziel — Bilder von Erlösung, beelden van verlossing, scène voor scène. En de wortel onder al die beelden is bij hem één woord: Angst. Niet de angst voor iets — voor een verlies, een gevaar, een gebeurtenis die je kunt aanwijzen. De existentiële angst die daaronder ligt: de angst van het schepsel dat niet kan verdragen dat het bestaan zich niet laat beheersen. Dat pijn erbij hoort. Dat de weg door het lijden gaat en niet eromheen.
Petrus berispt vanuit die angst. Niet uit kwade wil, niet uit onbegrip — hij heeft juist herkend. Maar onder de herkenning zit de angst die niet kan dragen dat de Christus die hij zojuist heeft gezien, de weg van het lijden in moet. En dat is wat angst doet als ze te groot wordt om gevoeld te worden: ze wordt liefde. Ze wordt zorg. Ze wordt de hand die de ander tegenhoudt en het behoeden noemt.
De naad
Want Petrus berispt hem niet vanuit angst voor het eigen verlies — althans niet alleen. Hij berispt hem vanuit een godsbeeld. Vanuit de overtuiging dat de Messias niet mag lijden. Dat een God die wint, die overwint, die regeert — geen pijn toelaat als zijn weg. Dat de Christus die hij heeft herkend, groter is dan wat Jezus nu beschrijft.
En Jezus zegt: jij denkt niet wat God denkt. Je denkt wat mensen denken.
Niet: je bent fout. Niet: je begrijpt het niet. Maar: je denkt menselijk over wat goddelijk is. Je weet wat de Messias is — en je weet niet wat de weg is.
Dat is de kern van dit mechanisme. Het is niet de verdediging die voortkomt uit onbegrip. Het is de verdediging die voortkomt uit een half begrip — goed genoeg om te herkennen, niet diep genoeg om de weg te zien die bij de bestemming hoort.
Het godsbeeld is niet de oorzaak. Het is de vorm die de angst aanneemt. Een God zonder lijden is een God die de mens vrijwaart van zijn sterfelijkheid.
De liefde die niet kan loslaten
Er is een Hebreeuws woord dat hier opkomt: chesed — de liefde die niet ophoudt als de reden om lief te hebben ophoudt. De trouw die doorgaat ook als het niet rendeert. We hebben dit woord al gelezen in de Mattheüs-serie, bij de strategische deugd, bij de linkerhand die niet bijhoudt.
Maar hier opent chesed een andere laag.
Want er is een chesed die blijft — en een chesed die vasthoudt. De eerste is de liefde die de ander draagt terwijl hij zijn weg gaat, ook als die weg pijn doet. De tweede is de liefde die de ander tegenhoudt omdat de weg pijn doet. Beide worden gevoeld als liefde. Beide zijn ook liefde. Maar de tweede heeft een bijmengsel dat ze zwaarder maakt dan ze weet: de behoefte van de liefhebber zelf om de geliefde te bewaren.
Bewaren — niet voor de geliefde. Voor de liefhebber.
Want als de geliefde door de catharsis gaat — als hij lijdt, breekt, verandert, anders opstaat dan hij neergegaan is — dan verandert ook de relatie. Dan past de ander niet meer op dezelfde plek. Dan moet de liefhebber zelf ook bewegen. En die beweging — die onvermijdelijke, niet-gevraagde beweging die de catharsis van de ander vraagt van wie ernaast staat — is wat de beschermende liefde probeert te voorkomen.
Petrus beschermt Jezus. En Petrus beschermt zichzelf. Beide bewegingen zijn één — en hij weet het niet. Hij weet alleen dat hij hem niet wil verliezen aan wat hem wacht.
Stephen Porges beschreef co-regulatie als het meest fundamentele vermogen van het sociale zenuwstelsel: het ene zenuwstelsel dat het andere reguleert, de ene aanwezigheid die de andere stabiliseert. Maar co-regulatie heeft een schaduwkant die Porges niet benoemt en die Marcus hier laat zien. Het zenuwstelsel dat de ander stabiliseert, kan ook de ander fixeren. De veiligheid die wordt geboden, kan de toestand worden die de ander niet meer durft te verlaten. De co-regulatie die bedoeld is als dragende aanwezigheid, wordt de druk die zegt: blijf wie je was, want wie jij was, was voor mij draagbaar.
Dat is niet kwaad. Dat is de meest menselijke beweging die er is.
En het is precies wat Jezus satan noemt.
Niet als veroordeling van Petrus. Als beschrijving van de functie. De tegenstander — want dat is wat satan betekent in het Hebreeuws, ha-satan, de tegenstander, de aanklager, de obstakel — is hier niet de vijand van buiten. Het is de vriend van binnenin die de weg verspert.
Wat Marcus laat zien en de anderen niet
Dit moment staat ook bij Mattheüs (16:21-23) en het ontbreekt bij Lucas en Johannes in deze gedaante. Maar Marcus doet iets wat Mattheüs niet doet.
Marcus schrijft: En zich omwendende en zijn discipelen aanziende, bestrafte hij Petrus.
Hij wendt zich om. Hij ziet zijn leerlingen. Dan berispt hij Petrus.
Dat detail — het omwenden, het zien van de leerlingen vóór de berisping — beschrijft iets wat Mattheüs weglaat. Jezus berispt Petrus niet privé. Hij berispt hem in het gezicht van de groep. En hij ziet de groep eerst — alsof hij wil weten of de verdediging van Petrus ook hun verdediging is. Alsof de berisping niet alleen voor Petrus is maar voor wie in de verleiding verkeert hem bij te vallen.
Marcus vertrouwt het lichaam meer dan het woord. De blik die de leerlingen aanziet vóór de mond spreekt, is de blik die meet: hoeveel van jullie zitten in dezelfde verdediging? Hoeveel van jullie willen mij behoeden van wat ik moet doorgaan?
En het antwoord is: allen. Ze zullen allen vluchten. Ze zullen slapen in Getsemane. Ze zullen hem verlaten op het moment dat de catharsis haar voltooiing bereikt.
De berisping van Petrus is de berisping van hen allen. Van allen die houden van wie door een catharsis moet gaan en hem willen behoeden van de prijs ervan.
Wie het meest beschermt
Er is een wet in de catharsis die dit mechanisme het meest direct raakt: de kracht van de verdediging is evenredig aan de nabijheid van de liefde.
De vreemde die zegt: dit hoeft niet, heeft weinig macht. Zijn woord glijdt langs de buitenkant. Maar de geliefde die zegt: dit hoeft niet, raakt een plek die de vreemde nooit bereikt. Hij spreekt vanuit de plek waar het meest gevoeld wordt — vanuit de relatie, vanuit de geschiedenis, vanuit de jaren van samen optrekken die een taal hebben gebouwd die woorden niet meer nodig heeft.
De geliefde die beschermt, beschermt met het gewicht van alles wat er tussen hen is. En dat gewicht — die liefde, die geschiedenis, dat samen zijn — is het zwaarste dat er bestaat om tegenop te wegen.
Jezus weet dit. Dat is waarom de berisping zo hard klinkt. Niet omdat Petrus de gevaarlijkste vijand is — maar omdat hij de gevaarlijkste verdediging vertegenwoordigt. De vijand van buiten activeert het systeem om te vechten. De geliefde van binnen activeert het systeem om te capituleren — vanuit liefde, vanuit loyaliteit, vanuit de diepste laag van de behoefte om erbij te horen.
Bert Hellinger beschreef in zijn systemisch werk hoe de meest ingrijpende veranderingen in een systeem altijd de sterkste weerstand oproepen bij wie het meest van de veranderende houdt. Niet bij de buitenstaander. Bij de partner, het kind, de ouder, de beste vriend. Want zij hebben het meest te verliezen als de ander verandert — niet materieel maar existentieel. Hun positie in de relatie, hun begrip van wie de ander is, hun eigen identiteit die is gevormd in de spiegel van wie de ander was.
De systemische wet die Hellinger beschreef, is dezelfde die Marcus hier laat zien. Wat jij niet doorleeft, anderen dragen — dat staat in artikel 6. Maar het omgekeerde is ook waar: als jij het begint door te leven, willen de anderen je terugbrengen naar wie je was. Niet uit kwade wil. Uit de nood van hun eigen systeem.
Petrus beschermt Jezus. En het systeem van Petrus beschermt zichzelf via Petrus.
Beide zijn waar. Tegelijk.
De catharsis die liefde vraagt
Jezus gaat door.
Dat is het meest sobere gegeven van dit verhaal. Hij laat de berisping staan. Hij keert zich niet om naar Petrus om hem gerust te stellen. Hij gaat niet in op wat de berisping heeft opgeroepen. Hij zegt: ga weg achter mij — niet weg van mij, maar achter mij. Volg, maar blokker de weg niet.
En dit is waar Marcus verder gaat dan de diepenpsychologie reikt. Drewermann zou de angst willen genezen — haar benoemen, haar aanvaarden, haar oplossen in het onvoorwaardelijke ja dat zegt: je mag bestaan, ook in je eindigheid. Dat is een echte verlossing en ze is niet klein. Maar Marcus doet iets anders. Jezus neemt de angst van Petrus niet weg. Hij stelt hem niet gerust. Hij noemt haar satan — de tegenstander, de obstakel — en loopt erlangs. Niet opgeheven. Gepasseerd. De angst wordt niet genezen voordat de weg begint; de weg begint terwijl de angst er nog is. Ga achter mij. Niet: ik neem je angst weg. Maar: blokker de weg niet met haar.
En dan — onmiddellijk, euthús, zoals alles bij Marcus onmiddellijk gaat — roept hij de schare bij zich, samen met zijn leerlingen, en zegt: wie mij wil volgen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge mij. (Marcus 8:34)
Hij richt zich niet tot Petrus alleen. Hij richt zich tot de menigte. Tot iedereen die de weg wil gaan maar wordt tegengehouden door de goede intenties van wie van hen houdt. Tot iedereen die in de positie van Petrus staat — die beschermt uit liefde en daarin de weg verspert.
Wie zijn kruis opneemt, neemt ook de last op van de verdediging die hij achter zich laat. De last van de geliefde die hem wil behoeden. De last van de relatie die hem wil bewaren als wie hij was. De last van de goede intentie die zegt: dit hoeft niet — terwijl het juist dit is dat moet.
Dat kruis is niet lichter dan het andere. Soms zwaarder.
Want de vijand die aanvalt, activeert kracht. De geliefde die beschermt, activeert twijfel.
En de twijfel — de vraag of de pijn echt nodig is, of de catharsis niet te hoge kosten vraagt, of er geen andere weg is dan deze — is de sluipende, stille, liefdevolle stem die het moeilijkst te weerleggen is.
Niet omdat ze fout is. Ze is oprecht.
Maar ze is, zoals Jezus zegt, menselijk. Ze denkt wat mensen denken over lijden — dat het te vermijden is als je slim genoeg bent, als je goed genoeg bent, als je genoeg van iemand houdt om het van hem weg te houden.
En de weg vraagt iets wat het menselijke denken niet begrijpt: dat de pijn niet te vermijden is. Dat het lijden de doorgang is. Dat wie er omheen wordt geleid, er nooit doorheen gaat.
Wat er mogelijk wordt
Er is geen zaligspreking die ik hier voor het eerst gebruik — de Marcus-serie heeft geen zaligsprekingen als structuur. Maar er is een zin van Jezus in Marcus 8 die direct aansluit op wat dit artikel heeft geopend.
Want wie zijn leven wil behouden, die zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om mijnentwil en om des evangelies wil, die zal het behouden. (Marcus 8:35)
Dit vers wordt bijna altijd gelezen als een opdracht aan de persoon die door de catharsis gaat. Als een aansporing om de prijs te betalen, om het kruis op te nemen, om door te gaan ondanks wat het kost.
Maar in de context van dit artikel opent het vers een andere laag.
Want de beschermende liefde wil ook het leven behouden — niet het eigen leven maar het leven van de geliefde. Ze wil hem bewaren. Ze wil de continuïteit van wie hij is. Ze wil dat hij blijft wie hij was, want wie hij was, was goed. Was van haar. Was te verliezen als de catharsis hem verandert.
En Jezus zegt: wie het leven wil behouden, verliest het.
Niet alleen voor zichzelf. Ook voor de geliefde die hij probeert te bewaren.
De liefde die de catharsis beschermt, verliest precies de mens die ze wil bewaren. Ze houdt de schil, de kelipah, de structuur die de ander heeft gevormd — maar de wijn die erin gegroeid is, barst er toch doorheen. En in het barsten — in het onvermijdelijke, niet-te-voorkomen barsten — is de geliefde er niet, omdat hij heeft beschermd in plaats van begeleid.
De liefde die loslaat, verliest ook. Maar ze verliest de schil — en behoudt de wijn.
Dat is de paradox die Marcus hier beschrijft. Niet als troost. Als anatomie.
Wat mijn praktijk laat zien
Ze zit tegenover me. De vrouw wier man voor het eerst in dertig jaar huilt — echt huilt, niet de tranen die hij toestond maar de tranen die hij niet meer kon tegenhouden. En ze is in paniek.
Ik herken hem niet meer, zegt ze.
Ik vraag: herkent u hem of herkent u het masker niet meer?
Ze denkt lang na. Dan: ik weet het verschil niet.
Dat is de eerlijkste zin die in mijn praktijk wordt gezegd. Ze weet het verschil niet — en dat niet-weten is pijnlijk, want ze houdt van hem en ze wil hem niet kwijtraken en wat er nu voor haar zit, lijkt op verlies.
Het is geen verlies. Maar het vraagt van haar een beweging die ze niet heeft gevraagd en niet heeft gekozen: loslaten wie hij was zodat wie hij is, ruimte kan krijgen.
Dat is de catharsis van de geliefde. Niet de catharsis van de man die huilt — die is al begonnen. De catharsis van de vrouw die ernaast staat en moet ontdekken of haar liefde groot genoeg is om hem te laten veranderen.
Ze vraagt: wat moet ik doen?
Ik zeg niets over wat ze moet doen. Ik zeg: Petrus nam hem terzijde en bestrafte hem. Jezus keek hem aan en zei: ga achter mij.
Ze snapt het niet meteen. Maar later — weken later, in een ander gesprek — zegt ze: ik denk dat ik hem heb geprobeerd terug te brengen naar wie hij was.
Ja.
En?
Ik ben gestopt. Ik weet nog niet wie hij nu is. Maar ik ben gestopt.
Dat is de beweging die dit artikel beschrijft. Niet de catharsis zelf — die heeft haar eigen wet. Maar de liefde die de catharsis niet langer blokkeert.
De liefde die zegt: ga achter mij. Niet weg van mij.
Maar achter mij.
Centrale figuren in dit artikel: Petrus bij Caesarea Filippi — Jezus die zich omwendt
Bijbelgedeelten: Mc. 8:27-33 (Petrus herkent de Christus en berispt hem); Mc. 8:34-35 (wie zijn leven wil behouden); Mc. 8:31 (de Zoon des mensen moet lijden)
MARCUS-SERIE: ‘de catharsis‘:
00. Marcus – een inleiding
01. Het woord dat niemand goed vertaalt (taal)
02. Het lichaam weet het eerst (fysiologie)
03. De belichaamde catharsis (aanwezigheid)
04. De oude zak de nieuwe noodzaak (verdediging)
05. Wat je voelt als aankomen, is vaak het begin van de val (schaduw)
06. Wat jij heelt heelt de wereld (doorwerking)
07. De liefde die beschermt (goede intentie als blokkade)
08. De toeschouwer van de catharsis (afstand)
09. Als de wereld zoals je haar kende, niet meer bestaat (adresloosheid)
10. De schemering (het interval)
11. De naakte vlucht (te werkelijk om te dragen)
12. De lege tombe (drempel)
LEES VERDER: vier evangelisten vier woorden een beweging

