De naakte vlucht
(te werkelijk om te dragen)
Wat Marcus laat zien
Er staat één zin in Marcus die in geen enkel ander evangelie voorkomt.
Mattheüs heeft hem niet. Lucas niet. Johannes niet. Alleen Marcus — en hij zet hem neer zonder uitleg, zonder context, zonder de naam van de man te noemen.
En een zeker jongeling volgde hem, met een linnen laken om het naakte lichaam geslagen. En de jongelingen grepen hem. Maar hij liet het linnen laken los en vluchtte naakt van hen. (Marcus 14:51-52)
Twee verzen. Een onbekende. Een linnen laken. Een greep. Een vlucht. En niets meer.
Marcus laat hem staan — of liever: laat hem verdwijnen — zonder hem in te vullen. Geen naam, geen reden, geen moreel oordeel. Alleen de beweging: gegrepen worden, loslaten, weglopen. Alles achterlaten. Naakt de nacht in.
De leerlingen zijn gevlucht in vers 50. Allen verlieten hem en vluchtten. Dat staat er een vers eerder, als koele mededeling. Allen. Gevlucht.
En dan, alsof Marcus niet tevreden is met die algemene mededeling, voegt hij deze ene figuur toe. Eén man. Anoniem. Die nóg een stap verder gaat dan de leerlingen — die niet alleen vlucht maar naakt vlucht. Die zelfs de kleren niet meeneemt.
Waarom schrijft Marcus dit?
Wat er onder zit
De leerlingen zijn gevlucht omdat de catharsis te groot was.
De leerlingen vluchtten terwijl ze begrepen wat er op het spel stond. Ze hadden alles gehoord. Alles gezien. De verheerlijking op de berg, de opwekking van Lazarus bij Johannes, de wonderen, de confrontaties, de profetieën over wat komen ging. Ze hadden drie jaar lang gezien dat hij was wie hij zei te zijn. En ze vluchtten.
Maar de naamloze jongeling is nog een andere figuur. Hij is niet een van de twaalf. Hij is niet eerder in het verhaal geïntroduceerd. Hij is er gewoon — ’s nachts, in Getsemane, met alleen een linnen laken om zijn lichaam. Alsof hij gehaast is vertrokken. Alsof de nacht hem heeft verrast.
Hij volgt. Als de leerlingen al zijn gevlucht, volgt hij nog. In vers 51 staat: hij volgde hem. Dat is het woord van de navolging — ēkolouthei, dezelfde stam als het woord dat Marcus gebruikt als de vissers hun netten neerleggen en achter hem aan gaan. Hij is nog achter hem aan. Terwijl allen anderen al weg zijn.
En dan grijpen ze hem. En dan laat hij los.
De vraag is niet waarom hij vlucht. De vraag is wat er in die greep zit — en wat hij loslaat als hij het laken loslaat.
De ontbloting die de vlucht maakt
Er is een oud gegeven in de joodse traditie over naaktheid dat hier zijn diepste laag opent.
In het paradijsverhaal van Genesis 3 zijn Adam en Eva naakt — arummim — en ze schamen zich niet. Naaktheid is de toestand van voor de kennis. Van voor het onderscheid. Van voor het weten dat er iets te verbergen is.
Na de vrucht worden ze naakt — en ze schamen zich. Ze maken zich kleren van vijgenbladeren. Ze verbergen zichzelf. Niet voor elkaar — voor God.
En God vraagt: wie heeft u gezegd dat gij naakt zijt?
Die vraag hangt ook boven Marcus 14. Wie heeft deze man gezegd dat hij iets te verbergen heeft? Wie heeft hem gezegd dat naakt-zijn gevaarlijk is, dat hij kleren nodig heeft om door de nacht te gaan?
Het laken dat hij draagt, is zijn bedekking. Zijn bescherming. De dunne laag stof tussen zichzelf en wat de nacht van hem vraagt.
Als ze hem grijpen — als de macht van het systeem hem bij zijn enige bedekking pakt — laat hij los.
Niet het laken. Zichzelf.
Hij laat de bedekking los en rent weg. Naakt. Zonder iets tussen zichzelf en de nacht.
Carl Jung beschreef de persona als de interface tussen de mens en de wereld — de beschermende laag die het sociale verkeer mogelijk maakt. Maar hier is de persona niet een masker van woorden of gedrag. Ze is letterlijk een stuk stof. En als dat stuk stof wordt vastgegrepen door wat hem wil houden — door wat hem wil dwingen tot getuige te zijn van wat hij ziet — laat hij het los.
Hij kiest de naaktheid boven de greep.
Te werkelijk om te dragen
De leerlingen zijn gevlucht uit angst. Dat is de gangbare interpretatie — en ze is niet onjuist. Maar Marcus beschrijft de jongeling niet met het woord voor angst. Hij beschrijft alleen de beweging: gegrepen, losgelaten, gevlucht.
Er is een andere lezing. Een die Marcus zelf niet uitspreekt maar die in de structuur van zijn evangelie aanwezig is.
De leerlingen zijn gevlucht toen de greep begon — de soldaten, de zwaarden, de massa die was gestuurd door de overpriesters. Ze vluchtten vóórdat iemand hen bij de arm pakte. Ze vluchtten uit de verwachting van wat komen ging.
Maar de jongeling is er nog als de leerlingen al weg zijn. Hij volgt. Hij is de laatste die er nog is — met alleen een linnen laken, in de nacht, bij een man die wordt gearresteerd.
En dan pakt iemand hem vast.
Niet om hem te arresteren. Om hem te houden. Om hem te dwingen getuige te zijn van wat er nu gaat gebeuren.
En hij laat los.
De vlucht van de jongeling is niet de vlucht van wie de prijs niet wil betalen. Het is de vlucht van wie de prijs te groot vindt om te dragen — niet omdat hij te zwak is, maar omdat wat er nu is, te werkelijk is. Te concreet. Te dichtbij. De catharsis is niet meer een voorspelling of een gelijkenis of een waarschuwing. Ze is hier. Ze wordt gearresteerd. Ze heeft handen en voeten en een gezicht dat hij kent.
En dat — de catharsis als werkelijkheid in plaats van als begrip — is de laag die de jongeling niet kan dragen.
Peter Levine beschreef hoe het lichaam in de aanwezigheid van overweldigend gevaar drie reacties kent: vechten, vluchten, bevriezen. De leerlingen zijn gevlucht. Petrus heeft geprobeerd te vechten — hij snijdt een oor af. Maar de jongeling doet iets wat geen van de anderen doet: hij laat alles los en rent. Hij kiest de meest radicale ontlading die er bestaat. Geen masker, geen kleren, geen verhaal. Alleen het lichaam dat rent.
In die ontlading — in die naakte, richtingloze vlucht — is er iets eerlijks wat de leerlingen niet hebben. Ze zijn gevlucht met hun kleren aan. Met hun identiteit intact. Met de mogelijkheid om later terug te keren en te zeggen: ik was er bijna bij, ik was in de buurt.
Hij heeft niets meer om terug te keren met. Hij is naakt de nacht ingegaan.
Waarom Marcus dit schrijft
Er zijn bijbelgeleerden die menen dat de naamloze jongeling Marcus zelf is — de schrijver die zichzelf invoegt als getuige van zijn eigen verhaal, zoals Hitchcock zichzelf invoegt in zijn films. Dat is niet te bewijzen en niet te weerleggen.
Maar of het Marcus zelf is of niet — de functie van het detail is dezelfde. Marcus schrijft een evangelie over catharsis. Over de tien verdedigingen die de mens inzet tegen de doorbraak die hem het hardst nodig heeft. En op het diepste punt van het verhaal — de nacht van de gevangenneming, het moment waarop de catharsis van alles en iedereen haar definitieve begin neemt — voegt hij één figuur in die alle verdedigingen heeft laten vallen.
Niet als held. Als iemand die niet anders kon.
De leerlingen zijn gevlucht met hun kleren aan. De jongeling is gevlucht zonder. En in dat verschil — in de naaktheid van zijn vlucht — beschrijft Marcus iets wat hij nergens anders in zijn evangelie zo direct laat zien: de toestand van wie de catharsis heeft geraakt maar haar nog niet kan dragen.
Niet de toestand van wie haar weigert. Niet de toestand van wie haar ontwijkt. De toestand van wie er al in staat — en toch wegrent.
Hij is geraakt. Het laken is zijn bedekking geweest — de dunne laag die hem op afstand hield van wat er gaande was. En als die bedekking wordt vastgegrepen door de macht die hem wil dwingen te blijven, laat hij haar los.
Hij kiest de naaktheid. Niet bewust, niet moedig, niet als offer. Maar als de enige beweging die zijn lichaam nog kent op het moment dat alles wegvalt: ren.
De schemering en de tombe
Dit artikel staat tussen de schemering en de lege tombe. Dat is geen willekeurige plaatsing.
De schemering — bein hashmashot, het interval dat noch dag noch nacht is — beschrijft de toestand van wie wacht zonder te weten waarop. De mens die niet meer is wie hij was en nog niet is wie hij wordt. De wet van de Talmoed die zegt: wie in de schemering leeft, wordt niet veroordeeld. Hij kan niet oordelen en niet worden geoordeeld.
De lege tombe beschrijft wat er is als de schemering voorbij is. De drie kleine sterren. Het einde van het interval. De opening die niets bevat behalve de mededeling dat hij er niet meer is — en al onderweg is.
Maar tussen de schemering en de tombe ligt dit moment. Het moment waarop de catharsis haar voltooiing bereikt — en de mens die er het dichtst bij staat, wegrent.
De jongeling staat op de drempel van wat de vrouwen drie dagen later zullen vinden. Hij is er eerder. Hij heeft de greep gevoeld — de hand van het systeem die hem wil houden bij wat er nu gaat gebeuren — en hij heeft losgelaten.
Hij heeft niet de moed van de vrouwen die blijven staan. Hij heeft ook niet de slaap van de leerlingen in Getsemane. Hij heeft iets anders — de eerlijkheid van wie weet dat hij het niet kan dragen en niet doet alsof hij het kan.
En in die eerlijkheid — in die naakte, richtingloze, alles-loslatende eerlijkheid — zit een laag die Marcus nergens anders zo puur laat zien.
De vrouwen bij het kruis staan apo makrothen — van verre aanschouwend. Op de afstand die draagbaar is. Ze hebben iets meegenomen wat de jongeling niet heeft: de kennis dat het overleefbaar is. De herinnering in het lichaam dat leegte bewoonbaar is.
De jongeling heeft die herinnering niet. Hij staat voor het eerst voor de werkelijkheid van wat hij heeft gevolgd — niet als verhaal, niet als gelijkenis, niet als voorspelling. Als feit. Als arrestatie. Als handen en ketens en het geluid van de nacht.
En zijn lichaam doet wat lichamen doen als ze voor het eerst de volledige werkelijkheid van de catharsis ontmoeten: het rent.
De naaktheid als eerlijkheid
Er is een paradox in dit verhaal die Marcus laat staan zonder haar op te lossen.
De jongeling is de enige in het verhaal die volledig naakt de nacht in gaat. Hij heeft niets meer. Geen kleren, geen naam, geen verhaal. Hij is het meest ontblote personage van het hele evangelie.
En toch is hij — in zijn naaktheid, in zijn vlucht, in zijn totale ontbloting — de meest eerlijke figuur van de nacht.
De leerlingen zijn gevlucht met hun kleren aan. Ze kunnen later terugkeren en hun vlucht inpakken in schaamte of verklaring. Petrus heeft gevochten — en zal later ontkennen dat hij er bij was. Judas heeft overgeleverd — en zal later het geld terugbrengen. Alle anderen hebben iets meegenomen dat hun positie kan beschermen.
Hij heeft niets. Hij heeft zelfs het laken niet meegenomen.
In de joodse mystiek beschrijft de Zohar de ziel bij haar geboorte als naakt — ontbloot van alles wat later zal worden opgebouwd. De kelipot zijn er nog niet. De mechanismen zijn er nog niet. De persona is er nog niet. Er is alleen de ziel zoals ze is — klein, kwetsbaar, zonder bescherming.
De jongeling keert terug naar die toestand. Niet door keuze. Door de greep die zijn laatste bedekking wegneemt en de vlucht die hij niet heeft gepland.
En in die naaktheid — in die terugkeer naar het begin — ligt iets wat de vrouwen bij de tombe drie dagen later zullen vinden. Niet als theorie. Als feit. Het graf is leeg. Hij is niet hier. Hij gaat u voor.
De jongeling weet dat nog niet. Hij rent nog. De nacht is nog niet voorbij. De schemering heeft hem opgeslokt.
Maar Marcus weet het. En hij schrijft de naakte vlucht neer — zonder naam, zonder oordeel, zonder afsluiting — als het eerlijkste wat er in de nacht van de gevangenneming is gebeurd.
Niet de moed van wie bleef. Niet de zwakte van wie vluchtte.
De naaktheid van wie alles heeft losgelaten en toch niet verdwenen is.
Wat mijn praktijk laat zien
Hij zit soms tegenover me. De man die jarenlang heeft gelezen, gevolgd, begrepen. Die de weg kende — theoretisch, intellectueel, met de precisie van wie veel heeft bestudeerd. Die wist wat transformatie vroeg. Die anderen heeft begeleid in precies de beweging die hij beschreef.
En die op een dag — niet gepland, niet voorzien — zelf werd gegrepen.
Niet door een crisis van buitenaf. Door een moment van innerlijke werkelijkheid dat zo concreet was, zo aanwezig, zo onvermijdelijk, dat hij niet meer kon doen alsof hij er van buiten naar keek. De catharsis raakte hem — niet als begrip maar als werkelijkheid. Als het verschil tussen weten dat water koud is en er in staan.
En hij is gevlucht.
Hij vertelt het met schaamte. Ik had het moeten kunnen dragen, zegt hij. Ik wist wat het was. Ik had het moeten weten.
Ik zeg: de jongeling had ook alles gezien. Drie jaar lang. En hij rende naakt de nacht in.
Hij kijkt me aan. Dan: maar wat heeft dat geholpen?
Marcus geeft geen antwoord op die vraag. Hij laat de jongeling verdwijnen in de nacht. Hij geeft hem geen naam. Hij brengt hem niet terug.
Maar het verhaal gaat door. De tombe wordt leeg gevonden. En de boodschap van de jongeling in het wit — een andere jongeling, in de tombe, in het wit — is: hij is hier niet.
Misschien is de jongeling die naakt vluchtte dezelfde als de jongeling die later in het wit is. Misschien niet. Marcus zegt het niet.
Maar de beweging is dezelfde.
Loslaten. Naakt de nacht in. En aan de andere kant — niet meteen, niet zonder de volle duur van de schemering — de jongeling in het wit die zegt: hij gaat u voor.
De vlucht was niet het einde. Ze was de meest radicale loslating die er was. En wat er overblijft als alles is losgelaten — als zelfs het laatste laken heeft losgelaten — is niet niets.
Het is wie je altijd al was.
Zonder kleren. Zonder naam.
Aanwezig.
Centrale figuren in dit artikel: De naamloze jongeling in Getsemane — de leerlingen die gevlucht zijn — de man die jarenlang begreep en toch vluchtte
Bijbelgedeelten: Mc. 14:51-52 (de jongeling die naakt vlucht); Mc. 14:50 (allen verlieten hem en vluchtten); Mc. 16:5 (de jongeling in het wit in de tombe); Mc. 8:34-35 (wie zijn leven wil behouden)
MARCUS-SERIE: ‘de catharsis‘:
00. Marcus – een inleiding
01. Het woord dat niemand goed vertaalt (taal)
02. Het lichaam weet het eerst (fysiologie)
03. De belichaamde catharsis (aanwezigheid)
04. De oude zak de nieuwe noodzaak (verdediging)
05. Wat je voelt als aankomen, is vaak het begin van de val (schaduw)
06. Wat jij heelt heelt de wereld (doorwerking)
07. De liefde die beschermt (goede intentie als blokkade)
08. De toeschouwer van de catharsis (afstand)
09. Als de wereld zoals je haar kende, niet meer bestaat (adresloosheid)
10. De schemering (het interval)
11. De naakte vlucht (te werkelijk om te dragen)
12. De lege tombe (drempel)
LEES VERDER: vier evangelisten vier woorden een beweging

