De oude zak – de nieuwe noodzaak
Over de illusie dat je het leven kunt beheersen — en wat er gebeurt als je die loslaat
In zijn boek ‘Echo’s van het Goede Nieuws. De evangeliën in context, toen en nu‘ beschrijft de nieuwtestamenticus Geurt Henk van Kooten Jezus als vernieuwer in de Grieks-Romeinse traditie. ‘Vernieuwers’, schrijft hij, ‘bezitten een bijzonder vermogen: ze kunnen de psychologische ontmaskering verdragen die nodig is om dingen in een nieuw licht te zien. Ze zijn vaak marginale figuren — buitenstaanders door geboorte of temperament, die de status quo verstoren niet omdat ze dat willen, maar omdat ze zichtbaar maken wat anderen niet kunnen zien.’
Wat ze zichtbaar maken, is ondraaglijk.
Niet omdat het nieuw is. Maar omdat het al lang waar was.
De farizeeër die in Marcus 2 de leerlingen van Jezus aanspreekt over het vasten, is geen slechte mens. Dat is het eerste wat je moet loslaten als je deze scène wilt begrijpen. Hij is een man die zijn hele leven heeft gewijd aan een structuur die werkte. Die hem droeg. Die hem verbond met iets groters dan hijzelf. Hij vastte op de vastgestelde dagen, bad op de vastgestelde tijden, gaf tienden van alles wat hij bezat — en in die discipline had hij iets gevonden wat hij nergens anders kon vinden: het gevoel dat hij grip had. Op zichzelf. Op het heilige. Op het leven.
Dat gevoel van grip is niet oppervlakkig. Het is existentieel.
Want onder elke structuur die een mens bouwt — elk ritueel, elke identiteit, elke manier van in de wereld staan — ligt dezelfde drijfveer: de weigering om volledig sterfelijk te zijn. De overtuiging, nooit hardop uitgesproken maar diep gevoeld, dat als je de vorm maar goed genoeg beheert, de inhoud veilig is. Dat controle beschermt tegen verlies. Dat de zak, als hij maar sterk genoeg is, de wijn kan bevatten — voor altijd.
De oude zak is niet een achterhaalde gewoonte. De oude zak is het meest fundamentele verweer dat de mens heeft.
Heraclitus van Efeze, die vijf eeuwen voor Christus leefde, beschreef een wet die hij in alles zag: elk principe draagt zijn tegendeel al in zich. Wat lang gespannen is, wil ontspannen. Wat vol is, wil leeg. Wat ver genoeg is doorgevoerd in één richting, kantelt onvermijdelijk naar de andere.
Hij noemde dit enantiodromia. Letterlijk: de tegengestelde loop.
Het is verleidelijk om dit te lezen als een beschrijving van verandering. Maar Heraclitus beschreef geen verandering. Hij beschreef een structuur die in de werkelijkheid zelf is ingebakken. De rivier stroomt niet naar zee omdat ze wil veranderen. Ze stroomt naar zee omdat dat is wat rivieren doen — en omdat de zee haar teruggeeft als regen, en ze opnieuw begint.
Dit is geen cyclus van verbetering. Het is een wet van omslag.
Enantiodromia is niet wat er gebeurt als je faalt. Het is wat er gebeurt als je te lang te goed bent in iets wat je niet meer volledig bent.
En het begint niet op het moment van het barsten. Het begint veel eerder — in de periode waarin de druk al voelbaar is, maar de vorm nog heel lijkt. Waarin iets van binnenuit kreunt. Waarin het ritueel dat ooit levend was, mechanisch begint te voelen. Waarin de structuur die ooit droeg, begint te wegen.
In die periode doet de mens iets wat volkomen begrijpelijk is: hij repareert de zak. Hij werkt harder aan de vorm. Hij vast meer, bidt meer, werkt meer, controleert meer — want als de inhoud dreigt te ontsnappen, lijkt meer grip op de vorm de enige logische reactie.
Wat hij niet weet, is dat de druk van binnenuit niet het probleem is. De druk is het bewijs dat er iets in hem is gegroeid. Dat de wijn kainos is geworden — van een andere aard dan de zak die hem ooit kon bevatten. Hoe harder hij de zak aantrekt, hoe sneller hij barst.
Van Kooten wijst erop dat vernieuwers in de Grieks-Romeinse wereld altijd werden ervaren als bedreiging — niet in de eerste plaats voor de macht, maar voor de identiteit van degenen die hen tegenkwamen. Oorspronkelijke denkers als Socrates en Diagoras van Melos werden verworpen door de steden waarin ze waren geboren. Niet omdat hun ideeën gevaarlijk waren. Maar omdat ze zichtbaar maakten wat de stad liever niet zag.
De farizeeër ervaart Jezus zo. Niet als vijand. Als spiegel.
Want wat Jezus zichtbaar maakt, is precies wat de farizeeër niet kan zien: dat zijn zak al barst. Dat het vasten zijn leven allang niet meer voedt, maar slechts zijn controle bestendigt. Dat de structuur die hem ooit verbond met het heilige, inmiddels staat tussen hem en het heilige in.
Hij kan de vernieuwer niet verdragen — niet omdat hij slecht is, maar omdat de vernieuwer hem confronteert met de wet van Heraclitus. De wet die hij zijn hele leven heeft geprobeerd te omzeilen.
Je kunt het leven niet beheersen. De wijn groeit. De zak barst. Altijd.
En dan de vraag die eigenlijk gesteld wordt: wat gebeurt er als je de weigering loslaat?
Niet als abstractie. Als werkelijkheid.
De mystici kenden dit moment. Johannes van het Kruis noemde het de donkere nacht van de ziel — niet als poëtische metafoor, maar als beschrijving van een toestand waarin alle structuren zijn weggevallen en er nog niets nieuws is gekomen. De woestijn. De leegte tussen de oude zak en de nieuwe. Het moment waarop de vorm weg is en de inhoud nog geen vorm heeft.
Jung noemde het de confrontatie met het onbewuste — het moment waarop het ego zijn centrale positie verliest en iets groters aan het stuur komt; het moment waarop de overlevingsmechanismen niet meer werken. Hij beschreef dit niet als prettig, maar als noodzakelijk. Als het enige pad naar wat hij individuatie noemde: het worden van wie je wezenlijk bent, in plaats van wie je geleerd hebt te zijn.
Wat ze allebei beschrijven — de mysticus en de psycholoog, elk in hun eigen taal — is hetzelfde: als je de weigering loslaat, val je eerst.
Niet figuurlijk. Je verliest de grond onder je voeten. De identiteit die je droeg, draagt niet meer. De structuur die je definieerde, definieert niet meer. Je weet niet wie je bent zonder de zak.
En dat is precies de ruimte waarin iets nieuws mogelijk wordt.
Marcus beschrijft dit impliciet in de veertig dagen die Jezus doorbrengt in de woestijn — direct na zijn doop, direct vóór zijn publieke optreden. Geen structuur. Geen ritueel. Geen gemeenschap. Alleen de confrontatie met wat er is als alle zakken zijn weggevallen: met het dierlijke en het engelachtige in hem (lees: dieren-en-engelen)
Uit die leegte begint hij te spreken. En wat hij zegt, is kainos — van een aard die de wereld nog niet kende.
Dit is wat Van Kooten bedoelt als hij schrijft dat Jezus mensen oproept tot een innerlijke catharsis. Niet tot emotionele ontlading. Niet tot een beter gevoel. Tot het loslaten van het meest fundamentele wat een mens bezit: de illusie dat hij zichzelf in stand kan houden als hij de vorm maar sterk genoeg maakt.
Catharsis in de oorspronkelijke Griekse zin is geen keuze. Het is wat er gebeurt als de zak barst en je niet langer de energie hebt om de stukken bij elkaar te houden.
En metá-noia — de andere nous, het getransformeerde waarnemingsorgaan — is niet iets wat je vervolgens doet. Het is wat er in je gebeurt als je de leegte toelaat die achterblijft. Niet als beloning. Als gevolg.
De farizeeër in ons — en hij zit in iedereen die ooit ergens serieus over is geweest, die ooit een structuur heeft gebouwd die werkte — begrijpt dit niet als bevrijding. Hij ervaart het als vernietiging. En dat klopt ook.
De illusie dat controle beschermt, wordt vernietigd. Het geloof dat de juiste vorm het leven veilig houdt. En het diepste: de overtuiging dat je jezelf in stand kunt houden als je maar hard genoeg werkt aan wie je bent geworden.
Dat is niet weinig. Dat is misschien wel het meeste wat een mens heeft.
Maar de ziel wil meer ruimte. Dat is niet iets wat je kunt stoppen.
Wat in jouw leven heeft zo lang gewerkt dat je bent vergeten dat je het ooit hebt gekozen?
Wat noem jij jezelf — en hoe lang al?
MARCUS-SERIE: ‘de catharsis‘:
00. Marcus – een inleiding
01. Het woord dat niemand goed vertaalt (taal)
02. Het lichaam weet het eerst (fysiologie)
03. De belichaamde catharsis (aanwezigheid)
04. De oude zak de nieuwe noodzaak (verdediging)
05. Wat je voelt als aankomen, is vaak het begin van de val (schaduw)
06. Wat jij heelt heelt de wereld (doorwerking)
07. De liefde die beschermt (goede intentie als blokkade)
08. De toeschouwer van de catharsis (afstand)
09. Als de wereld zoals je haar kende, niet meer bestaat (adresloosheid)
10. De schemering (het interval)
11. De naakte vlucht (te werkelijk om te dragen)
12. De lege tombe (drempel)
LEES VERDER: vier evangelisten vier woorden een beweging

