Het woord dat niemand goed vertaalt
Over kainos, metá-noia en catharsis — drie Griekse woorden die in de vertaling hun lading verloren
Stel je voor: het jaar is 70 na Christus. Jeruzalem ligt in puin. De tempel — het gebouw waar God woonde, waar offers werden gebracht, waar op Jom Kippoer de grote jaarlijkse reiniging van het volk plaatsvond — bestaat niet meer. Niet beschadigd. Weg. Stenen op stenen, precies zoals Jezus het had voorspeld, en die voorspelling maakt het nu alleen maar onverdraaglijker.
In die situatie gaat iemand zitten lezen. Hij heeft een tekst in handen die al een tijdje circuleert — het evangelie dat later Marcus zal heten. Het kortste. Het gehaastste. Geen geboorteverhaal, geen lange redevoeringen. Alleen handelen. En steeds dat ene woord: euthús. Onmiddellijk. Terstond. Hij geneest en beweegt verder. Hij spreekt en beweegt verder. Alsof stilstand de dood is.
Die lezer leest nu iets wat Jezus dertig jaar eerder zei. Over wijn en zakken. Niemand, zei Jezus, doet nieuwe wijn in oude wijnzakken. Anders barst de zak, en de wijn gaat verloren, en de zakken ook. Nieuwe wijn vraagt nieuwe zakken. (Marcus 2:22, Matteüs 9:17 én Lucas 5:37-38)
Die lezer stopt. Want hij begrijpt plotseling iets wat hij niet had verwacht te begrijpen.
De tempel was de oude zak.
Maar om te begrijpen wat hij begrijpt, moet je drie woorden kennen die in geen enkele Nederlandse vertaling hun volle gewicht hebben behouden.
Het eerste woord is kainos.
In het Grieks bestaan twee woorden voor ‘nieuw’.
Het eerste is neos — nieuw in de zin van jong, recent, vers gemaakt. Een nieuwe wijn die gisteren geperst werd. Een nieuwe leerling die net is aangesloten. Nieuwheid als tijdsverschil.
Het tweede woord is kainos. En dat is iets fundamenteel anders. Kainos betekent nieuw van aard. Kwalitatief anders. Een wijn die nog nooit bestaan heeft — niet omdat hij recent is, maar omdat hij een soort is die de wereld nog niet kende. Wanneer Marcus Jezus laat spreken over nieuwe wijn, gebruikt hij kainos. Niet neos.
Dit verschil is niet academisch. Het is de spil waarom de hele boodschap draait.
Want als de nieuwe wijn neos was — een jonge versie van hetzelfde — zou je hem in een nieuwe zak kunnen doen en tien jaar later, als de zak wat rekbaar is geworden, gewoon doorgaan zoals voorheen. Maar kainos past per definitie nooit in een oude zak. Niet over tien jaar. Niet over honderd. De aard van de wijn en de aard van de zak zijn onverenigbaar. Niet tijdelijk. Structureel.
Die man in 70 na Christus begrijpt dit. De tempel was niet slecht. De rituelen waren niet verkeerd. De zak was niet kapot — hij was gewoon oud. En de wijn die erin moest, was van een soort die geen enkele oude structuur kon bevatten.
Het tweede woord is metá-noia.
In bijna alle Nederlandse bijbelvertalingen staat het als ‘bekering’. Dat woord heeft inmiddels zoveel historische lading meegekregen — schuldgevoel, vermanende preken, de vinger van de dominee — dat het bijna onmogelijk is er nog iets anders in te horen.
Maar metá-noia heeft met schuld niets te maken.
Metá betekent: na, voorbij, omheen, door heen. Nous is het Griekse woord voor het vermogen om werkelijkheid te onderscheiden. Niet het verstand in de moderne zin — niet rekenkundig denken, niet logisch redeneren. De nous is eerder wat je zou kunnen omschrijven als het waarnemingsapparaat van de ziel. Het orgaan waarmee je onderscheidt wat werkelijk is en wat schijn. Wat telt en wat niet telt. Wat leven geeft en wat dood brengt.
Nous is één van de meest beladen woorden in de Griekse filosofie — en tegelijk het moeilijkst te vertalen.
Nous is niet het denkvermogen in de zin van redeneren, analyseren, problemen oplossen. Dat is meer het terrein van de logos of de dianoia. De nous is eerder het vermogen tot directe waarneming van wat werkelijk is. Niet via redenering. Via een soort onmiddellijk zien.
Aristoteles noemde het het hoogste deel van de ziel — het deel dat in staat is het eeuwige te kennen. Plato beschreef het als het vermogen om de Vormen te zien — de werkelijkheid achter de verschijnselen.
Je kunt het vergelijken met wat wij intuïtie noemen, maar dan niet als vaag gevoel — als het scherpste instrument dat de mens heeft. Het orgaan dat onderscheidt wat werkelijk telt van wat slechts schijn is.
Metá-noia is dan: een andere nous krijgen. Je waarnemingsapparaat verandert van aard. Niet: je past je mening aan. Niet: je gedraagt je anders. Niet eens: je ziet dingen voortaan vanuit een ander perspectief. Het orgaan zelf transformeert. De lens waardoor je naar werkelijkheid kijkt, wordt vervangen door een andere lens — en daarmee verandert alles wat je ziet, niet omdat de wereld anders is geworden, maar omdat jij anders bent geworden.
Dat is geen psychologische verbetering. Dat is geen therapie in de moderne zin. Dat is wat Jung later individuation zou noemen: het proces waarbij de mens wordt wie hij wezenlijk is, in plaats van wie hij geleerd heeft te zijn. Het ego, het overlevingsmechanisme, geeft zijn centrale positie op ten gunste van iets groters — het zelf, het centrum van de persoonlijkheid dat het ego overstijgt.
Marcus beschrijft dit niet als een geleidelijk proces. Het gaat snel. Euthús. Onmiddellijk. De Visser die zijn net neerlegt en opstaat. De tollenaar die zijn tafel verlaat. Geen lang beraad, geen afweging van voor- en nadelen. De nous kantelt, en het lichaam volgt.
Het derde woord is catharsis.
En dit is het woord dat in de moderne tijd het verst van zijn oorspronkelijke betekenis is afgedreven.
In de populaire psychologie van vandaag betekent catharsis zoiets als: even flink huilen, schreeuwen in een kussen, oude brieven verbranden. Emotionele ontlading. De emmer leeggieten.
Aristoteles wordt er steevast bij gehaald als de man die dit als eerste beschreef — in zijn analyse van de tragedie, waar hij schrijft over de loutering die toeschouwers ondergaan als ze getuige zijn van angst en medelijden op het toneel.
Maar de oorsprong van het woord gaat verder dan Aristoteles.
In de medische traditie van Hippocrates betekende catharsis iets fysieks en radicaals: het lichaam ontdoen van wat het van binnenuit vergiftigt. Niet: iets toevoegen wat ontbreekt. Iets verwijderen wat de werking blokkeert. Een zuivering die het lichaam in staat stelt te doen waarvoor het gemaakt is.
En in de religieuze traditie van de Grieken verwees catharsis naar rituelen van reiniging voor mensen die de religieuze en sociale orde hadden geschonden — zodat zij konden terugkeren in de gemeenschap. Catharsis was niet privé. Het was publiek. Het had een sociale functie: het herstel van de verbinding tussen het individu en het geheel.
En voor Socrates — en dit is de laag die zelden wordt aangehaald — was de zuivering van de ziel de primaire taak van de filosofie zelf. Niet theorievorming. Niet debat. De ziel bevrijden van wat haar belemmert om te zien wat waar is. Filosofie als geneeskunde. Denken als reiniging.
Wanneer Geurt Henk van Kooten in zijn boek ‘Echo’s van het Goede Nieuws. De evangeliën in context, toen en nu‘ schrijft over Marcus (hoofdstuk 1, blz. 85 en 86) dat Jezus mensen oproept tot metá-noia én tot catharsis in hun innerlijke leven, zet hij twee bewegingen naast elkaar die bij het grote publiek als afzonderlijk worden gezien. Maar in de Griekse wereld waren ze dat niet. Ze beschreven dezelfde beweging van twee kanten.
Catharsis maakt leeg wat de nous belemmert. Metá-noia is wat er daarna — en daardoor — mogelijk wordt.
Socrates karakteriseerde filosofie als een oefening in sterven. Niet als metafoor, maar als beschrijving: de ziel losmaken van wat haar bindt aan het valse. Dat is exact wat Marcus beschrijft als hij Jezus laat zeggen dat nieuwe wijn nieuwe zakken vraagt. De oude zakken zijn niet de vijand. Ze zijn het voertuig van wat ooit leven gaf. Maar ze zijn vol. Ze zijn stijf. Ze kunnen niet meer rekken.
Catharsis is het moment waarop de zak barst — niet als ramp, maar als bevrijding. De wijn stroomt vrij. En in die ruimte, in die leegheid die achterblijft, begint metá-noia.
Die man in 70 na Christus begrijpt dit terwijl hij leest. De tempel is weg. De zak is gebarsten. En wat hij in zijn handen houdt, is een tekst die hem al dertig jaar geleden had willen vertellen dat dit niet het einde is.
Nieuwe zakken zijn niet iets wat je maakt. Ze zijn iets wat je wordt — als je bereid bent de leegte toe te laten die komt nadat de oude is gebarsten.
Carl G. Jung zou dit veel later formuleren als de wet van de enantiodromia — een term die hij leende van Heraclitus, de Griekse filosoof die twee generaties vóór Aristoteles leefde. De wet dat een principe, als het tot het uiterste wordt doorgevoerd, omslaat in zijn tegendeel. De rigide structuur die breekt en plotseling open is. Het systeem dat zichzelf zo lang gevangen hield tot het knapte. En daarna: de transformatie.
Niet als verbetering van wat er was. Als iets van een andere aard. Kainos. Nieuw zoals het woord het bedoelt — niet jonger, niet frisser, niet verbeterd — maar van een soort dat de wereld nog niet kende.
Dat is wat die drie woorden samen zeggen. Niet als theologische begrippen. Niet als historische curiositeiten. Als beschrijving van iets wat in de mens kan gebeuren — als hij bereid is de leegte toe te laten die eraan voorafgaat.
De vraag is niet of je dat wilt.
De vraag is of je de oude zak al lang genoeg vasthoudt om te voelen dat hij barst.
Ken je dat moment waarop iets wat jarenlang heeft gewerkt — een baan, een huis, een huwelijk, een overtuiging, een manier van leven — plotseling niet meer past? Niet omdat het slecht was. Niet omdat jij iets fout deed. Maar omdat de wijn erin gegroeid is, en de zak niet meer kan rekken. Je voelt de druk van binnenuit. Je probeert de zak te repareren, te rekken, te overtuigen dat hij het nog even volhoudt. Totdat hij barst. En in dat barsten — in die leegte die achterblijft, die je niet had gewild en niet had gekozen — begint iets wat je met geen enkel oud woord kunt beschrijven. Niet herstel. Niet verbetering. Iets van een andere aard. De Grieken hadden er drie woorden voor. Wij zijn ze kwijtgeraakt in de vertaling. Maar het proces zelf — dat kennen we nog steeds. Van binnenuit.
Dit is een serie artikelen over ‘de catharsis‘ in Marcus:
0) Marcus – een inleiding
1) Het woord dat niemand goed vertaalt (taal)
2) Het lichaam weet het eerst (fysiologie)
3) De belichaamde catharsis (aanwezigheid)
4) De oude zak de nieuwe noodzaak (verdediging)
5) Wat je voelt als aankomen, is vaak het begin van de val (schaduw)
6) Wat jij heelt heelt de wereld (doorwerking)
7) De toeschouwer van de catharsis (afstand)
8) Als de wereld zoals je haar kende, niet meer bestaat (adresloosheid)
9) De schemering (het interval)
10) De lege tombe (drempel)
