Marcus – een inleiding
Wie Marcus leest zonder voorkennis, ziet een kort, gehaast evangelie. Geen geboorteverhaal. Geen Bergrede. Geen lange theologische redevoeringen. Alleen handelen. Genezingen die snel op elkaar volgen. Euthús — onmiddellijk — veertig keer. Een man die beweegt, aanraakt, verder gaat.
Een onbevooroordeelde lezer ziet: een wonder. Dan nog een wonder. Dan een conflict met de farizeeën. Dan een gelijkenis. Dan weer een wonder. Hij ziet een leraar die gezag heeft, die mensen geneest, die in conflict komt met de autoriteiten, die wordt gekruisigd en wiens graf leeg is.
Wat hij niet ziet zonder de sleutels die deze serie aanreikt: dat euthús (terstond) geen stijlmiddel is maar een theologie van het lichaam. Dat katharizō (vrijmaken) de wortel is van een heel proces. Dat metánoia (omwending) niets met bekering te maken heeft. Dat kainos (anderssoortig) fundamenteel verschilt van neos (nieuw). Dat de vrouwen niet decoratief aanwezig zijn maar structureel de dragers van het proces. Dat de lege tombe geen leemte is maar een tzimtzum (inkrimping). Dat de schemering tussen de wonderen en de conflicten een bein hashmashot (schemergebied) is.
Het centrale woord is CATHARSIS (meervoud: catharissen). Het woord kent twee betekenissen:
1) vorm van loutering of ingrijpende, emotionele belevenis (in de literatuur met name de functie van treurspel).
2) psychologie emotionele ontlading als gevolg van een plotseling inzicht in de oorzaken van de eigen psychische methode.
Hij ziet de oppervlakte van wat Marcus doet — en die oppervlakte is al indrukwekkend. Maar de laag eronder, de wortel onder de wortel, blijft onzichtbaar zonder de talen die Marcus veronderstelt: het Grieks, het Hebreeuws, de joodse mystiek, de Griekse filosofie, de neurobiologie die pas tweeduizend jaar later woorden kreeg voor wat Marcus al beschreef.
Marcus schrijft voor wie die talen al kent. Of voor wie bereid is ze te leren.
Deze serie is die bereidheid.
Carl G. Jung ontdekte in de twintigste eeuw wat Marcus in de eerste eeuw liet zien. Individuation — het proces waarbij de mens wordt wie hij wezenlijk is in plaats van wie hij geleerd heeft te zijn — beschreef Jung als de centrale beweging van het menselijk leven. De confrontatie met de schaduw. De val van de persona. De enantiodromia die een principe doet omslaan in zijn tegendeel als het te ver is doorgevoerd. De donkere nacht die geen pathologie is maar doorgang. Hij noemde het psychologie — en gaf het daarmee een taal die de twintigste-eeuwse mens kon horen.
Maar Marcus was er tweeduizend jaar eerder. Zonder de woorden. Zonder de theorie. Alleen de scènes — de melaatse die aanraakt terwijl hij niet mag aanraken, de vrouw die twaalf jaar heeft gewacht en dan toch de zoom grijpt, de man die Legioen heet en zijn naam terugkrijgt, de leerlingen die begrijpen en toch vluchten, de vrouwen die blijven zonder te begrijpen. Marcus legt niet uit wat er gebeurt. Hij laat het gebeuren — en vertrouwt erop dat wie het ziet, herkent wat hij zelf al kent.
Jung heeft een naam gegeven aan wat Marcus heeft laten zien. Niet andersom.
En dat is voor gelijk het meest persoonlijke en tegelijk het meest wezenlijke.
Als coach begeleid ik mensen in precies de beweging die Marcus beschrijft. De man die zijn oude zak niet los kan laten. De vrouw die begrijpt maar niet kan voelen. De leider die zijn schaduw niet kent en haar daarom projecteert. Het stel dat vasthoudt aan wie ze voor elkaar waren, terwijl de wijn allang van een andere aard is geworden. De ondernemer wiens referentiekader is ingestort en die niet weet waar hij nu moet zoeken.
Ik begeleid hen niet vanuit een methode. Ik begeleid hen vanuit een tekst die tweeduizend jaar oud is en die elke keer weer klopt — niet als handleiding, maar als getuige. Marcus heeft deze mensen gekend. Hij heeft ze beschreven zonder hen uit te leggen. Hij heeft hen laten zien zonder hen te beoordelen. En hij heeft laten zien dat de beweging mogelijk is — niet als belofte, maar als feit. De melaatse wordt aangeraakt. De vrouw met de bloedvloeiing wordt gezien. De man die Legioen heette, kent zijn naam weer.
Mijn werk is o.a. gebaseerd op Marcus. Niet als theoretisch kader. Als levende grond waarop ik sta als ik tegenover iemand zit die niet meer weet wie hij is zonder de structuur die er niet meer is.
Het is geen methode, maar het is bezield worden door wat al was — en wat daarom niet ophoudt.
Marcus wist dit. Hij heeft het nooit uitgelegd. Deze serie probeert te zeggen wat hij niet heeft gezegd — niet om hem te verbeteren, maar omdat de lezer van nu gewend is aan uitleg, en Marcus hem die niet geeft.
Daarom heeft de catharsis in Marcus twaalf artikelen nodig. Niet omdat het onderwerp complex is. Maar omdat de mens zichzelf verdedigt tegen wat hij het hardst nodig heeft — en elke verdediging een andere sleutel vraagt.
De eerste verdediging is de taal. We denken dat we weten wat het woord betekent — en juist dat weten houdt ons buiten.
De tweede is het lichaam. We leven zo ver boven onze nek dat we niet meer weten wat er onder gebeurt — en het lichaam wacht.
De derde is de aanwezigheid. We denken dat catharsis iets is wat met ons gebeurt als we er klaar voor zijn — terwijl het gedragen wordt door wie al buiten staat en toch blijft.
De vierde is de verdediging. We repareren de zak in plaats van hem los te laten — omdat de zak alles is wat we hebben.
De vijfde is de schaduw. We verwarren begrijpen met veranderen — en het begrip wordt de muur.
De zesde is de doorwerking. We denken dat het om ons gaat — terwijl wat wij niet doorleven, anderen dragen.
De zevende is de liefde die beschermt. We nemen hem terzijde en berispen hem — omdat we van hem houden en niet kunnen verdragen wat hem wacht. En juist daarin versperren we de weg.
De achtste is de afstand. We denken dat we erbij zijn omdat we kijken — terwijl de manier waarop we kijken bepaalt of we de ander vasthouden of loslaten.
De negende is de adresloosheid. We zoeken houvast op de plek waar het altijd was — en die plek bestaat niet meer.
De tiende is het interval. We willen weten wanneer het voorbij is — terwijl de schemering haar eigen wet heeft.
De elfde is de naakte vlucht. We laten alles los en rennen — niet uit ongeloof maar omdat wat er nu is te werkelijk is om te dragen. En in die naaktheid, in die richtingloze eerlijkheid, begint iets wat we niet hebben gepland.
De twaalfde is de drempel. We willen iets vinden in de tombe — en er is niets. Alleen de vraag of we verdergaan.
MARCUS-SERIE: ‘de catharsis‘:
00. Marcus – een inleiding
01. Het woord dat niemand goed vertaalt (taal)
02. Het lichaam weet het eerst (fysiologie)
03. De belichaamde catharsis (aanwezigheid)
04. De oude zak de nieuwe noodzaak (verdediging)
05. Wat je voelt als aankomen, is vaak het begin van de val (schaduw)
06. Wat jij heelt heelt de wereld (doorwerking)
07. De liefde die beschermt (goede intentie als blokkade)
08. De toeschouwer van de catharsis (afstand)
09. Als de wereld zoals je haar kende, niet meer bestaat (adresloosheid)
10. De schemering (het interval)
11. De naakte vlucht (te werkelijk om te dragen)
12. De lege tombe (drempel)

