De belichaamde catharsis
Over wat Marcus ziet wat niemand anders ziet — en waarom juist zij het dragen
Er is iets wat Marcus consequent doet en wat je alleen ziet als je de hele tekst naast elkaar legt.
Op de momenten die er het meest toe doen — het kruis, de begrafenis, de tombe — zijn de vrouwen er. De mannen niet.
Petrus verloochent. De leerlingen vluchten. De jongeman in Getsemane laat zijn kleed achter en rent naakt weg.
En de vrouwen blijven staan. Met hun lichaam. Op de plek waar niemand anders meer staat.
Dat is geen moreel oordeel van Marcus over mannen en vrouwen. Het is een observatie. En de observatie vraagt om een verklaring die dieper gaat dan karakter of moed.
De verklaring begint in de fysiologie.
Het vrouwelijk zenuwstelsel heeft gemiddeld een hogere rusttoon in de ventrale vagus — de laag van veiligheid en verbinding die Stephen Porges beschreef. Dat betekent niet dat vrouwen minder bang zijn. Het betekent dat hun systeem sneller terugkeert naar verbinding na activatie. De dorsale vagale shutdown — het lichaam dat zich terugtrekt uit wat het niet meer kan bevatten — is bij vrouwen gemiddeld minder diep en minder langdurig dan bij mannen. Niet als zwakte van het mannelijke systeem. Als verschil in bedrading dat bij de schepping zo is gevormd door een enkelvoudige wet: de overleving van het kind hing af van het vermogen van de moeder om te blijven registreren wat er in de ander gebeurde — ook onder extreme druk.
Het lichaam van de vrouw is gebouwd om te blijven waarnemen als het systeem van de man al is afgesloten.
Dat verklaart wat Marcus laat zien bij het kruis. Niet de moed van de vrouwen — hun fysiologie. Hun zenuwstelsel verlaat de verbinding minder snel. Ze blijven staan niet ondanks de angst maar met de angst — omdat hun systeem de verbinding niet loslaat op het moment waarop het mannelijke systeem in shutdown gaat.
Maar fysiologie alleen verklaart het niet volledig.
Want er is ook dit: de mannen in Marcus hebben allemaal iets te verliezen. Petrus (14:66-72) heeft zijn identiteit als rots — de naam die Jezus hem zelf heeft gegeven. De leerlingen (14:50) hebben hun positie als uitverkorenen, de twaalf die zijn geroepen boven allen. Jaïrus (5:21-43) heeft zijn status als synagogevoorzitter. De rijke jongeling (10:17-22) heeft zijn bezit. Ze komen naar Jezus met een persona (een sociaal masker, een sociale status) die beschermd moet worden — een structuur die definieert wie ze zijn en die niet mag worden aangetast.
De vrouwen komen zonder.
De schoonmoeder van Petrus (1:29-31)
Ze ligt. Koorts — het lichaam dat zich heeft teruggetrokken, dat brandt van binnenuit. Jezus pakt haar hand en helpt haar opstaan. En dan, euthús, staat ze op en dient ze. Marcus geeft haar geen woord, geen dankbaarheid, geen innerlijk leven. Alleen de beweging: van horizontaal naar verticaal. Van shutdown naar handelen. Dat is de dorsale vagale toestand die wordt doorbroken door aanraking — en die zich onmiddellijk omzet in beweging naar buiten. Haar catharsis is de kortste in Marcus. En de meest complete.
De vrouw met de bloedvloeiing (5:25-34)
Twaalf jaar bloedvloeiing. Twaalf jaar onrein — wat betekent: twaalf jaar mag ze niemand aanraken en mag niemand haar aanraken. Twaalf jaar heeft haar lichaam iets niet kunnen voltooien. Ze heeft alles geprobeerd, alles uitgegeven, is alleen maar slechter geworden. En dan raakt ze aan — van achteren, stiekem, want ze mag het niet. Ze raakt de zoom van zijn kleed aan. En op dat moment voelt zij in haar lichaam dat de bron is opgedroogd. Niet een dokter die haar vertelt dat ze genezen is. Haar eigen lichaam dat het weet — vóór elk woord, vóór elke bevestiging van buiten. Dan staat Jezus stil. Hij wacht. Tot ze zichzelf bekent. Hij noemt haar dochter — het enige moment in Marcus. Haar catharsis is twaalf jaar uitgesteld en voltooит zich in één aanraking. Maar de genezing alleen is niet genoeg voor Jezus. Ze moet worden gezien. Door zichzelf. Door hem. Door de menigte.
Het dochtertje van Jaïrus (5:21-43)
Twaalf jaar oud — net zo lang als de vrouw ziek is. Ze is gestorven als Jezus aankomt. Hij pakt haar hand. Talita koem. Meisje, sta op. Ze staat op en loopt. En dan — dit is het detail dat altijd wordt overgeslagen — zegt hij: geef haar te eten. Haar lichaam is teruggekeerd uit de dood en het eerste wat het nodig heeft is voedsel. Niet theologie. Niet uitleg. Eten. Het lichaam dat terugkeert uit de absolute shutdown heeft eerst het meest basale nodig: gevoed worden. Dat is catharsis als fysiologie — tot op het bot.
De Syro-Fenicische vrouw (7:24-30)
Zij is er niet voor zichzelf. Haar dochter heeft een onreine geest. Ze komt voor het lichaam van een ander — het lichaam van haar kind. Ze is heidens, vrouw, moeder. Drie redenen waarom ze geen gehoor zou moeten krijgen. Jezus wijst haar af. Ze antwoordt. En in haar antwoord — de kruimels onder de tafel — zit geen smeekbede maar een argument. Ze dwingt hem niet met emotie maar met precisie. Haar catharsis is niet lichamelijk maar linguïstisch — en toch is ze de enige in Marcus die Jezus corrigeert en wint. Haar lichaam is niet ziek. Haar oerinstinct als moeder wint. Haar wil is het instrument.
De vrouw die zalft (14:3-9)
Ze verbrijzelt de kruik. Ze geeft wat ze niet kan terugnemen. Haar lichaam weet wat zijn lichaam nog moet ondergaan. Ze bereidt hem voor op de dood zonder dat iemand haar dat heeft gevraagd. De omstanders zijn verontwaardigd. Jezus zegt: laat haar. Haar catharsis is de enige in Marcus die bewust, onomkeerbaar en volledig wordt geïnitieerd door de vrouw zelf — zonder aanleiding van buiten, zonder ziekte, zonder uitsluiting. Alleen het weten van het lichaam dat handelt voordat het hoofd heeft gesproken.
Maria Magdalena, Maria de moeder van Jakobus, Salome (15:40, 16:1-8)
Ze staan bij het kruis als de mannelijke leerlingen zijn gevlucht. Ze zijn aanwezig bij de begrafenis. Ze komen terug naar de tombe — met specerijen, om te zalven, om te doen wat gedaan moet worden. Ze komen niet voor een wonder. Ze komen voor een lichaam. En het lichaam is er niet. De tombe is leeg. En dan: ekstasis en tromos — extase en beven. Ze vluchten. Ze zeggen aan niemand iets. Want ze zijn gaan vrezen.
Hun catharsis is de meest absolute — en de meest onvoltooide. Ze hebben de leegte gezien. Ze staan op de drempel. Marcus laat hen daar staan. Geen afsluiting. Geen troost. Alleen de vrouwen die beven aan de rand van wat ze hebben meegemaakt.
Carl Jung beschreef de schaduw als evenredig aan de kracht van de persona (een sociaal masker, een sociale status) . Hoe sterker de structuur die iemand heeft gebouwd, hoe groter wat erbuiten is gebleven. De mannen in Marcus hebben grote ego’s — en grote schaduwen die hen op het cruciale moment inhalen. Petrus die zegt nooit te zullen verloochenen, verloochent. De leerlingen die zeggen te zullen sterven met hem, slapen. De schaduw is altijd evenredig aan wat de persona heeft buitengesloten.
De vrouwen hebben nauwelijks persona. En daardoor nauwelijds schaduw die hen tegenhoudt op het moment dat het erop aankomt.
Maar er is nog een laag — en dit is de laag die Marcus uniek maakt ten opzichte van alle andere evangeliën.
Marcus geeft de vrouwen bijna geen stem. Ze spreken nauwelijks. Lucas geeft vrouwen liederen — Maria zingt, Elisabeth profeteert. Johannes geeft Maria Magdalena een dialoog met de opgestane Jezus, het meest persoonlijke moment in alle evangeliën. Maar Marcus vertrouwt het lichaam meer dan het woord. Bij de vrouwen én bij Jezus zelf.
De schoonmoeder van Petrus staat op en dient — geen woord. De vrouw met de bloedvloeiing raakt aan — geen woord, tot Jezus haar dwingt te spreken. De vrouw die zalft verbrijzelt de kruik — geen woord. Maria Magdalena, Maria en Salome komen terug naar de tombe met specerijen — geen woord, tot ze vluchten en zwijgen.
Ze handelen met hun lichaam wat de mannen proberen te begrijpen met hun hoofd.
En daar zit de kern van wat Marcus laat zien over catharsis.
De mannen begrijpen meer. Ze worden uitgelegd aan, ze stellen vragen, ze discussiëren over wie de grootste is, wie rechts en wie links mag zitten. Petrus begrijpt wie Jezus is — hij is de eerste die het uitspreekt. De leerlingen begrijpen de gelijkenissen — ze krijgen de uitleg die de menigte niet krijgt. Ze weten meer dan wie ook in het verhaal.
En op het cruciale moment handelen ze niet.
Dat is de intellectualisering die Jung beschreef — maar dan niet als individueel patroon, als cultureel patroon. De mannen in Marcus zijn gevangen in hun begrip. Ze weten wat er moet gebeuren en kunnen het niet doen. Petrus weet dat hij niet mag verloochenen — en verloochent. De leerlingen weten dat ze moeten waken — en slapen. Het hoofd dat begrijpt, blokkeert het lichaam dat moet handelen.
De vrouwen hebben nooit de illusie gehad dat begrijpen genoeg was. Ze leven al buiten het systeem dat begrip beloont. En daardoor zijn ze vrij om te doen wat het lichaam weet — zonder de omweg van het hoofd.
Dit is geen toevallige observatie van Marcus. Dit is de wet van de enantiodromia toegepast op het systeem zelf.
In de wereld van Marcus is de hiërarchie helder en het oordeel duidelijker: mannen boven vrouwen, Joden boven heidenen, reinen boven onreinen, levenden boven doden. De vrouwen staan onderaan elke ladder. Ze zijn wat het systeem het verst naar buiten heeft gedrukt — naar de rand, naar de schaduw, naar de plek waar de samenleving haar eigen onvermogen heeft opgeslagen.
En precies daar — in de schaduw van het systeem — zit de catharsis.
Wat het systeem het verst heeft buitengesloten, keert terug als drager van wat het systeem het hardst nodig heeft. Niet als wraak. Als wet. De dorsale vagale shutdown van een cultuur die haar eigen kwetsbaarheid heeft weggedrukt, wordt doorbroken door de mensen die nooit de luxe hebben gehad om die kwetsbaarheid weg te drukken. De vrouwen dragen wat de mannen niet konden dragen — niet omdat ze sterker zijn, maar omdat ze het al zo lang dragen dat het lichaam het kent.
Splagchnizomai — bewogen worden in de ingewanden. Het woord dat Marcus gebruikt voor wat Jezus voelt als hij de menigte ziet, de melaatse aanraakt, de blinde ziet. Het zit in de darmen — de diepste plek waar de vaguszenuw in het lichaam zit, de plek waar het autonome zenuwstelsel zijn oudste informatie verwerkt.
De vrouwen in Marcus leven al in die plek. Niet als keuze. Als werkelijkheid.
En Marcus vertrouwt hen — zonder hen uit te leggen, zonder hen een stem te geven, zonder hen in te passen in een theologie die hen begrijpelijk maakt. Hij laat hen handelen. Hij laat de handeling staan. En hij laat de lezer ontdekken wat er is gebeurd — niet door het te zeggen, maar door te laten zien wie er nog stond toen alles was weggevallen.
Drie vrouwen bij een lege tombe. Bevend. Buiten zichzelf. Zwijgend.
Het lichaam dat weet wat het woord nog niet kan zeggen.
En de mannen dan?
Er zijn ook mannen in Marcus die wél belichamen, die niet vluchten. Die wél blijven. Die wél handelen vanuit het lichaam in plaats van vanuit de persona.
De mannen die het wel dragen:
* Bartimeüs (10:46-52)
Blind, bedelaar, zittend langs de weg. Hij schreeuwt als hij hoort dat Jezus passeert. De mensen om hem heen zeggen dat hij zijn mond moet houden. Hij schreeuwt harder. Jezus staat stil. Bartimeüs gooit zijn mantel weg — het enige wat hij heeft — springt op en komt. Jezus vraagt: wat wil je dat ik doe? Hij zegt: dat ik zie. En hij ziet. En hij volgt hem op de weg.
Hij heeft geen persona. Hij is blind, bedelaar, buitengesloten. Net als de vrouwen staat hij al buiten het systeem. En net als de vrouwen handelt hij vanuit het lichaam — de schreeuw, de mantel die hij weggooit, de sprong.
* De melaatse (1:40-45) Hij knielt voor Jezus. Hij smeekt. Hij raakt aan — terwijl hij onrein is en niemand mag aanraken. Jezus raakt terug aan. En dan — dit is het detail — kan Jezus niet meer openlijk in de steden komen omdat de man het overal vertelt. De catharsis van de melaatse verspreidt zich als een besmetting. Zijn genezing maakt Jezus dakloos.
* Simon van Cyrene (15:21) Hij wordt gedwongen het kruis te dragen. Geen keuze, geen geloof, geen begrip. Alleen het lichaam dat draagt wat het wordt opgelegd. Marcus geeft zijn zonen namen — Alexander en Rufus — alsof de gemeenschap voor wie Marcus schrijft hen kent. De catharsis die hij draagt is niet zijn eigen. Hij draagt die van een ander.
* Jozef van Arimatea (15:42-46) Hij vraagt het lichaam. Hij koopt fijn linnen. Hij wikkelt hem in. Hij legt hem in de tombe. Een man die het lichaam van de dode verzorgt — wat in de joodse traditie de meest lichamelijke daad van naastenliefde is, de chesed shel emet, de ware liefdesdienst, want de dode kan niet terugbetalen.
Wat opvalt als je deze mannen naast de vrouwen legt: de mannen die belichamen in Marcus staan ook al buiten het systeem. Bartimeüs is blind en bedelaar. De melaatse is onrein. Simon van Cyrene is een vreemdeling. Jozef van Arimatea handelt tegen de verwachting van zijn positie in.
Het is niet alleen het geslacht dat bepaalt of iemand de catharsis kan dragen. Het is de positie ten opzichte van het systeem. Wie binnen staat — wie iets te verliezen heeft, wie een persona heeft die beschermd moet worden — kan op het cruciale moment niet handelen vanuit het lichaam. Wie al buiten staat, kan het wel.
De vrouwen staan structureel buiten. De mannen die het dragen, staan toevallig buiten — door blindheid, door ziekte, door vreemdeling zijn, door de moed van een enkeling die zijn positie tijdelijk loslaat.
De vraag is dus niet of je man of vrouw bent. De vraag is waar je staat ten opzichte van het systeem dat jou definieert. Wat je te verliezen hebt. Welke naam je draagt die beschermd moet worden. En of er al iets in jou is dat al buiten staat — dat al weet wat het lichaam weet — en dat wacht op het moment dat je het toelaat.
Dit is een serie artikelen over ‘de catharsis‘ in Marcus:
0) Marcus – een inleiding
1) Het woord dat niemand goed vertaalt (taal)
2) Het lichaam weet het eerst (fysiologie)
3) De belichaamde catharsis (aanwezigheid)
4) De oude zak de nieuwe noodzaak (verdediging)
5) Wat je voelt als aankomen, is vaak het begin van de val (schaduw)
6) Wat jij heelt heelt de wereld (doorwerking)
7) De toeschouwer van de catharsis (afstand)
8) Als de wereld zoals je haar kende, niet meer bestaat (adresloosheid)
9) De schemering (het interval)
10) De lege tombe (drempel)
