Volledige aanwezigheid
Er zijn dagen die zich niet laten beschrijven, alleen doorgaan. Deze reeks ‘De beker drinken van het ondraaglijke‘ is ontstaan uit zulke dagen — en uit de vraag die overbleef toen de gangbare woorden van troost op waren: niet hoe je het draaglijk maakt, maar hoe je er middenin gaat staan, tot op de bodem van de beker. Ik schrijf dit gravend, niet uitleggend. De lezer mag meekijken terwijl het woord voor woord, laag voor laag, opengaat — bij het lichaam, bij het oudste Hebreeuws, bij wat er gebeurt als niemand wegkijkt.
Dit is het artikel 3
Waarom volledige aanwezigheid eigenlijk geen keuze is maar noodzaak
Wist je dat tachtig procent van het verkeer tussen lichaam en brein loopt van beneden naar boven. Dat is een zin die, als je hem laat doordringen, iets omgooit wat de hele westerse manier van over verdriet spreken aanneemt zonder het uit te spreken: dat het hoofd bepaalt hoe het lichaam zich voelt, dat inzicht voorafgaat aan regulatie, dat je jezelf, met genoeg begrip, tot rust kunt denken.
Als tachtig procent van het gesprek de andere kant op loopt, dan is dat een omkering met een naam die ik al had, alleen wist ik nog niet dat hij letterlijk was. Het lichaam meet eerst. Het lichaam praat de hele dag tegen de hersenen — niet alleen tegen het bewuste denken, maar tegen elk besluit, elke emotie, elke nacht waarin het lichaam wel of niet tot rust komt. Het brein luistert, voor het grootste deel. Het spreekt niet als eerste. Het brein hoort het, als het goed is, en reageert dan pas.

De nervus vagus, de langste zenuw van het lichaam heet naar het feit dat ze niet in een rechte lijn ergens heen loopt, maar zich vertakt, omzwerft, elk orgaan langsgaat — hart, longen, maag, darmen — elke bocht van het terrein volgt om precies te kunnen vaststellen waar het ene ophoudt en het andere begint. Er is een oud Hebreeuws woord dat op deze wandeling lijkt — chevel, het meetkoord waarmee een erfdeel ooit werd afgemeten. Ik kom er verderop in dit deel op terug. Voorlopig is genoeg: de nervus vagus doet in het lichaam zelf iets vergelijkbaars, wandelend langs elk orgaan dat om die aftasting vraagt. Niet als metafoor, maar als hetzelfde principe dat zich blijkt te herhalen op elke laag waarop ik kijk — in het land, in de ziel, in de nek en de borstkas van een levend mens.
Wat hierin wordt aangedragen, laat zien dat het geen keuze kán zijn, op een niveau dat aan elk inzicht voorafgaat: je kunt de vagus niet vanuit het hoofd naar rust denken. Geen enkel plan, geen enkele reactie begint bij “ik ga hier verstandig mee omgaan”. Het lichaam moet eerst gevoeld worden. Pas dan heeft het brein iets om mee te werken. Dat is de anatomie van waarom omheen gaan niet werkt — niet omdat het onverstandig is, maar omdat het denken, hoe goed ook, nooit de plek is waar de wee zich voltrekt.
Zo wordt chevel dus niet de eerste ontdekking, maar de naam die iets bevestigt wat het lichaam al weet en al deed — precies de volgorde die volgens de nervus vagus zelf ook klopt: eerst het lichaam, dan pas het woord.Niet andersom. Nogmaals: het lichaam praat de hele dag tegen de hersenen.
De zwervende zenuw
De hoofdrolspeler in dat gesprek is dus: nervus vagus. De langste zenuw van het lichaam, die van de hersenstam langs de nek naar beneden loopt en zich vertakt naar hart, longen, maag, darmen. Vagus — het Latijnse woord waar hij naar heet, betekent zwervend. Dwalend, zonder vaste rechte route. Niet een lijn die in één keer van boven naar beneden schiet, maar een zenuw die omzwerft, die elk orgaan afzonderlijk langsgaat, die zich aftastend een weg baant langs alles wat om aandacht vraagt. Als hij goed werkt, heb je daardoor een thuis-voelen in het eigen lichaam. Als hij overprikkeld raakt, is er stress, ook wanneer er ogenschijnlijk niets aan de hand is. En het lastigste: deze zenuw laat zich niet vanuit het hoofd naar rust denken. Geen inzicht, geen goed argument, geen helder besluit brengt hem tot rust. Alleen het lichaam zelf, dat zijn volle plek krijgt en opnieuw leert luisteren, kan hem herprogrammeren.
Hij die de nieren en het hart beproeft
Dat wandelen, dat aftasten van orgaan naar orgaan, is niet zomaar een lichamelijk feit dat toevallig naast mijn zoektocht ligt. De Hebreeuwse Bijbel heeft er een eigen, vaste woordcombinatie voor, lang voordat er een anatomie was om hem te beschrijven: bochen kelayot va-lev, Hij die de nieren en het hart beproeft. Geen incidentele beeldspraak — een uitdrukking die terugkeert bij Jeremia en in de Psalmen, en die kelayot, de nieren, telkens naast lev noemt, het hart. Nooit naast rosh, het hoofd. Als de tekst wil zeggen dat er ergens werkelijk gezien wordt wat waar is in een mens, zoekt ze dat niet in het denken. Ze zoekt het onder het middenrif.
Het werkwoord dat erbij hoort, bachan, is hetzelfde woord dat gebruikt wordt voor het toetsen van edelmetaal in het vuur — niet ernaar kijken, maar het erdoorheen halen en zien wat blijft. En in Psalm 16 staat de omkering die me het meest raakt: niet God die de nieren beproeft, maar de nieren die onderwijzen. Ze onderrichten de dichter, staat er, en het Hebreeuwse werkwoord ligt dichter bij tuchtigen dan bij vriendelijk lesgeven. Het gebeurt ook in de nacht. Juist in de nacht — niet wanneer het bewuste denken wakker en alert is, maar wanneer het hoofd stil ligt en een ander orgaan, kennelijk, doorgaat met werken. Een tekst van meer dan tweeduizend jaar oud die zegt wat de zenuw nu ook zegt: er is een weten dat zich niet laat bereiken door na te denken, en dat het meest actief is precies wanneer het denken zwijgt.
Ik merk dat ik deze dagen (waarin mijn dochter een vroeggeboorte meemaakte en beviel van haar dochtertje dat bijna 16 weken in de baarmoeder groeide) zelf ben getoetst, en niet door iets wat ik heb kunnen denken. Als bochen kelayot va-lev iets betekent, dan is het dit: dat er deze week iets is beproefd wat nooit eerder is beproefd, en dat de plek waar dat gebeurde niet mijn hoofd was. Ik heb geprobeerd te begrijpen, te duiden, woorden te vinden — en telkens merkte ik dat het begrijpen kwam nadat er al iets gewogen was, ergens lager, zonder mijn toestemming en zonder mijn commentaar. Psalm 16 zegt dat de nieren onderwijzen in de nacht, en ik heb deze nachten geen les gehad die ik kon navertellen. Er was alleen een lichaam dat ’s nachts is doorgegaan met iets waar de dag geen taal voor had. Misschien is dat wat beproefd worden werkelijk betekent: niet dat er een uitslag komt die je kunt lezen, maar dat er een vuur doorheen is gegaan waarvan je pas veel later, en dan nog maar ten dele, zult weten wat is blijven staan.
De baarmoeder
Niet het hoofd. Niet het middenrif, maar de baarmoeder is de plek om te zijn.Er is nog een orgaan waarvan ik niet had verwacht dat de taal het zo letterlijk zou nemen: rechem, de baarmoeder. Het meervoud ervan, rachamiem, is in het Hebreeuws het gewone woord voor Gods ontferming — niet als beeld dat ernaar verwijst, maar als rechtstreekse afleiding, alsof er geen ander woord bestond dat dieper reikte. Wanneer de tekst zegt dat God zich ontfermt, zegt ze eigenlijk: God is de baarmoeders. Barmhartigheid is, in deze taal, geen deugd die je erbij verwerft. Het is wat er gebeurt op de plek waar een kind gedragen wordt, uitgetild tot een eigenschap van God zelf. Jesaja vraagt of een vrouw haar zuigeling kan vergeten, of ze zich niet zal ontfermen over het kind van haar rechem — en zet daar meteen naast dat Gods trouw dieper reikt zelfs dan die. Niet als vergelijking van twee aparte soorten liefde. Als dezelfde beweging, waarvan de menselijke baarmoeder de eerste, tastbare plek is waar ze te vinden was, lang voordat er een woord was om haar aan God toe te schrijven. Wat in dat orgaan gebeurt — dragen, beschermen, niet kunnen vergeten wat erin gegroeid heeft — is dus niet een zwakke afspiegeling van Gods liefde. Het is, in de taal zelf, de plek waar die liefde haar naam vandaan heeft gehaald.

Chevel: wee, meetkoord, erfdeel, onderpand
Er is een woord in het Hebreeuws dat ik dagenlang met me heb meegedragen zonder te weten waarom het zich niet liet wegleggen: chevel. Drie letters — chet, vet, lamed — en een betekenis die uiteenvalt zodra je hem opzoekt, en die zich dan, als je blijft zitten, weer tot één ding samenvoegt.

Onze taal heeft aparte woorden voor pijn en voor bezit en voor risico, en daarmee verbergt ze wat het Hebreeuws in één woord laat zien. Chevel is de wee. De barensnood, de samentrekking die het lichaam doormaakt op weg naar wat geboren wordt of naar wat begraven wordt. Maar chevel is in de Bijbel ook het meetkoord… Wat een ander in bewaring krijgt, en dat hij kan verliezen als jij je verplichting niet nakomt.
Dat is geen toevallige samenloop van klanken. Een stuk land werd niet aangewezen door een blik, een besluit, een aanwijzing op afstand. Het werd afgemeten met een koord dat over elke centimeter van de grond werd getrokken, strak, tastend — en dat aftasten, dat naspannen van waar de grens werkelijk ligt, is dezelfde handeling als de wee die het lichaam aftast om te bepalen waar het ene ophoudt en het andere begint. De pijn is niet iets dat zich voordoet terwijl je je deel krijgt toegewezen. De pijn is het meten zelf.
Het onderpand
Wat betekent het, met chevel in de hand, dat er een deel van mijn eigen bestaan is dat nu, deze dagen, wordt afgemeten? Wat wordt uitgereikt, krijg je aangeboden, en je kunt het aannemen of laten liggen. Wat wordt afgemeten, ontstaat pas ín het meten. Vóór het koord over de grond is getrokken, is er geen grens. Er is geen erfdeel dat al ergens ligt te wachten tot je het ophaalt. Er is er pas een op het moment dat het touw, punt voor punt, is nagelopen.
Dat is, denk ik, waarom volledige aanwezigheid geen deugd is die je erbij kunt kiezen, naast andere, wijzere opties. Het is het enige gebaar waarmee het meten zelf gebeurt. Ga ik eromheen — de weg die ik al eerder heb blootgelegd, de omleiding die het zenuwstelsel aanlegt lang voordat het onverdraaglijke zich meldt — dan krijg ik niet een kleiner stuk van wie ik nu ben. Ik krijg geen stuk. Er is geen koord getrokken. Er is geen deel afgemeten, dat weet wat dit gewicht is, dat zichzelf, na dit, kent op de plek waar het nooit eerder is geweest.
Dit is niet hetzelfde als zeggen dat lijden je sterker maakt, of je groter, of je wijzer — die zinnen ken ik, en ze horen bij de laag die ik eerder al heb afgewezen, de laag van betekenis-die-het-draaglijk-moet-maken. Ik heb het niet over een uitkomst die het lijden rechtvaardigt. Ik heb het over iets dat gewoon gebeurt, mechanisch bijna, onafhankelijk van of het me iets oplevert: er wordt een deel van mij afgemeten, hier en nu, en de enige manier waarop dat meten kan plaatsvinden is dat het koord werkelijk over de grond gaat. Niet in gedachten. Niet op afstand. Centimeter voor centimeter, wee voor wee.
De Poolse psychiater Kazimierz Dąbrowski had, een vergelijkbare waarneming. Hij zag bij de mensen die hij het diepst onderzocht — niet de gemiddelde, wel-aangepaste mens, maar degenen bij wie iets zich niet liet aanpassen — een kracht die hij “de derde factor” noemde. Niet aanleg, niet omgeving, maar een innerlijke onmogelijkheid om terug te keren naar het niveau van zichzelf van vóór het uiteenvallen, zodra dat uiteenvallen eenmaal heeft plaatsgevonden. Hij noemde het positieve desintegratie: een breken dat niet hersteld wordt naar de oude vorm, maar dat door moet, wil er ooit een nieuwe vorm ontstaan — wat hij secundaire integratie noemde, een zelf dat niet is teruggeplooid naar wat het was, maar opnieuw is samengesteld op een plek die er eerst niet was.
Dat is precies waar chevel naartoe wijst, van een andere kant. Er is geen weg terug naar het ongemeten bestaan van vóór deze dagen. Niet omdat teruggaan moreel verwerpelijk zou zijn, maar omdat het, voorbij een bepaald punt, niet meer bestaat als optie. Het koord is al over de grond getrokken tot hier. Wat overblijft is niet de keuze tussen meten en niet-meten. Wat overblijft is de keuze tussen het koord verder laten lopen, of het loslaten op een punt waarop het land onafgemeten blijft — een niemandsland in mijzelf, een deel van wie ik nu ben dat nooit is vastgesteld, omdat ik niet ben blijven staan bij de plek waar het pijn deed om te meten.
Een onafgemeten deel verdwijnt niet. Het wordt, in de derde betekenis van hetzelfde woord chevel, tot pand. Onderpand. Iets dat niet ik draag, maar dat ergens, verderop, door een ander gedragen wordt als zekerheid voor een schuld die niet de zijne is. Niet als verhaal dat wordt doorverteld — dat zou nog een keuze zijn, een taal die overgedragen wordt. Dit is stiller en harder: een last die een familielid, jaren van nu, in zich draagt zonder ooit te weten waarom, omdat een deel van het bestaan van zijn grootouders nooit is afgemeten door wie het toebehoorde. Niet omdat ik dat zou willen. Maar omdat een portie die niet wordt opgehaald door wie hem moet ontvangen, in een systeem niet leeg blijft liggen. Ze wordt ergens onderpand. Ze wordt ergens anders neergelegd, in de hoop dat het daar wordt opgepakt.
Dát is dus wat er op het spel staat als volledige aanwezigheid geen keuze is maar noodzaak. Het is niet dat afwezigheid zwak zou zijn, of laf, of moreel te kort. Het is dat ze, mechanisch, niet doet wat ze belooft. Ze maakt het niet draaglijker, integendeel. Ze maakt het juist ondraaglijk. Ze verplaatst het gewicht — naar het lichaam dat het zenuwstelsel jaren later alsnog aanspreekt, naar het systeem dat het via een omweg naar boven laat komen, naar een kind van een kind (het derde en vierde geslacht, zoals de Tien Woorden zeggen) dat een onderpand draagt waarvan het de herkomst meestal niet kent. Aanwezig blijven, wee voor wee, het koord laten lopen tot waar het werkelijk moet lopen — dat is niet de moedige weg naast de gemakkelijke. Het is de enige weg waarlangs mijn eigen, niet-overdraagbare deel van dit bestaan werkelijk van mij wordt en het dus gedragen wordt, in plaats van ergens anders te gaan liggen wachten tot iemand anders het, ongevraagd, alsnog moet dragen.
Ik weet niet of het koord al is uitgelopen. Ik weet niet waar de grens ligt. Dat is misschien ook niet iets om te weten voordat het gemeten is.
Lees verder: Het ritme onder de volheid
Serie: ‘De beker drinken van het ondraaglijke‘
1 – De geoefende weg — eromheen of erdoorheen
2 – Hineni — aanwezig, nog voor er gevraagd is
3 – Waarom volledige aanwezigheid eigenlijk geen keuze is maar noodzaak
4 – Het ritme onder de volheid
5 – De beker drinken
6 – Geen goed en kwaad
7 – Een einde dat niet sluit
8 – Het numineuze knikt
