De beker drinken
Er zijn dagen die zich niet laten beschrijven, alleen doorgaan. Deze reeks ‘De beker drinken van het ondraaglijke‘ is ontstaan uit zulke dagen — en uit de vraag die overbleef toen de gangbare woorden van troost op waren: niet hoe je het draaglijk maakt, maar hoe je er middenin gaat staan, tot op de bodem van de beker. Ik schrijf dit gravend, niet uitleggend. De lezer mag meekijken terwijl het woord voor woord, laag voor laag, opengaat — bij het lichaam, bij het oudste Hebreeuws, bij wat er gebeurt als niemand wegkijkt.
Dit is het artikel 5
Voordat er één beker wordt genoemd, staat er iets in het woord zelf: ‘kos’ komt van een wortel die samenhouden betekent. Maar de lexicografen noemen er, bijna terloops, een tweede betekenis bij: figuurlijk staat kos ook voor een lot. Een toebedeeld deel. Wat een mens krijgt toegewezen in een leven, heet in het Hebreeuws hetzelfde woord als het voorwerp waaruit hij drinkt. Psalm 16 zegt het met beide woorden naast elkaar: de Heer is het deel van mijn erfenis en mijn beker — mijn portie ís een beker. Er is, in deze taal, geen leven zonder vorm die het bijeenhoudt, en geen vorm zonder dat er iets in zit dat gedronken moet worden.
Dat is niet één beeld. Het zijn er vijf, verspreid door de hele Schrift — en daarnaast nog eens vijf, samengebracht op één avond, aan één tafel. Ze vallen niet zomaar samen. Waar ze dat wel doen, en waar niet, is precies waar dit stuk naartoe graaft.
* Er is de beker van het oordeel. Bij Jesaja 51 heeft hij een wortel die wankelen betekent — wie hem drinkt verliest de grond onder de voeten, letterlijk in de taal. Bij Jeremia gaat hij van hand tot hand, opgedrongen aan volk na volk, tot ze struikelen en niet meer opstaan. Deze beker wordt niet gekozen. Hij wordt gegeven door een macht die groter is dan wie hem ontvangt, en niemand vraagt om hem.
* Er is de beker der vertroostingen, bij Jeremia 16 — de beker die je te drinken geeft aan wie rouwt. Niet zelf klaargemaakt. Aangereikt, over de dode heen, door wie er nog wel toe in staat is. De rabbijnse traditie bouwde er later een heel gebruik op: de eerste maaltijd na een begrafenis wordt niet door de rouwende zelf bereid, maar door de buren gebracht, omdat wie rouwt geacht wordt zichzelf op die dag niet te kunnen voeden.
* Er is de beker van de overvloed, Psalm 23 — mijn beker vloeit over — niet ná het gevaar, maar aan een tafel die gedekt wordt terwijl de vijand nog toekijkt.
* Er is de beker der dankzegging, bij Paulus, de beker der zegening die wij zegenen. Verbonden met het gebroken brood, een beker die niet alleen gedronken maar gedéeld wordt, van hand tot hand nu als gemeenschap.
* Er is de beker in Gethsemane — waarover zo meer, want die laat zich niet zomaar bij een van de andere vier indelen, want deze beker is een onderdeel van Pesach.

Wat ze verbindt: het getal
Vijf bekers. Vier verschillende families — oordeel, rouw, overvloed, dankzegging — en toch één woord voor alle vier. Ik heb lang gezocht naar wat ze werkelijk verbindt, buiten het toeval van de taal om, en ik vond het niet in de betekenis van het woord, maar in de getalswaarde ervan. Kaf, waw, samech — twintig, zes, zestig (20 + 6+ 60). Zesentachtig (86). Hetzelfde getal als Elohim, God. Niet bij benadering — exact. Wat de vorm ook bevat, oordeel of troost, overvloed of dankzegging, de naam van de beker draagt zelf al het getal van wie hem vult.
Met andere woorden: er is geen beker die neutraal is ten opzichte van God, en er is ook geen beker die exclusief van Hem spreekt door wat erin zit. Het getal zit in de vorm zelf, ongeacht de inhoud.
Vijf bekers, aan één tafel
Er is een tweede plek in de Schrift waar vijf bekers samenkomen, los van de eerste vijf: de seideravond. Sederavond of seideravond is een feestavond in het Jodendom. Het is een avond aan het begin van het zeven (in Israël) of acht (buiten Israël) dagen durende Pesachfeest, waarbij de joden uit de Haggada lezen. Daar drinken ze 4 glazen wijn (of druivensap) bij en gebruiken een feestelijke sedermaaltijd.
De vijf. Genoemd naar de vijf werkwoorden van Exodus 6:
– Ik zal uitleiden (vers 6),
– Ik zal redden (vers 6),
– Ik zal verlossen (vers 6),
– Ik zal aannemen (vers 7) en Ik zal u tot een God zijn.
– Ik zal u brengen (vers 8)
Kos Kadesh, de heiliging. Kos Hamakot, bij de plagen. Kos Hage’oelah, de verlossing, geheven na de maaltijd. Kos Hallel, de aanneming, de lofprijzing.
Hoe oud — en hoe zeker. De misjna, traktaat Pesachiem, beschrijft de vier bekers als vaste orde van de sedermaaltijd. Maar de misjna zelf werd pas rond 200 na Christus vastgelegd, en of de structuur al zo vaststond in de eerste eeuw is onder geleerden niet onomstreden — sommigen zien de vier bekers als ontwikkeling ná Jezus’ tijd, anderen wijzen op Paulus’ beker der zegening (1 Korintiërs 10:16) als indirect bewijs dat de terminologie toen al bestond. Zekerheid is er niet. Wat wel vaststaat: de misjna is de oudste tekst die de vier bekers noemt, en ze beschrijft een gewoonte, geen uitvinding van dat moment.
Waar het stokt. Bij de derde beker houdt de liturgie zelf niet op. Maar in het verhaal van het laatste avondmaal wél: Hij tilt de derde op en zegt dit is Mijn bloed, het nieuwe verbond — en van de vierde: Ik zal van nu aan niet meer drinken van de vrucht van de wijnstok, totdat Ik hem nieuw met u drink in het koninkrijk van Mijn Vader. De vierde beker blijft op tafel staan. (Mattheüs 26:29)
Niet geweigerd, maar bewust opgeschort — de vierde beker, die van de voltooide verlossing en lofprijzing, kan pas gedronken worden als de verlossing zelf voltooid is. Dat is nog niet zo op het moment van de maaltijd. Vandaar dat de maaltijd, in deze lezing, letterlijk onaf blijft — Hij zingt de Hallel nog wel mee, maar drinkt de beker niet die daar normaal bij hoort.
Sommige uitleggers — met name in katholieke lezing, Scott Hahn en Brant Pitre worden vaak genoemd — leggen het verband met wat er uren later gebeurt. Aan het kruis wordt Hem zure wijn aangereikt op een hysoptak, en pas nadat Hij die heeft aangenomen zegt Hij het is volbracht (Johannes 19:30), waarna Hij sterft. In deze lezing is dát de vierde beker — niet uitgesteld tot een verre toekomst, maar wél gedronken, alleen dan aan het kruis in plaats van aan tafel. De seideravond wordt zo, letterlijk, voortgezet tot op Golgota.
De vijfde. Er volgt in de tekst zelf nog een vijfde werkwoord, direct na de andere vier: (vers 8) Ik zal u brengen naar het land dat Ik gezworen heb aan Abraham, Izak en Jakob. De Talmoed noemt dit vijfde woord als grond voor een oud geschil: vier bekers, of vijf? Dat geschil is dus ouder en anders gefundeerd dan het lijkt — niet bedacht om Elia een plek te geven, maar ontstaan uit een vijfde belofte die al in de tekst zelf stond. Pas later werd de onopgeloste vijfde beker gekoppeld aan Maleachi en aan Elia. De oplossing die overbleef, was geen beslissing maar een gebaar — de vijfde beker wordt wél ingeschonken, maar nooit gedronken. Meer daarover verderop.
Waar de twee rijen samenvallen — en waar niet
Het is verleidelijk om deze twee rijtjes van vijf naast elkaar te leggen alsof ze elkaar dekken. Dat doen ze niet. Ze raken elkaar op precies één plek, en de rest blijft eigen terrein.
De beker der dankzegging en Kos Hage’oelah zijn geen twee bekers die op elkaar lijken. Het is dezelfde beker, met twee namen — de kos shel bracha die Paulus in het Grieks aanhaalt, is letterlijk de derde sederbeker. Hier is de overlap volledig.
De oordeelsbeker, de rouwbeker, de overvloedbeker, Kos Kadesh, Kos Hamakot en de beker van Elia hebben geen tegenhanger aan de andere kant. Ze komen uit verschillende lagen van de Schrift, eeuwen en teksten uit elkaar, en het zou een goedklinkende zin zijn — geen ontdekte — om ze toch met elkaar te verbinden.

En Gethsemane. Die staat niet naast een van de vier sederbekers. Hij staat in de ruimte ertussen.
Welke beker in Gethsemane
Een bekend beeld. Toen Jezus tegen de moeder van Jakobus en Johannes zei kunnen jullie de beker drinken die Ik ga drinken (Mattheüs 20:22), vond Hij dat beeld niet uit. Het was allang gangbare taal in de profetische traditie — Jesaja 51, Jeremia 25, Psalm 75 — voor een lot dat wordt opgelegd en niet geweigerd kan worden. Marcus voegt er een tweede, verwant beeld aan toe: en de doop waarmee Ik gedoopt word (Marcus 10:38) — beker en onderdompeling, twee beelden voor hetzelfde, overspoeld worden door iets groters dan jezelf, waar je niet uit kunt stappen voordat het voorbij is. Jakobus en Johannes zeggen te snel ja. Ze herkennen het beeld en denken daarom dat ze weten wat het inhoudt.
Zelfde beker, andere drinker. Grammaticaal wijst dat woord, daar en later in de tuin, naar dezelfde beker — dezelfde referent, eerst aangekondigd op afstand, later van dichtbij aangekeken. Maar Marcus 10:39 maakt het niet één en dezelfde inhoud: jullie zullen mijn beker wél drinken, zegt Hij tegen Jakobus en Johannes. Niet identiek — Jakobus wordt onthoofd, Johannes verbannen, geen van beiden gekruisigd — maar een eigen lijden dat naar het Zijne verwijst zonder de inhoud te delen. Eén unieke beker die alleen Hij drinkt, en een afgeleide beweging waarin anderen iets van diezelfde vorm meedragen.
Wat ik eerst dacht. Ik had de beker van Gethsemane bij diezelfde, bekende familie gelegd — bij Jesaja’s tar’elah, de oordeelsbeker die van hand tot hand wordt doorgegeven. Dat is ook precies wat iedereen die het woord beker hoorde, zou verwachten.
Wat de grondtekst laat zien. In Marcus 14:36 staat alleen: neem deze beker van Mij weg. Geen naam, geen familie. Maar in Johannes 18:11, na de arrestatie, zegt Hij het scherper: de beker die de Vader Mij gegeven heeft — zou Ik die niet drinken? Gegeven. Niet opgelegd door een vijand, niet van hand tot hand doorgeschoven zoals Babel de beker van Jeruzalem ontvangt bij Jesaja. Gegeven, door een hand die Hij Abba noemt. En dan valt Psalm 16 terug op zijn plaats: mijn kos is mijn toebedeelde portie. Niet een straf van buitenaf — het eigen deel, ontvangen uit een hand die vertrouwd wordt. Datzelfde woord dat bij Jesaja de beker van de vijand is, is bij Johannes de beker van de Vader. De vorm is identiek. Wat verschilt, is van wie de hand is waaruit hij komt, en of hij wordt herkend als eigen of als vreemd.
De sedertafel maakt het scherper. Hij heeft de derde beker al gedronken — de beker der verlossing, dezelfde die Hij bij de maaltijd optilde en dit is Mijn bloed noemde — de verlossing dus al aanvaard, vóórdat bekend is wat ze gaat kosten. De vierde laat Hij staan. Wat er in de tuin gebeurt, is dan geen nieuwe, vijfde beker die opeens opduikt — het is de volle prijs van de derde, die zich pas laat kennen nadat hij al is gedronken, in de stilte vóór de vierde die nog niet gedronken kán worden.
De uitnodiging. Ze is scherper dan aanvaard wat je overkomt. Dat laat de beker een vreemde blijven, iets van buiten dat je moet doorstaan. De uitnodiging is: herken wat je te drinken krijgt als het jouwe. Niet omdat het rechtvaardig is, niet omdat het te verklaren valt — Hij vraagt immers eerst of de beker weg kan, voordat Hij zegt niet wat Ik wil — maar omdat het pas een eigen beker wordt op het moment dat iemand hem aankijkt en zegt: dit is van mij, gegeven door een hand die ik ken.
Wat dit voor een mens betekent
Een beker is, praktisch bekeken, niets anders dan een begrenzing die iets kan bevatten zonder te breken. Dat is ook wat een zenuwstelsel is. Niet toevallig hetzelfde woord voor twee verschillende dingen, maar hetzelfde principe, twee keer gevonden — één keer in taal, één keer in het lichaam. Wat een mens overkomt, wordt niet gedragen door minder te voelen. Het wordt gedragen doordat er een vorm is die het voelen kan bevatten zonder erdoor te barsten. De beker op afstand houden — met gestrekte arm, zoals eerder in dit artikel — lost dat niet op. Het verplaatst het gevoel naar een plek waar geen vorm het opvangt, en wat daar terechtkomt, wordt niet verwerkt. Het wordt opgeslagen, ongeordend, als een dreiging die nooit is afgesloten.
Er is een naam voor het moment waarop de vorm het zelf niet meer houdt: positieve desintegratie, bij de Poolse psychiater Kazimierz Dąbrowski — geen falen, maar een voorwaarde. Het uiteenvallen van de oude, vanzelfsprekende vorm is bij hem de enige weg naar een hoger niveau van persoon-zijn. Wie het vermijdt — de vorm koste wat kost intact houden — blijft op wat hij primaire integratie noemde: aangepast, functionerend, maar nooit werkelijk opengegaan. De beker die tot op de bodem wordt gedronken, is in die lezing geen ondergang. Het is de enige route naar een heelheid die niet bereikbaar is zonder eerst kapot te gaan — en dat is precies waarom lijdzaam drinken, de beker als vreemde blijven verdragen, uiteindelijk niets oplost. Het houdt de oude vorm juist krampachtig overeind.
Er schuilt ook een gevaar in de andere richting: de beker aannemen zonder hem vast te houden. Dat gevaar heeft een naam — spiritual bypassing, bij John Welwood — geestelijke taal, overgave, aanvaarding, gebruikt om precies niet te hoeven voelen wat er ligt. Al zichtbaar bij Jakobus en Johannes, die te snel ja zeiden op kunnen jullie de beker drinken. Het staat lijnrecht tegenover de eerlijke vraag die eerst moet komen: laat deze beker aan Mij voorbijgaan. Wie die vraag overslaat, drinkt niet — hij doet alsof.
Wat de vorm dan wel draagbaar maakt, is niet de zwaarte van de inhoud maar de houding ertegenover — niet het lijden zelf bepaalt of een mens eronder bezwijkt, maar of het hem overkomt, of hij het op zich neemt. Zo verwoordde Victor Frankl het, zonder ooit over bekers te spreken. Precies het onderscheid dat dit hele artikel draagt.
En misschien is dat wat de grondtekst al wist, voordat er een woord voor bestond. Kos betekent, in dezelfde adem, zowel de bedding als het toebedeelde lot. Een mens overleeft niet door minder te dragen. Hij overleeft door de vorm te vinden die het draagbaar maakt — en die vorm is, zoals de hele Schrift het laat zien, nooit iets dat je alleen vasthoudt.
De beker die niemand drinkt
Wat hij niet is. Geen extra sederbeker die iemand ooit drinkt. Er wordt wijn ingeschonken, elk jaar opnieuw, en hij wordt nooit leeggedronken — niet dit jaar, niet vorig jaar, in geen enkel jaar sinds dit gebruik bestaat.

Waarom hij er dan staat. De laatste twee zinnen van het Oude Testament, Maleachi, zeggen dat vóórdat de grote dag van de Heer komt, Elia wordt gestuurd — en dat hij één ding doet: het hart van de ouders terugbrengen naar de kinderen, en het hart van de kinderen naar de ouders. Niet oordeel aankondigen. Verzoening tussen generaties. Dat is het laatste wat in dat hele boek gezegd wordt, vlak voordat het zwijgt.
Systemisch gelezen. Wat hier gebeurt is de kleinst mogelijke uitvoering van wat Bert Hellinger het hardnekkigst noemde: wat in een systeem niet erkend wordt, zoekt erkenning over generaties heen. Er wordt een stoel vrijgehouden en een beker gevuld voor wie er niet is, bij een tekst die met name over ouders en kinderen gaat. Niemand, ook wie ontbreekt, wie te vroeg is gegaan, wie nog moet komen, wordt buiten het systeem gehouden. Er wordt een plek voor hem opengehouden — niet als herinnering aan een afwezige, maar als erkenning dat het systeem niet compleet is zonder hem.
Wat er op de avond zelf gebeurt. Er staat een extra stoel. Er wordt een deur opengezet. Iedereen kijkt naar die deur, in de verwachting — niet de zekerheid — dat hij ooit een keer echt opengaat. De beker is dus niet symbolisch voor iets dat al gebeurd is, zoals de andere vier. Hij is symbolisch voor iets dat nog niet gebeurd is, en het enige bewijs dat het ooit gebeuren zal, is dat mensen het jaar na jaar blijven verwachten.
Waarom dat zo moeilijk te snappen is. Alle andere bekers in dit artikel hebben een moment: gedronken, geheven, geweigerd, aangereikt. Die van Elia heeft geen moment. Hij is de enige beker die zijn hele betekenis ontleent aan wachten, niet aan drinken. Een lege handeling — inschenken zonder ooit te drinken — die alleen zin heeft omdat hij herhaald wordt.
Wat dat vraagt, en wat het schenkt
Wat het vraagt. Het instinct van een mens gaat de andere kant op. Pijn wordt liever buiten jezelf gehouden — iets wat je overkomt, iets vreemds, iets dat op een dag weer weggaat als een indringer die zijn plek nooit had. Dat is precies wat een beker niet drinkt: wie de inhoud op afstand houdt als iets wat hem eigenlijk niet toebehoort, drinkt niet, hij verduurt alleen — en verduren went nooit. Het wordt met de jaren zwaarder, niet lichter.
Wat het vraagt is dus niet dapperheid en niet overgave in de gewone zin van het woord. Het is een erkenning die dieper gaat dan allebei: dit specifieke, dit ondraaglijke, is niet zomaar iets dat mij treft — het is mijn kos, mijn toebedeelde deel, met mijn naam erop, en het komt uit een hand die ik, ondanks alles, nog altijd Abba durf te noemen. Dat is geen berusting. Berusting laat de beker een vreemde blijven en verdraagt hem alleen. Dit is iets anders: het moment waarop iemand de volle inhoud aankijkt, hem bij naam noemt tegenover degene die hem gaf, en hem dan pas tot de bodem drinkt.
Lijdzaam, of in volle verantwoordelijkheid.
De grens ligt niet in wat er gedronken wordt, maar in drie dingen die er wel of niet bij komen.
* Lijdzaam, als slachtoffer: de beker blijft een vreemde. Hij wordt overkomen, verdragen, op afstand gehouden als iets dat eigenlijk niet bij je hoort — een gestrekte arm. Er wordt niet gevraagd wie hem geeft, en er wordt niet teruggesproken tegen wie hem aanreikt. Het enige wat er gebeurt, is wachten tot het voorbij is: neus dicht, ogen dicht. Dat is berusting: verdragen zonder ooit te erkennen.
* In volle verantwoordelijkheid zitten drie bewegingen, en alle drie moeten er zijn — mist er één, dan is het geen volle verantwoordelijkheid meer.
1) de eerlijke vraag. Vader, laat deze beker aan Mij voorbijgaan — dat komt eerst, niet als zwakte maar als voorwaarde. Wie die vraag overslaat en meteen berust, verdringt iets, en verdrongen dingen worden niet gedronken, ze worden alleen weggeslikt.
2) de erkenning: dit is van mij. Dit artikel opende al bij Gethsemane — niet dit overkomt mij, maar mijn kos, mijn toebedeelde deel. Jakobus en Johannes slaan deze stap juist over: ze zeggen te snel ja op kunnen jullie de beker drinken, en nemen iets aan zonder het zich eigen te maken — bravoure in plaats van eigendom. Een derde vorm, geen van beide: niet lijdzaam, maar ook niet echt verantwoordelijk, omdat het gewicht nog ontbreekt.
3) de richting waarin gesproken wordt: niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt — gericht tot een hand die bij naam wordt genoemd, Abba, niet een macht in het algemeen. Volle verantwoordelijkheid drinkt dus niet alleen zelf, maar drinkt tegenover iemand.
Lijdzaam drinken heeft geen adressant en geen erkenning, alleen verduren. Volle verantwoordelijkheid heeft alle drie: de eerlijke vraag vooraf, de erkenning als eigen, en het gericht zijn tot degene die geeft.
Wat het schenkt.
Hetzelfde getal waarmee dit stuk begon. Zesentachtig, of de beker nu van oordeel is of van troost, van overvloed of van overgave — de vorm zelf draagt altijd al het teken van wie hem vult. Er bestaat geen beker die buiten dat bereik valt, ook niet de bitterste, ook niet de vierde die nog op tafel staat, ook niet de vijfde die nooit leegraakt. De draagkracht zit niet in het lichter maken van de inhoud, en niet in het wegkijken van wat erin zit. Ze zit in het volledig, tot op de droesem, herkennen van de beker als eigen — en in het besef dat sommige bekers pas jaren later, of nooit in dit leven, worden leeggedronken, en toch, jaar na jaar, opnieuw worden ingeschonken.
Ik denk aan het moment waarop een beker wordt aangereikt aan wie rouwt, en aan het moment waarop diezelfde mens hem op een dag zelf weer opheft aan een tafel, tegenover wat hem overkomen is, en merkt dat hij overvloeit. Geen scharnier tussen die twee momenten. Eén vorm, één woord, één getal — en de bodem is bij allebei even diep.
Lees verder: Geen goed en kwaad
Serie: ‘De beker drinken van het ondraaglijke‘
1 – De geoefende weg — eromheen of erdoorheen
2 – Hineni — aanwezig, nog voor er gevraagd is
3 – Waarom volledige aanwezigheid eigenlijk geen keuze is maar noodzaak
4 – Het ritme onder de volheid
5 – De beker drinken
6 – Geen goed en kwaad
7 – Een einde dat niet sluit
8 – Het numineuze knikt
