Het numineuze knikt
Zeven keer schreef ik zonder afstand, in de uren zelf. Dat was geen vormkeuze maar de enige manier om het scherpe niet minder scherp te maken. Dit is de negende tekst, en de eerste die ná die uren komt — en daarmee de eerste met afstand. Niet om alsnog glad te strijken wat rauw werd opgeschreven, maar omdat er bij het terugkijken iets naar boven komt dat ik in het moment niet kon zien, en waarvoor ik toen geen woord had. Hij hoort niet in de reeks van zeven thuis; hij staat ernaast, als terugblik. En hij maakt niet dicht wat de zevende tekst heeft opengelaten. Hij draagt die opening alleen verder — naar een plek waar ik haar eindelijk kan benoemen zonder haar te sluiten.

— het heilige diende zich aan op de plek waar mijn wil ophield
Numineus — het klinkt als iets dat ik zou voelen. De huivering voor het grote, het ontzag dat je overvalt in een lege kerk of aan een sterfbed. Alsof het numineuze een emotie is die in mij opkomt. Maar het woord zegt iets anders. De duits luthers theoloog en filosoof Rudolf Otto (1869 – 1937) nam het uit het Latijnse numen, en numen is geen gevoel. Het is een knik. De lichte beweging van een goddelijk hoofd, een teken van instemming van de andere kant. Van nuere — knikken.
Dat draait alles om. Niet ik huiver eerst en noem dat dan heilig. Er wordt eerst geknikt, en mijn huivering is het tweede, het antwoord. Het numineuze is niet wat er in mij gebeurt. Het is wat er naar mij toe gebeurt, voordat ik iets doe.
En dat is precies wat er die dagen van diepe rouw gebeurde. Ik heb niet besloten om te schrijven terwijl het gebeurde. Er was geen moment waarop ik koos voor aanwezigheid in plaats van afstand. Het schreef zichzelf door de uren heen, en pas veel later, toen het al op papier stond, begreep ik dat ik erin had gestaan zonder dat ik de deur had opengedaan. Iemand had geknikt. Ik antwoordde pas daarna.
Aangesproken voordat ik iets kon kiezen
Er is een woord voor dat antwoord, en het staat overal in de tekst waar een mens door God bij de naam wordt geroepen. Hineni. Hier ben ik. Abraham zegt het (Genesis 22: 1, 7, en 11), Mozes zegt het bij de braamstruik (Exodus 3:4), Samuël zegt het in het donker als hij nog niet weet wie hem wekt (1 Samuël 3: 4, 5, 6, 8, 9 en 10), Jesaja zegt het voordat de opdracht is uitgesproken (Jesaja 6:8).
Abraham en Mozes antwoorden op een roep die hen bij de naam noemt. Samuël is al beschikbaar voordat hij het adres kent; zijn hineni is er eerder dan zijn herkenning, en dat is misschien wel de zuiverste vorm — aanwezigheid die niet weet waarvoor. En Jesaja springt in de opening zelf, ongevraagd. Steeds staat het woord vóór de inhoud, maar de plek waar het vandaan komt verschuift: van geroepen, via verkeerd verstaan, naar uit zichzelf aangeboden.
En steeds is de volgorde dezelfde, en die volgorde is het hele geheim: eerst de naam, dan hineni, en pas dáárna waarvoor. De aanwezigheid komt vóór de inhoud. Je zegt hier ben ik terwijl je nog niet weet waarvoor je er bent.
Moed veronderstelt dat je weet wat er op je afkomt en er tegenin gaat. Dat is het niet! Hineni weet nog niets. Het is aanwezigheid zonder tussenlaag, gegeven voordat er iets te overwinnen valt. En dat kan alleen omdat het niet in het hoofd gebeurt. Tachtig procent van het verkeer tussen lichaam en brein loopt van beneden naar boven — de nervus vagus tast de organen af en meldt naar boven wat er is, niet andersom. Het lichaam heeft al geantwoord voordat de cortex een zin heeft. Hineni wordt in de buik gezegd. Het hoofd hoort het pas als het al klinkt en kan het vaak niet begrijpen.
Zo wordt de knik beantwoord door een lichaam dat eerder present was dan ik. Niet omdat ik sterk was — en niet omdat er in mijn vroege jaren iemand is gebleven toen het gevoel te groot werd. Die iemand heb ik niet gehad. Wat mijn lichaam heeft leren doen, heeft het later geleerd, en door mijn eigen inzet: jaren persoonlijke ontwikkelingswerk, schaduwwerk, gedaan met al mijn vezels. De weg erdoorheen is nooit een wilsbesluit op het moment zelf. Maar het spoor dat die weg mogelijk maakt, heb ik zelf teruggelegd. Niet omdat ik sterk ben, maar omdat ik leerde antwoorden wat het leven vroeg: bij verlies van gezondheid, van werk, van partnerschap, van gewilde kinderen, van huis en haard, van mijn zelfbeeld, van mijn toekomst, van het niet-geleefde leven…
Wat het kostte om niet te hoeven kiezen
Teruggelegd is nog te licht gezegd voor wat het vroeg. Een zenuwstelsel ligt niet vast, maar het herbouwen ervan gaat niet met inzicht — het gaat met afdalen. Schaduwwerk is dat: niet het licht opzoeken, maar teruggaan naar de plek waar het ooit te veel werd en waar ik mezelf heb achtergelaten, en het daar opnieuw voelen, erkennen — nu, met alles erbij — tot het lichaam ontdekt dat wat toen niet te dragen was, nu wél te dragen valt. Zo wordt, fractie voor fractie, de oude verwachting herschreven dat voelen gevaarlijk is. Dat is geen inzicht dat je één keer hebt. Het is werk, en het heeft jaren geduurd.
Het antwoord dat er in de crisis uitzag alsof het geen beslissing nodig had — hineni, meteen, zonder tegenstand — is juist het antwoord dat het langst heeft gekost om mogelijk te worden. De knik komt van buiten. Maar dat ik hem kon beantwoorden zonder te versplinteren, is de vrucht van dat lange werk. Was het vat niet verbreed, dan had hetzelfde licht het alleen gebroken. Aanwezig blijven in het ondraaglijke bewijst niet dat het licht zachter was. Het bewijst dat het vat wijd genoeg was gemaakt — en dat verwijden was noeste arbeid.
De Nederlandse theoloog, Tjeu van den Berk (1938) noemt het numineuze een grondervaring: iets dat onder onze begrippen ligt en er niet uit voortkomt. In een ander boek volgt hij die grond helemaal naar beneden, tot in de hersenstam, de basisfuncties, de psychosomatische bodem waar lichaam en spiritualiteit niet meer te scheiden zijn. Daar raakt hij wat ik aan den lijve heb ondervonden: persoonlijke ontwikkeling is geen laagje inzicht dat je bovenop jezelf legt. Het is het trage herbouwen van de bodem zelf — tot in de oudste lagen van het lichaam — waaruit hineni pas kan opstaan. De knik daalt neer, maar hij daalt neer in een vat dat is gebouwd om hem te dragen.
Wat trilt, is het heilige
Otto noemde de kern van het numineuze mysterium tremendum. En tremendum is geen deftig woord voor ontzagwekkend. Het komt van tremere, beven. Het huiveringwekkende is letterlijk het bevende — iets dat het lichaam doet trillen. Het heilige wordt niet in de gedachte geregistreerd maar in de rilling onder het middenrif, in de organen, in de plek die de Hebreeuwse tekst aanwijst als de zetel van de waarheid: Hij die de nieren en het hart beproeft (Jeremia 11:20, Jeremia 17:10, Jeremia 20:12, Psalm 7:10, Psalm 26:2). Niet het verstand. De ingewanden.
En hier keert Van den Berk terug, want het bevestigt wat onder de eerdere lagen al lag: dezelfde hersenstam die hij de bodem van het spirituele noemt, bestuurt precies dít — de adem, de hartslag, het beven, het bevriezen — de basisfuncties waar geen wil bij kan. Het numineuze wordt daar geregistreerd omdat dat de enige plek is die niet kan liegen en niet kan kiezen. Wat van beneden naar boven meldt, meldt eerder dan ik het weet. De knik die voorafgaat aan het antwoord en de trilling die de waarheid draagt, komen door dezelfde poort binnen: de oudste, onwillekeurige verdieping van het lichaam, waar het heilige eerder aankomt dan het hoofd.
Dus wat wij een inzinking noemen na een te grote gebeurtenis, is misschien geen zwakte en zeker geen geloofscrisis. Elia die onder de bremstruik gaat liggen en wil sterven, vlak nadat hij op de Karmel het vuur heeft zien vallen — dat is geen man die zijn God kwijt is. Dat is een lichaam dat de naschok draagt van een aanraking die te groot was om heel te blijven staan. Het beven is niet het tegendeel van de ontmoeting. Het beven is de ontmoeting, die in het weefsel na-ijlt. Tremendum. De waarheid zit onder het middenrif, en ze trilt daar nog dagen na.
Twee handen
Het misverstand is dat het numineuze straalt, gelijkmatig, als een licht dat blijft schijnen zodra het is aangegaan. Maar Otto zette naast het huiveringwekkende meteen het aantrekkende — tremendum et fascinans, in één adem, niet als twee gescheiden ervaringen. Het stoot af en het trekt aan, tegelijk. Dat is geen tegenspraak. Dat zijn de twee handen van dezelfde knik.
De mystiek kent die dubbele beweging vanaf het eerste begin. God schept niet door te vullen maar door zich terug te trekken — tzimtzum, de samentrekking die ruimte maakt. De eerste goddelijke daad is een stap naar achteren. De knik is dus óók een terugtrekken; het teken van instemming maakt tegelijk leegte waarin iets anders kan bestaan. En het schepsel beweegt mee in dat ritme: het toe-en-af van de levende wezens bij Ezechiël (1:14), dat in ons is neergelegd als in- en uitademen, als het aan- en afslaan van het zenuwstelsel. Verlangen dat uitreikt, en terugkeert omdat het anders verbrandt. In Ezechiël gaat het over heen en terug, uitschieten en terugkomen, met de snelheid van een lichtflits. Uitreiken naar de bron en terugkeren in het eigen vat.
Zwaar verdriet komt daarom nooit in één stuk. Het komt in golven met pauzes ertussen, en die pauzes zijn geen onderbreking van het verdriet maar de vorm ervan — de enige vorm waarin een lichaam iets kan dragen dat groter is dan zijn omvang. De bedding is niet wat het verdriet tegenhoudt. De bedding is wat de golf laat komen en weer laat zakken, zodat je er niet in verdrinkt. De vraag is nooit of je bedding sterk genoeg is. De vraag is of er, telkens opnieuw, na het ontvangen ook echt weer werd ingeademd.
Zesentachtig
En dan is er de plek waar het niet meer op te delen valt. Het woord voor beker, kos, telt in zijn letters tot zesentachtig. Het woord Elohim, God, telt tot zesentachtig. Onder de letters is de beker van het ondraaglijke hetzelfde getal als de Naam. Niet een beker die God je aanreikt — de beker die, in zijn maat, samenvalt met Hem.
Dit is geen vondst. Dit is de plek waar Otto’s twee woorden in elkaar schuiven tot één. Het huiveringwekkende en het heilige blijken hier geen twee dingen die je uit elkaar kunt trekken om er een oordeel tussen te schuiven. “Geen goed en kwaad in het gebeuren zelf” — niet omdat er niets ergs gebeurde. Integendeel. Wat er gebeurde was onverdraaglijk, hartverscheurend. Maar op die diepte laat de inhoud van de beker zich niet meer scheiden van het heilige dat er dezelfde maat mee deelt. Je kunt niet zeggen: dit deel was God en dat deel was het kwaad. Het is één getal. Daar houdt de moraal op! Hier gaat het níet meer over zo hoort het en zo moet het, niet omdat ze wordt overwonnen, maar omdat ze geen bedding meer krijgt voor wat te dicht bij de wortel ligt.
Het vat dat breekt
Maar een knik van die grootte is gevaarlijk. In de joodse mystiek is de schepping begonnen met vaten — kelim — waarin het goddelijke licht werd gedoseerd. En de vaten braken. Het licht was te veel voor de vorm die het moest dragen, en de vaten versplinterden, en de vonken — nitzotzot — vielen uiteen in de scherven. Sjevirat ha-kelim, het breken van de vaten. Zo kwam het licht in de wereld: niet in gave vormen, maar in scherven die een vonk vasthouden.
Dat is wat het numineuze met een mens doet. Het is licht dat de maat van het vat te boven gaat. Het breekt iets. En de vergissing van bijna alle troost is dat ze het vat te snel wil lijmen — de scherf gladstrijken, de breuk wegwerken, het scherpe minder scherp maken zodat het weer draagbaar lijkt. Welwood noemde dat de geestelijke omweg: spiritualiteit gebruikt als verdoving, om niet te hoeven staan waar het pijn doet. De omweg heelt te vroeg. En wat te vroeg heelt, begraaft de vonk onder de korst.
Kazimier Dąbrowski durfde te zeggen dat wat eruitziet als instorting in werkelijkheid een ontbinding kan zijn die naar boven reorganiseert — desintegratie als voorwaarde voor een hogere ordening, niet als ziekte. Maar alleen als ze niet voortijdig wordt dichtgemaakt. De scherf die scherf blijft, houdt zijn vonk. Thomas steekt zijn vinger in een wond die wond blijft — geen litteken dat met de jaren vervaagt, maar een opening die zichtbaar en aanraakbaar blijft, en juist daarom iets doorlaat. Het gebroken vat is niet het falen van het heilige. Het breken is hoe de vonk vrijkwam.
Een knik die niet terugkomt in een sluitend antwoord
De stroom waarin wij leven wil dat alles betekenis wordt. Dat verlies wordt verwerkt, dat pijn wordt geïntegreerd, dat er groei uit voortkomt en dat je aan het eind kunt zeggen wat het je heeft gebracht. De mens als eigenaar en beheerder van zijn eigen ervaring, die ook het ondraaglijke uiteindelijk omzet in iets bruikbaars.
Maar de knik kwam niet uit mij, en hij antwoordt niet aan mijn behoefte om af te sluiten. Een einde dat sluit zou bewijzen dat ik het numineuze had getemd — teruggebracht tot een inzicht, iets van mijn eigen maaksel. Het sluit niet. De beker van Elia wordt elk jaar opnieuw ingeschonken en nooit leeggedronken; hij staat op tafel als een verwachting die open blijft, over de generaties heen. Ik weet niet wat de knik betekende. Ik weet alleen dat er is geknikt, van de andere kant, en dat die knik niet is teruggenomen — en dat het niet aan mij is om te zeggen waar hij op uitloopt.
Serie: ‘De beker drinken van het ondraaglijke‘
1 – De geoefende weg — eromheen of erdoorheen
2 – Hineni — aanwezig, nog voor er gevraagd is
3 – Waarom volledige aanwezigheid eigenlijk geen keuze is maar noodzaak
4 – Het ritme onder de volheid
5 – De beker drinken
6 – Geen goed en kwaad
7 – Een einde dat niet sluit
8 – Het numineuze knikt
Lees ook:
* Waarom elk verlies om rouw vraagt
* Waarom mannen en vrouwen verschillend rouwen
* Hoe mannen en vrouwen verschillend rouwen
* Rouwtaken en rouwfasen