De geoefende weg
Er zijn dagen die zich niet laten beschrijven, alleen doorgaan. Deze reeks ‘De beker drinken van het ondraaglijke‘ is ontstaan uit zulke dagen — en uit de vraag die overbleef toen de gangbare woorden van troost op waren: niet hoe je het draaglijk maakt, maar hoe je er middenin gaat staan, tot op de bodem van de beker. Ik schrijf dit gravend, niet uitleggend. De lezer mag meekijken terwijl het woord voor woord, laag voor laag, opengaat — bij het lichaam, bij het oudste Hebreeuws, bij wat er gebeurt als niemand wegkijkt.
Dit is het artikel 1
Eromheen of erdoorheen
Er zijn twee wegen die een mens kan nemen als het onverdraaglijke zich aandient, en de meeste mensen kennen er maar één, zonder te weten dat er een tweede bestaat.
Het onverdraaglijke kondigt zich nooit aan. Het is niet iets waarvoor je je voorbereidt zoals je je voorbereidt op een operatie, een verhuizing, een afscheid dat je kunt zien aankomen. Het onverdraaglijke valt binnen. Er is een moment vóór, waarin de wereld nog gewoon is, en een moment daarna, en tussen die twee zit geen overgang waarin je jezelf hebt kunnen wapenen. Dat is misschien wel de eerste wond die het slaat, nog voor de eigenlijke pijn: het feit dat er geen tijd was om te kiezen hoe je het zou dragen.
De weg die al ligt
En toch sta je niet met lege handen op het moment dat het gebeurt. Er ligt al een weg klaar, aangelegd zonder dat je het wist, door alles wat je daarvoor met jezelf hebt gedaan of niet hebt gedaan. Niet omdat je op deze specifieke ramp had geoefend. Maar omdat elk moment waarop je eerder, in kleinere dingen, koos voor vluchten (eromheen), vechten of bevriezen (de overlevingsmechanismen die het kind nodig had om te overleven), of voor de volwassenheid die heeft geleerd dat erdoorheen ook een weg is — een spoor heeft achtergelaten. Als het onverdraaglijke zich aandient, grijpt het lichaam terug op die instrumenten die het leven eerder al heeft aangereikt. Een gewoonte van het lichaam. Een reflex van de ziel.
Want wie gewend is geraakt aan het inslikken van kleine teleurstellingen — de opmerking die pijn deed en niet werd uitgesproken, het verdriet dat werd weggewerkt met een agenda die alweer vol zat, de tranen die werden ingeslikt en opgehouden tot achter een deur — heeft daarmee, jaren voordat het onverdraaglijke zich meldt, al een omleiding aangelegd. Een pad dat automatisch aftakt zodra het te veel wordt. Op het moment zelf voelt die omleiding niet als een keuze. Ze voelt als vanzelfsprekend, als hoe je nu eenmaal bent, als karaktersterkte zelfs. Maar het is een weg die al lag, ingesleten, lang voor de wee die haar nu zou moeten gebruiken. De weg die je heeft leren overleven als slachtoffer, aanklager of redder van anderen.
De eerste weg is de weg eromheen, zo moest het kind doen, anders zou het niet overleven. Ze voelt niet als vluchten. Ze voelt als overleven, als sterk zijn, als je rug rechten en verder gaan. Er wordt over gepraat in de taal van veerkracht — je erdoorheen slaan, het hoofd koel houden, dapper zijn, de dagen aaneenrijgen totdat het draaglijker wordt. Niemand kiest deze weg bewust. Hij kiest zichzelf, in het lichaam, op het moment dat het onverdraaglijke te groot wordt om aan te kijken. Er wordt iets ingehouden, ergens net onder de oppervlakte, en dat inhouden voelt als kracht.
Wat er werkelijk gebeurt als je eromheen gaat, is dit: er ontstaat een splitsing in jou. Een klein stuk van jezelf dat niet meegaat, dat op afstand blijft staan en toekijkt hoe de rest van jou het doet. Die splitsing voelt op het moment zelf als bescherming. Later blijkt hij de plek te worden waar je breekt — niet omdat er te veel gebeurd is, maar omdat dat deel nooit is opgehaald en aangekomen op de plek waar het gebeurde.
De tweede weg – de volwassene weg, die weet dat hij gelopen moet worden stap voor stap – heeft geen naam in het gewone spreken, en dat is veelzeggend. Voor overleven, doorzetten, sterk zijn — daar is taal voor, rijkelijk. Voor de weg erdoorheen, zonder rand met alle vezels, zonder een deel dat toekijkt, is er bijna niets. Alsof de taal zelf ook liever eromheen gaat.

Waarom raakt een mens gewend aan de omleiding?
Een kind dat iets voelt — angst, verdriet, een overweldiging die te groot is voor het lichaam dat het op dat moment heeft — is voor het verwerken van dat gevoel afhankelijk van een ánder lichaam. Niet van woorden, niet van uitleg. Van een arm, een blik, een aanwezigheid die het gevoel mee helpt dragen totdat het zenuwstelsel van het kind zelf groot genoeg is om het alleen te doen. Wat er niet gebeurt op het moment dat dat kind huilt en er geen arm komt, of wat er wél gebeurt wanneer het kind moet ophouden voordat het klaar is met voelen, is dit: het zenuwstelsel leert dat het gevoel zelf het gevaar is. Niet de gebeurtenis die het gevoel opriep. Het voelen zelf.
Dat is geen keuze van het kind. Er is geen moment waarop het kind besluit voortaan minder te voelen. Het lichaam regelt het zelf, onder de laag van bewustzijn, als overlevingsmechanisme — precies zoals een wond een korst vormt zonder dat er iemand voor kiest. De omleiding is dus geen karaktertrek en geen zwakte. Ze is een litteken van het zenuwstelsel op een moment waarop er niemand was om het gevoel mee te dragen.
Wat er in dat kind ontstaat, is een verwachting, ingeslepen in het lijf zelf: dit gevoel, op deze grootte, wordt niet gedragen. En vanaf dat moment doet het lichaam zelf het werk waarvan het ooit geleerd heeft dat niemand anders het zou doen — het houdt in, voor het te groot wordt, voordat er weer een keer niemand is. Het leert vluchten, vechten of bevriezen.
Dat verklaart iets wat anders onbegrijpelijk blijft: waarom een volwassen mens, decennia later, op het moment van het werkelijk onverdraaglijke, zich niet plotseling anders gedraagt dan hij zijn hele leven al deed. De omleiding activeert niet omdat de volwassene laf is of vermijdend van karakter. Ze activeert omdat het lichaam, onder in de kelder van het zenuwstelsel, nog steeds rekent met de oude verwachting: dit wordt niet gedragen, dus ik houd het zelf al in voordat het te veel wordt.
Maar het zenuwstelsel is niet star. Elke keer dat een volwassen mens, in het kleine, een gevoel wél laat komen waar iemand bij is, en ontdekt dat het gedragen wordt — niet weggenomen, niet opgelost, maar gedragen — herschrijft dat de oude verwachting een fractie. Niet door inzicht. Door herhaalde, belichaamde ervaring. Het lichaam leert langzaam een nieuwe zin: dit weegt, en het wordt gedragen. Dat is de weg die vrij gemaakt wordt, niet door wilskracht, maar uit een reeks kleine, belichaamde momenten waarin het gevoel niet alleen bleef.
Geen wilsbesluit
Dat betekent dat de weg erdoorheen, op het moment van het werkelijk onverdraaglijke, nooit een wilsbesluit is. Er is geen mens die op het ergste moment van zijn leven besluit: nu ga ik het er wél doorheen doen. Wat er gebeurt op dat moment is dat het zenuwstelsel terugvalt op wat het al kent. Als het al eerder, in het klein, geleerd heeft dat voelen gedragen wordt, dan is er doorheen op het grote moment geen heldendaad. Het is de enige weg die het lichaam nog kent. En als het dat niet eerder geleerd heeft, dan is de omleiding, op het grote moment, evenmin een falen. Het is het enige pad dat er ligt.
Dit verschuift iets fundamenteels aan hoe naar hen gekeken moet worden die de beker tot op de bodem weten te drinken zonder eromheen te gaan. Het is geen kwestie van sterker zijn dan een ander. Het is geen kwestie van beter zijn dan een ander. Het is een lichaam waarin, op onbekende momenten, iemand is gebleven toen het gevoel te groot werd. Of omdat men zijn persoonlijke ontwikkelingswerk, zijn schaduwwerk ging doen op die kleine momenten die zich lieten zien, toen men volwassen was. En een vraag die nooit meer weg te denken is, eenmaal gesteld: welke wegen heb ik zelf, in het onbeduidende van elke dag, al opengehouden of laten dichtgroeien, lang voordat ik wist dat ik ze ooit nodig zou hebben.
Lees verder: hineni
Serie: ‘De beker drinken van het ondraaglijke‘
1 – De geoefende weg — eromheen of erdoorheen
2 – Hineni — aanwezig, nog voor er gevraagd is
3 – Waarom volledige aanwezigheid eigenlijk geen keuze is maar noodzaak
4 – Het ritme onder de volheid
5 – De beker drinken
6 – Geen goed en kwaad
7 – Een einde dat niet sluit
8 – Het numineuze knikt