Hineni
Er zijn dagen die zich niet laten beschrijven, alleen doorgaan. Deze reeks ‘De beker drinken van het ondraaglijke‘ is ontstaan uit zulke dagen — en uit de vraag die overbleef toen de gangbare woorden van troost op waren: niet hoe je het draaglijk maakt, maar hoe je er middenin gaat staan, tot op de bodem van de beker. Ik schrijf dit gravend, niet uitleggend. De lezer mag meekijken terwijl het woord voor woord, laag voor laag, opengaat — bij het lichaam, bij het oudste Hebreeuws, bij wat er gebeurt als niemand wegkijkt.
Dit is het artikel 2
Aanwezig, nog voor er gevraagd is
En als het onverdraaglijke zich dan aandient, op zijn aller onverwachts, willen we troost brengen bij hen die het overkomt. We weten wat er gezegd wordt/moet worden. De woorden liggen klaar, alsof ze ergens in een gedeeld archief bewaard worden, toegankelijk voor iedereen op het moment dat er niets meer te zeggen valt. Sterkte. Moed. Kracht. Troost van Boven. En, na verloop van tijd, de zin die het meest wordt uitgesproken en het minst wordt doorleefd: het zal ooit zijn betekenis krijgen.
Ze zijn niet oneerlijk bedoeld. Ze komen voort uit liefde en uit het goede bedoelen voort — de wens dat een ander niet hoeft te dragen wat te zwaar is om te dragen. Maar er zit iets in die woorden dat ik nu, na wat er in mijn leven is gebeurt en in de afgelopen dagen is gebeurd in het leven van mijn kind, niet meer onopgemerkt kan laten: ze wensen allemaal een vorm van hulp bij het dragen. Kracht om het aan te kunnen. Moed om het te doorstaan. Troost om het te verzachten. Betekenis, ooit, om het draaglijk te maken met terugwerkende kracht. Stuk voor stuk woorden die iets tussen de mens en het onverdraaglijke in plaatsen — een kracht, een troost, een betekenis — als een laag die het scherpe wat minder scherp moet maken.
Wat deze wensen doen is niet fout. Ze zijn een reflex van iedereen die zelf niet weet hoe het onverdraaglijke rechtstreeks aan te gaan, en die daarom het enige aanbiedt wat hij kent: iets om ertussen te zetten. Kracht ertussen. Troost ertussen. Betekenis ertussen, als een belofte dat het er ooit voor zal goedmaken. Het is de taal van de weg eromheen, uitgesproken door mensen die van hárte het beste willen voor wie er middenin staat — en die daarmee, zonder het te beseffen, precies de omleiding aanbieden waar het lichaam toch al naar neigt te grijpen.
Wat ik de afgelopen dagen heb gezien was geen kracht die ergens vandaan kwam om het draaglijk te maken. Er was geen troost die het scherpe verzachtte. Het was geen betekenis die al zichtbaar werd, vooruitlopend op een later moment waarop het geheel zin zou krijgen. Het was iets anders, en ik heb er geen gangbaar woord voor gevonden — alleen woorden uit een traditie die veel ouder is dan onze troostformules, en die nooit heeft beloofd dat het draaglijk zou worden. Die traditie stelt een andere vraag. Niet: hoe maak ik dit draaglijk? Maar: hoe ga ik hier middenin staan, zonder rand, zonder tussenlaag, tot op de bodem van de beker?
Overgave
Er is een woord dat zich als vanzelf aandient zodra je probeert te beschrijven wat er gebeurt op het moment dat iemand niet omheen gaat: overgave. En het is precies dat woord waarvan ik nu denk dat het misleidt, omdat het een beweging suggereert die hier niet plaatsvindt.
Overgave, in het gewone spreken, betekent: het verzet staken. Er was een wil die tegen iets in ging, en die wil legt het af, en wat overblijft is een soort laten-gebeuren. Dat is een reële beweging, en ze bestaat, maar ze is niet wat er gebeurt bij het drinken van de beker tot op de bodem. Want overgave veronderstelt een mens die eerst tegenover de gebeurtenis stond, en die zich vervolgens, na strijd, gewonnen geeft. Er blijft in dat woord altijd een spoor van de strijd zichtbaar — het residu van verzet dat is opgegeven.
Wat ik zoek is geen woord voor het opgeven van verzet. Ik zoek een woord voor een mens die nooit tegenover de gebeurtenis heeft gestaan.
Hineni
Bij Abraham, op de berg, drie dagen onderweg met zijn zoon, is er een moment waarop God hem roept bij naam. Niet met een vraag. Alleen de naam. En het antwoord dat volgt is niet “ja, ik luister,” en niet “wat wilt U van mij” — het is één woord: hineni. Hier ben ik. Geen inhoud, geen belofte, geen verklaring van bereidheid. Alleen aanwezigheid, uitgesproken voordat bekend is waarvoor.
Wat er in dat antwoord zit, is een mens die zich volledig beschikbaar stelt vóórdat hij weet wat er gevraagd gaat worden. Dat is het tegenovergestelde van overgave. Overgave komt ná het zien van wat er komt, als reactie erop. Hineni gaat eraan vooraf. Het is geen antwoord op de beproeving — het is de staat van waaruit de beproeving kan binnenkomen zonder dat er iets tussen zit. Geen splitsing die eerst moet worden afgebroken voordat het gevoel kan landen. Er was geen splitsing van de ziel. Er was alleen aanwezigheid, uitgesproken bij de naam.
Tussenin vraagt oefenen
Tot nu toe heb ik hineni beschreven als iets wat een mens doet — zich beschikbaar stellen, zich opstellen — en dat is een woord van de wil, van de daad. Maar eigenlijk vind het merendeel van het gesprek tussen lichaam en brein van beneden naar boven plaats en is er geen rust te denken vanuit het hoofd. Op die manier kan hineni geen daad van de wil zijn geweest. Geen prestatie die Abraham leverde op het moment dat zijn naam klonk. Er was, op dat moment, geen afsluiting in zijn lichaam die het woord tegenhield. Geen bevriezing, geen ontsteking van het systeem dat op vechten of vluchten stond. Hineni kon klinken omdat er, in dat moment, niets tussen de roep en het antwoord stond — niet omdat Abraham iets overwon, maar omdat er niets was dat overwonnen moest worden. Er is een ander soort aanwezigheid. Niet iets wat je opbrengt. Iets wat, soms, gewoon kan.
Maar “gewoon kan” is het ook niet. Alsof het toeval is, of genade zonder geschiedenis. Dat is het niet. Het Hebreeuwse woord voor wat hier gebeurt is beproeving. En in dat Hebreeuwse woord klinkt ‘banier’, en ook: ‘wonder’. Geen toevallige klanken. De vroege uitleggers lazen het als een aanwijzing: een beproeving schept niet wat er nog niet was. Ze heft op tot zichtbaar wat er, in aanleg, al aanwezig was — zoals je een banier omhoogheft, niet om iets te maken, maar om te laten zien wat er al stond. Abraham was, op de ochtend dat zijn naam klonk, geen man zonder geschiedenis. Hij was drie dagen onderweg, en die drie dagen stonden niet op zichzelf — ze waren de laatste in een lange reeks van eerdere keren dat hij bleef, dat hij niet wegging bij het onverdraaglijke, dat hij een land verliet zonder te weten waarheen, dat hij wachtte op een belofte die uitbleef. Al dat eerdere niet-wegkijken zat op die ochtend al in zijn lichaam, gevormd tot een systeem dat, nu de naam klonk, niet meer hoefde te vechten om aanwezig te zijn. Er was dus wel werk gedaan. Alleen niet op de berg. Het werk was elke eerdere dag waarop hij, zonder dat er toen een naam als hineni voor bestond, alvast oefende in blijven.
Gelassenheit
Vergelijk dat met het Duitse Gelassenheit, waar het Nederlandse “gelatenheid” een verzwakte echo van is. Bij Meister Eckhart betekent Gelassenheit oorspronkelijk iets radicaals: het laten-zijn van al het eigene, tot en met het laten van de wil om God te willen. Het is, in zijn beste vorm, niet ver van hineni. Maar het woord heeft een reis gemaakt door eeuwen van gewoon spreken, en onderweg is de radicaliteit eruit geslepen. Wat overblijft in het Nederlands is een mens die het laat gebeuren omdat verzet toch geen zin heeft. Passief. Vermoeid. Een zijlijn.
Dat is precies het verschil dat voelbaar is tussen een mens die iets op een zekere afstand laat gebeuren, die zijn ziel splits in een deel dat het draagbaar maakt en een deel dat het niet kan dragen verstopt, en een mens die er middenin gaat staan. Bij het laten-gebeuren blijft er een kijker over — degene die het laat gebeuren, staat er per definitie een fractie buiten, anders zou er niets te “laten” zijn. Bij hineni is er geen kijker, geen toeschouwer, geen wegkijken. Er is niemand die toestemming geeft aan wat komt, want toestemming veronderstelt nog een zekere macht om te weigeren. Hineni is eerder dan de vraag naar toestemming. Het is een mens die zichzelf al heeft opgesteld op de plek waar het gebeuren en het beleven samenvallen, voordat er iets is om toestemming voor te geven.
Dat is ook waarom hineni geen kalmte belooft, en geen rust. Abraham loopt niet rustig die berg op. De tekst zwijgt over wat er in hem omgaat, en dat zwijgen is zelf veelzeggend — er wordt geen woord gewijd aan innerlijke vrede, geen bevestiging dat dit hem licht valt. Er is alleen de handeling: hij zadelt zijn ezel, hij hakt het hout, hij gaat. Hineni is niet een gevoel van vrede dat het handelen draagt. Het is het handelen zelf, zonder dat er eerst vrede gevonden hoeft te worden om het te kunnen doen.
Dat maakt hineni tot iets anders dan moed, ook, in de gewone betekenis van dat woord. Moed veronderstelt vaak een overwinnen van angst — de angst is er, en de mens gaat er toch doorheen, met de angst nog aanwezig als iets dat bedwongen moet worden. Bij hineni is er geen gevecht met de angst zichtbaar. Er is alleen de naam die klinkt, en het antwoord dat komt zonder aarzeling ertussen. Niet omdat er geen angst zou zijn. Maar omdat er, op het moment van antwoorden, geen ruimte is voor iets anders dan aanwezig zijn — de angst mag er zijn, ergens, maar ze krijgt niet de eerste plaats, niet de plaats die bepaalt of het antwoord komt of welk antwoord er komt.
Dit is waarom “gelatenheid” hier moet vallen, ondanks alles wat het woord ooit bij Meister Eckhart nog wel droeg. Het Nederlandse woord suggereert een mens die de zijlijn heeft opgezocht, die het gebeuren over zich heen laat komen omdat verzet zinloos bleek. Wat er werkelijk gebeurt bij het drinken van de beker tot op de bodem, is het tegendeel van de zijlijn. Het is een mens die zich, bij naam geroepen, middenin de gebeurtenis opstelt — niet nadat de strijd verloren is, maar vóórdat er ooit sprake was van strijd. Hineni. Hier ben ik. Nog voor bekend is waarvoor.

Lees verder: Waarom volledige aanwezigheid eigenlijk geen keuze is maar noodzaak
Serie: ‘De beker drinken van het ondraaglijke‘
1 – De geoefende weg — eromheen of erdoorheen
2 – Hineni — aanwezig, nog voor er gevraagd is
3 – Waarom volledige aanwezigheid eigenlijk geen keuze is maar noodzaak
4 – Het ritme onder de volheid
5 – De beker drinken
6 – Geen goed en kwaad
7 – Een einde dat niet sluit
8 – Het numineuze knikt