Een einde dat niet sluit
Er zijn dagen die zich niet laten beschrijven, alleen doorgaan. Deze reeks ‘De beker drinken van het ondraaglijke‘ is ontstaan uit zulke dagen — en uit de vraag die overbleef toen de gangbare woorden van troost op waren: niet hoe je het draaglijk maakt, maar hoe je er middenin gaat staan, tot op de bodem van de beker. Ik schrijf dit gravend, niet uitleggend. De lezer mag meekijken terwijl het woord voor woord, laag voor laag, opengaat — bij het lichaam, bij het oudste Hebreeuws, bij wat er gebeurt als niemand wegkijkt.
Dit is het artikel 7
Er is een vraag die je niet mag stellen, hoezeer hij zich ook aandient: hoe kom je verder na verlies. Dat is het fenomeen — het gedrag van doorgaan, het aanpassen, het weer functioneren — en het fenomeen is, net als steeds in deze reeks, het minst interessante deel. De vraag die eronder ligt is kaler en ongemakkelijker: wat is een leegte die zelf al vorm draagt, nadat er iets doorheen is gegaan dat er niet meer in zit.
Een leegte die geen gebrek is
De mystiek begint de schepping niet met een vullen. Ze begint met een terugtrekken. Voordat er een wereld kon zijn, moest er eerst een lege ruimte gemaakt worden een plek waar het oneindige zich terugtrok, zodat er iets kon bestaan dat niet simpelweg het oneindige zelf was. Die eerste leegte was geen gebrek dat wachtte op vulling. Ze was de voorwaarde zelf. Zonder die terugtrekking geen ruimte, zonder ruimte geen wereld.
Een leeggedronken beker is dichter bij die eerste leegte dan bij een wond die nog moet helen. Ze is geen gat dat wacht tot het weer wordt opgevuld met iets nieuws — vervanging, troost, een volgende fase. Ze is zelf al iets. De vorm van de beker is precies de vorm van wat erdoorheen is gegaan, en die vorm verdwijnt niet wanneer de inhoud weg is. Een mens die de beker heeft leeggedronken, keert niet terug naar de leegte van vóór het drinken. Hij draagt een andere leegte — een leegte met een vorm erin, gevormd door wat er is doorheen gegaan. Geen gebrek dat om aanvulling vraagt. Een ruimte die er niet was voordat er iets in had gezeten.
De scherf die scherf blijft
Wat er met die vorm gebeurt na het drinken, ligt al besloten in een beeld dat eerder in deze reeks een andere rol speelde: het vat dat brak onder het gewicht van te veel licht, en de scherven waar iets van dat licht aan bleef kleven. Herstel, in die lezing, betekent niet dat de scherf weer heel wordt. De scherf blijft scherf. Wat er verandert, is of het licht dat eraan kleeft, wordt opgetild — gezien, erkend, teruggegeven aan waar het hoorde — of dat het verborgen blijft, onerkend, wachtend.
Dat is een ander soort genezing dan het woord meestal draagt. Geen terugkeer naar hoe het was. Een scherf die zichtbaar blijft, met of zonder het licht dat eraan mag blijven kleven. De vraag is niet of de breuk ooit ongedaan wordt. De vraag is alleen of er nog iets door de breuk mag schijnen.
De afdaling die niemand overslaat
Op de berg Tabor maakten Jezus en Petrus en Jakobus en Johannes iets mee dat geen woord verdraagt (Mattheüs 17:1-8). Een gedaante die verandert, licht dat niet van de zon komt, twee gestalten uit een ver verleden (Mozes en Elia) die ineens spreken alsof de tijd geen scheiding was, een stem uit een wolk. Petrus wil blijven. Hij stelt voor drie tenten te bouwen, alsof het moment een plek kan worden, een adres, iets waar je op teruggaat. Dat verlangen is niet naïef. Het is precies wat een mens wil na het hartverscheurende dat heilig bleek: het vasthouden, het permanent maken, het weigeren om terug naar beneden te gaan.
Wat Petrus hier voorstelt is het verlangen om te blijven bij het heilige, ook wanneer dat heilige hartverscheurend was. Het is eigenlijk de vermijding — een tent die niet wordt gebouwd om te eren wat er gezien is, maar om nooit meer naar beneden te hoeven, naar het kind dat stuiptrekt, naar een leven dat om iets anders vraagt dan visioenen.
Maar de tekst laat geen ruimte voor de tenten. De volgende dag al gaan ze naar beneden, en onderaan de berg wacht geen rustige wereld die klaarstond om ontvangen te worden. Er wacht een menigte, een vader, een kind dat stuiptrekt op de grond, en negen achtergebleven leerlingen die het niet hebben kunnen helpen. Zij waren niet op de berg. Zij hebben niets gezien. En toch faalden ze, met de gewone middelen die hun altijd hadden gewerkt.
Dat falen is het detail dat het meest over het hoofd wordt gezien, en het is precies waarom deze scène hier hoort. Wie de berg heeft gezien, komt niet toegerust naar beneden. Er is geen kracht die overgedragen wordt van het visioen naar het gewone leven, geen bekwaamheid die automatisch meereist. De wereld onderaan de berg is nog even gebroken als ze was voordat er iemand naar boven ging, en ze wacht niet beleefd tot het visioen is uitgewerkt. Ze eist meteen weer wat ze altijd al eiste.
Wat een lichaam nodig heeft om die afdaling te kunnen doorstaan, staat elders in de tekst, kaal en zonder uitleg. Elia, uitgeput na zijn eigen berg, wordt niet toegesproken. Hij wordt aangeraakt — een engel raakt hem aan, twee keer — en gevoed: er ligt brood, er staat water, hij eet, hij slaapt weer, wordt opnieuw aangeraakt, eet opnieuw. Pas daarna, na twee rondes van aanraking en voeding, komt er een vraag. Geen woord over wat hem overkwam voordat zijn lichaam had gekregen wat het nodig had. Aanraking eerst — het lichaam dat oxytocine vrijmaakt van een hand die het opnieuw met de wereld verbindt, niet van een uitleg die het overtuigt. Voeding daarna. Alles wat er verder gezegd moet worden, wacht tot dát gebeurd is.
De vader zegt iets dat de hele reeks in één zin samenvat, kaler dan Job, kaler dan de boer: ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp. Geen volgorde. Geen eerst het een, dan het ander. Beide tegelijk, in dezelfde adem, zonder dat het een het ander opheft. Dat is geen zwak geloof dat nog moet groeien tot een sterk geloof. Het is de enige eerlijke toestand van een mens die net van een berg is gekomen en tegelijk voor een kind staat dat nog altijd stuiptrekt.
Maar eerder nog (Exodus 32) was er Mozes die de Sinaï afdaalt met een gezicht dat straalt van wat hij heeft gezien, de tafelen in zijn handen — en beneden staat het volk te dansen om een gouden kalf. Geen kind dat stuiptrekt door een kwaal die niemand kan verklaren, maar iets kouders: een volk dat niet heeft gewacht, dat de afwezigheid niet heeft kunnen dragen en zelf iets heeft gemaakt om aan te bidden. Mozes breekt de tafelen. Niet uit woede alleen — uit het besef dat wat hij droeg niet aankwam bij wat er onderaan de berg werkelijk leefde.
En daartussen Elia (1 Koningen 18), waar zijn bergervaring een overwinning was. Vuur valt uit de hemel op de Karmel, voor de ogen van heel Israël, precies zoals hij had gevraagd. Geen grotere bevestiging denkbaar. En vlak daarna, na die absolute triomf, zit hij onder een bremstruik in de woestijn en vraagt om te mogen sterven. Niet omdat de wereld hem verwierp na de berg — omdat hijzelf leeg was, uitgeput door precies het vuur dat hem gelijk had gegeven. Zijn afdaling voert niet naar andermans onafgemaakte werkelijkheid, zoals bij Mozes en bij Jezus. Ze voert naar zijn eigen bodem.
Drie afdalingen, drie gezichten van hetzelfde: de wereld die niet is meegegroeid met wat gezien werd, bij Mozes. De eigen uitputting die een overwinning niet kan dragen, bij Elia. Het falen van wie was achtergebleven, bij de leerlingen onderaan de Transfiguratie.
Wat een lichaam moet testen om de wereld te geloven
Er is een moment in de vroegste ontwikkeling van een kind dat hier onverwacht dichtbij komt. Voordat een ander mens werkelijk gebruikt kan worden — niet als droombeeld, niet als projectie, maar als iets wat echt buiten het zelf bestaat — moet die ander eerst, in fantasie, vernietigd worden. Het kind duwt, slaat, verzet zich, test met volle kracht of de wereld standhoudt. Pas wanneer blijkt dat de ander dat overleeft — niet wegvalt, niet wegloopt, niet instort onder de aanval — wordt hij echt. Geen beeld meer dat het kind zelf in stand hield. Iets met weerstand, iets dat er nog is nadat het geduwd is.
Een mens die het hartverscheurende heeft doorstaan, keert vaak terug in het gewone leven met precies dit soort duwen. Ruzie om een kleinigheid. Onenigheid over waar iets hoort te staan. Weerstand tegen een collega, tegen een familielid, tegen wie er het dichtst bij staat. Niet omdat het onderwerp ertoe doet — het gaat zelden ergens groots over — maar omdat er getest moet worden of er nog een rand bestaat tussen wie voelt en wat gevoeld wordt. In de diepte van het ondraaglijke vielen die randen weg. Er was geen ik meer dat iets afwees of opeiste, alleen het gebeuren, ongedeeld, hartverscheurend. Het gewone leven vraagt het tegenovergestelde: een ik dat nee kan zeggen, dit niet, dit wel. Ruzie is misschien niets anders dan het opnieuw oefenen van die rand — het lichaam dat onderzoekt of de wereld nog terugduwt, of ze nog weerstand biedt, het enige bewijs dat ze echt is en niet alleen de nasleep van wat er is weggevallen.
Let-down effect
Elia eerst, omdat dat de meest onderzochte is. Wat er op de Karmel gebeurt, is geen kort moment van spanning maar uren van aanhoudende, extreme activering — de confrontatie met vierhonderdvijftig profeten, de openbare krachtmeting, en dan nog een tocht van dertig kilometer rennend voor de wagen van Achab uit. Dat is een langdurig verhoogde staat van paraatheid, met alles wat daarbij hoort aan cortisol en adrenaline. Zodra de dreiging voorbij is — en de brief van Izebel is precies het moment waarop het systeem zich weer op nieuw gevaar richt in plaats van ontspant — is er een fenomeen dat in de stressliteratuur het let-down effect heet: mensen worden ziek, huilen, storten in, niet tíjdens de belasting maar vlak erna, wanneer het lichaam eindelijk de vergunning krijgt om te voelen wat het heeft weggehouden. Elia’s wens om te sterven onder de bremstruik is dan geen geloofscrisis die op zichzelf staat. Het is een lichaam dat de rekening betaalt van een overwinning die het te lang op scherp heeft gehouden.
State-dependent processing
Mozes en de leerlingen laten iets anders zien, en dat sluit aan bij wat er in het vorige deel al openging over meester en gezant. Een mystieke of visionaire staat — het soort ontvangen waarin de rechterhemisfeer het geheel opneemt zonder te grijpen — is geen staat waarin je een stuiptrekkend kind kunt genezen of een volk kunt bijsturen. Daarvoor is precies het andere systeem nodig: de gezant, die smal grijpt, die iets specifieks vastpakt en ernaar handelt. Er bestaat een goed gedocumenteerd principe dat state-dependent processing heet — wat in de ene bewustzijnstoestand wordt geleerd of ervaren, is niet zomaar beschikbaar in een andere toestand, omdat de overgang zelf tijd en herconfiguratie kost. De leerlingen die niet op de berg waren, faalden met hun gewone, altijd werkende gezant-vaardigheden, omdat de wereld onderaan simpelweg meer vroeg dan grijpen alleen ooit had kunnen bieden. Mozes, die wél op de berg was, komt in de tegengestelde storing terecht: zijn gezant moet met geweld weer worden aangezet na dagen puur ontvangen, en die herstart gebeurt niet zacht — de tafelen breken in zijn handen voordat er nog een woord is gezegd.
Beide zijn dus geen gebrek aan geloof, en geen zwakte. Het zijn twee verschillende vormen van dezelfde wet: een systeem dat lang op één stand heeft gestaan — hetzij overspannen paraatheid, hetzij zuiver ontvangen — betaalt een aantoonbare prijs bij het terugschakelen, en de vader onderaan de berg die zegt “kom mijn ongeloof te hulp,” staat precies op het scharnier van die terugschakeling: nog half in wat hij net gezien heeft, alweer half in wat hem nu wordt gevraagd.
Een lichaam dat de aanraking niet ontwijkt
Er is een scène die dit beeld draagt zonder het uit te leggen. Een lichaam staat er weer, na de dood, en één van de aanwezigen eist geen zachte hereniging. Hij eist een vinger in de wond — een aanraking die test, die drukt, bijna een vorm van agressie tegen wat hem te mooi lijkt om waar te zijn. Het lichaam wijkt niet terug voor die test. Het houdt de wond open en zegt: leg je vinger hierin. Thomas steekt zijn hand in de wonden van Jezus en Jezus zegt: ‘Kom hier’ (Johannes 20: 27 Daarna zei Hij tegen Thomas: Kom hier met uw vinger en bekijk Mijn handen, en kom hier met uw hand en steek die in Mijn zij; en wees niet ongelovig, maar gelovig.)
De wonden zijn niet verdwenen. Dat is het detail dat te makkelijk voorbijgeglipt wordt onder het gewicht van de rest van het verhaal. Een lichaam dat is opgestaan, dat door muren heen kan lopen, draagt nog altijd de gaten van de spijkers. Geen litteken dat vervaagt met de jaren — een wond die blijft, zichtbaar, aanraakbaar, en die precies daardoor geloofwaardig wordt. Niet ondanks de wond. Door de wond. Thomas gelooft niet omdat het lichaam er is. Hij gelooft omdat het lichaam de aanraking van zijn wantrouwen overleeft, en na die aanraking nog hetzelfde lichaam is, wond en al.
Dat is misschien het scherpste antwoord dat deze reeks te bieden heeft op de vraag die haar draagt sinds het eerste deel: niet of het ondraaglijke ooit weggaat, maar of er iets is wat het duwen overleeft. Het gewone leven, na een leeggedronken beker, is niet de plek waar het litteken verdwijnt. Het is de plek waar getest wordt of er nog iets staat dat niet omvalt wanneer er hard tegen geduwd wordt — een ander mens, een stuk werkelijkheid, een geloof, een lichaam met wonden erin die niet meer weggaan.
Wat als het duwen niet overleefd wordt
Hier past geen enkele geruststelling past. Niet elke ruzie vindt weerstand. Niet elke wereld blijft staan wanneer er hard tegen geduwd wordt. Soms breekt de relatie waar getest werd. Soms loopt de ander alsnog weg. Soms blijkt de wond, aangeraakt, geen bewijs van een opstanding maar alleen een wond — pijnlijk, open, zonder lichaam eromheen dat overeind blijft.
Ik heb daar geen antwoord op dat het draaglijker maakt, en ik wil er ook geen verzinnen. Wat ik wel zie, is dat het testen zelf daarmee niet zinloos wordt. Het is nog altijd de enige manier om te weten wat echt is en wat alleen beeld — ook wanneer het antwoord is dat het duwen niet overleefd wordt. Een wereld die instort onder het duwen was, misschien, nooit de wereld die kon dragen wat er gedragen moest worden. Dat is geen troost. Het is alleen waar, en het hoort bij dezelfde openheid als het “misschien” van de boer, als Job die één hand ziet, als een gebeuren dat nooit klaar is met bewegen.
Ik weet niet of er, na de beker, altijd een wereld is die het duwen overleeft. Ik weet alleen dat er niets is gewonnen met doen alsof je het niet hoeft te testen — en dat een lichaam met wonden die blijven, ondanks alles, is blijven staan om aangeraakt te worden.
Serie: ‘De beker drinken van het ondraaglijke‘
1 – De geoefende weg — eromheen of erdoorheen
2 – Hineni — aanwezig, nog voor er gevraagd is
3 – Waarom volledige aanwezigheid eigenlijk geen keuze is maar noodzaak
4 – Het ritme onder de volheid
5 – De beker drinken
6 – Geen goed en kwaad
7 – Een einde dat niet sluit
8 – Het numineuze knikt
