Het ritme onder de volheid
Er zijn dagen die zich niet laten beschrijven, alleen doorgaan. Deze reeks ‘De beker drinken van het ondraaglijke‘ is ontstaan uit zulke dagen — en uit de vraag die overbleef toen de gangbare woorden van troost op waren: niet hoe je het draaglijk maakt, maar hoe je er middenin gaat staan, tot op de bodem van de beker. Ik schrijf dit gravend, niet uitleggend. De lezer mag meekijken terwijl het woord voor woord, laag voor laag, opengaat — bij het lichaam, bij het oudste Hebreeuws, bij wat er gebeurt als niemand wegkijkt.
Dit is het artikel 4
Het ritme onder de volheid
Zwaar verdriet komt nooit in één stuk. Dat is geen troost en geen aanwijzing hoe je het moet dragen. Het is waarnemen wat er gebeurt. Er is geen mens die het grootste verlies van zijn leven in één ononderbroken golf doorstaat, van begin tot eind, zonder dat er ergens een breuk in zit, een moment waarop het lichaam zich terugtrekt om adem te halen. Die breuk wordt vaak gelezen als een tekort — alsof echt verdriet geen pauze zou mogen kennen, alsof de stilte tussen twee golven een vorm van niet-genoeg-voelen is. Maar misschien zit die onderbreking niet naast het verdriet. Misschien hoort ze bij de vorm die verdriet, om gedragen te kunnen worden, wel moet hebben. Niet iets dat je eraan toevoegt om het te overleven. Overleven probeert iets buiten te sluiten om het zo aan te kunnen tot het moment (vaak veel later), dat je denkt het aan te kunnen
Maar het is iets dat er al in zit, ingebakken in de maat waarin het zich voordoet — wee, en dan stil, rust, en dan wee — lang voordat er een woord als ritme op wordt gelegd.
De bedding
De tzimtzum verklaart de wee. Ze verklaart níet wat er gebeurt als er geen stilte meer tussen de weeën zit.
Daarvoor moet ik verder de joodse mystiek in, naar wat er volgens hen gebeurt direct ná de eerste terugtrekking. God trok zich terug, liet een lege ruimte achter, en toen — dat is het punt waar het verhaal een wending neemt die ik de eerste keer dat ik hem las niet goed begreep — liet Hij een lichtstraal in die ruimte terugstromen. Een kav, een lijn van licht, die de leegte weer moest gaan vullen, maar dan gedoseerd, opgevangen in vaten die daarvoor gemaakt waren: de kelim. Vaten om het licht te dragen zonder dat de ruimte opnieuw overstroomd raakte met de volheid waarvan ze net was leeggemaakt. Ik versta onder die vaten: bedding.
De bedding is namelijk de vorm waarin een lichaam en een ziel iets kunnen dragen zonder erdoor overspoeld te worden. Concreet, met de adem erbij: het zenuwstelsel, de vagus, het ritme van inademen en uitademen — dat is de bedding. Niet in de zin van een container die ergens los van het lichaam bestaat, maar als de structuur die het lichaam zelf is, de begrenzing die maakt dat een golf van verdriet een golf blijft, met een begin en een eind, in plaats van een aanhoudende, vormloze overstroming.
Het breken van de vaten, het wegvallen of uiteenvallen van de bedding, is dan niet dat het gevoel te groot was. Het is dat de vorm — de begrenzing, het ritme, de uitademing die de vagus tot rust brengt — het niet meer kon opvangen omdat ze zelf niet meer functioneerde als vorm. Een mens die voortdurend oppervlakkig ademt, ontneemt zichzelf niet de intensiteit van het gevoel. Ze ontneemt zichzelf de bedding waarin dat gevoel gestalte zou kunnen krijgen. Wat dan binnenkomt, komt niet aan als draaglijke golf. Het komt aan als wat het licht was vóór er ooit een bedding voor was: ongevormd, en dus verpletterend.
Voordat er een eigen bedding is
Er is een periode waarin een mens nog geen eigen bedding heeft, en toch al licht moet ontvangen. Een pasgeboren kind heeft geen vagus die zelfstandig van inademing naar rustgevende uitademing kan schakelen. Wat die schakeling dan doet, is het zenuwstelsel van de ouder: de stem die vertraagt, de arm die het kind tegen de eigen borstkas trekt zodat het kind, letterlijk ademend tegen een ander lichaam aan, het langzamere ritme van die ander overneemt omdat het zijn eigen ritme nog niet heeft. Het is bijzonder hoe dat de eerste plek wordt waar iets gedragen wordt, zonder dat het zelf al vorm had. De geboorte beëindigt dat dragen niet. Ze verplaatst het van de lichamelijke bedding naar de relationele bedding — de armen die, nog een tijdlang, moeten doen wat de baarmoeder deed.
Als die bedding er niet is, gebeurt er iets wat geen zwakte is en geen keuze. Het kind kan het licht dat binnenkomt niet zelf vormgeven, en er is niemand die het voor hem doet. Wat overblijft is niet breken zoals een bedding breekt — het is: afsluiten. Delen van zichzelf onbereikbaar maken, zoals Franz Ruppert ons uitlegt, niet omdat het gevoel te groot was, maar omdat er nergens een vorm was waarin het gestalte kon krijgen. Dat afgesloten deel wacht dan, soms decennialang, op een bedding dat alsnog gebouwd wordt — door een ander die het eindelijk kan dragen, of tot het kind een prefrontale cortext heeft gekregen, die haar toerust (zo rond de 23ste) waardoor het zichzelf als nog kan dragen.
De vaten braken. Shevirat ha-kelim, heet dat in de latere joodse mystiek — het breken van de vaten. Niet omdat het licht te sterk was voor wat licht in het algemeen kan dragen, maar omdat de vaten van de hogere sferen het licht in één ononderbroken stroom probeerden te bevatten, zonder de opeenvolging van uitademing en inademing die de lagere, latere bedding wel zouden krijgen. Het licht kwam niet met pauzes. Het kwam in te grote, te aaneengesloten hoeveelheid, en wat bedoeld was om te dragen, spatte uiteen. De scherven vielen naar beneden, en volgens de mystici zit er in elke scherf nog een sprankje van dat oorspronkelijke licht gevangen — vandaar tikkun olam, het herstel van de wereld, dat niets anders is dan het bijeenzoeken van die sprankjes, scherf voor scherf, eeuw na eeuw.
Dit is precies het verschil tussen drinken en verdrinken. Verdrinken is niet: te veel voelen. Verdrinken is: het ondraaglijke laten binnenstromen zonder onderbreking, in een lichaam dat niet gemaakt is om een ononderbroken stroom te bevatten — en geen enkel menselijk bedding is daarvoor gemaakt, dat is precies waarom de eerste beddingen in het verhaal breken. Drinken, tot op de bodem, is iets anders. Het is het licht wél binnenlaten, in zijn volle intensiteit, maar in de maat die de tzimtzum al had aangegeven: inademen, uitademen, inademen, uitademen, in zijn volle diepte… zonder ooit weer uit te ademen. Niet omdat de bedding anders te zwak zou zijn. Omdat geen enkele bedding, hoe sterk ook, gemaakt is om te ontvangen zonder ooit weer in te trekken.
De lichtflits en de terugkeer
Dat werpt nieuw licht op wat ratzo va-shov eigenlijk is. In het vorige deel noemde ik het al: de ziel die rent en terugkeert, niet als uitputting en herstel, maar als het ritme waarin de tzimtzum zich in de tijd uitrekt. Nu zie ik waarom dat ritme niet vrijblijvend is. De flits — het verlangen om het aan te gaan, dat zich niet volhoudt maar oplicht, omdat het te dicht bij de bron ligt om voortdurend zichtbaar te blijven — is het moment waarop het licht binnenkomt. Het uitademen is niet een adempauze die het verlangen om volledig open te gaan onderbreekt. Het is het moment waarop de bedding zich weer sluit tot de maat die het kan dragen, zodat het bij de volgende ademteug, bliksemflits (zoals Ezechiël het noemt) niet uiteenspat maar opnieuw kan ontvangen. Zonder dat uitademen zou elke volgende wee een tweede kav zijn die op een al gebarsten bedding afkomt. Dat is geen sterker voelen. Dat is shevirat ha-kelim in het klein, telkens opnieuw, tot er van de bedding niets meer over is om nog iets te ontvangen.
Ratzo va-shov is dan niet alleen een geestelijk beeld voor iets dat ik verder niet kan navoelen. Het gebeurt, letterlijk, in de adem. De nervus vagus — dezelfde zwervende zenuw die de nieren en het hart langsgaat — reageert rechtstreeks op de uitademing. Een lange, volle uitademing activeert haar, stel het lichaam gerust, brengt het terug tot iets wat op rust lijkt. Een korte, hoge ademhaling doet het tegenovergestelde: het lichaam blijft op scherp, klaar om te flitsen, zonder ooit de rem te vinden die tot shov brengt. Ratzo is dan de inademing — het oplichten, het licht binnenlaten. Het shov, is de uitademing die de vagus activeert en het lichaam weer in staat stelt om iets te ontvangen. Niet een beeld voor die beweging. De beweging zelf, in het kleinst mogelijke ritme, duizenden keren per dag herhaald zonder dat er iemand op let.
De derde stand
Dat werpt ook licht terug op shevirat ha-kelim, het breken van de vaten. Een lichaam dat nooit voluit uitademt — dat in een voortdurende, vlakke, snelle ademhaling blijft hangen, nooit de volle teug loslaat die de vagus tot rust zou brengen — is precies het vat dat het licht in één ononderbroken stroom probeert te bevatten. Niet omdat het te zwak zou zijn. Omdat het de terugtrekking mist die elk bedding nodig heeft om weer te kunnen ontvangen. Wat ik eerder een keuze noemde — het licht nooit toelaten, of het nooit meer uitademen — blijkt dus geen metafoor voor een innerlijke houding. Het is, gewoon, wat er met de adem gebeurt. Oppervlakkig ademen is niet een teken van spanning die erbij komt. Het is het lichaam dat, ademhaling voor ademhaling, weigert aan shov toe te komen — nooit de terugkeer voltooit die het zou laten sluiten.
Weigeren om in te ademen én weigeren om terug te keren — dat is niet: heel hard vasthouden aan één kant van het ritme. Het is de afwezigheid van het hele ritme. En de polyvagale theorie onderscheidt drie standen van het zenuwstelsel, niet twee.
is de veilige, sociale stand waarin ratzo va-shov gewoon kan gebeuren — flitsen en terugkeren, in en uit.
Er is de sympathische stand, vecht-of-vlucht, die is wat er gebeurt als er wel geademd wordt maar nooit wordt teruggekeerd — voortdurend ratzo, nooit shov, het vat dat blijft openstaan tot het breekt.
Maar er is nog een derde, oudere stand, evolutionair de eerste die ontstond: de dorsale vagale bevriezing. Geen vechten, geen vluchten. Uitschakelen. Het lichaam dat zich dood houdt omdat er geen andere uitweg meer is.
De stilte tussen de ademhalingen is geen vlucht. Ze is de plek waar het net ontvangen licht zich zet. Waar het, voor het een volgend deel van de ruimte kan bereiken, eerst mag landen in wat het al heeft bereikt. Een mens die daarentegen probeert om nooit te pauzeren — omdat pauzeren voelt als een verraad aan de intensiteit van wat er gebeurd is, als een vorm van niet-genoeg-voelen — die mens gedraagt zich als de hogere vaten uit het verhaal. Hij wil het licht in één stroom vasthouden, uit een soort eerbied voor de grootte ervan, en juist die weigering om in te trekken is wat hem doet breken.
De splitsing die ontstaat wanneer een gevoel niet gedragen wordt en het lichaam een omweg aanlegt om het niet te hoeven voelen: het overlevingsmechanisme, gaat niet over te weinig voelen. Het gaat over een bedding dat weigert zich ooit weer te sluiten, uit angst dat sluiten hetzelfde zou zijn als weglopen. Twee wegen naar hetzelfde uiteenvallen: de een door het licht nooit toe te laten, de ander door het nooit meer te laten uitademen. Beide eindigen in scherven. Alleen het ritme zelf — het verlangen om het aan te gaan, dat zich alleen laat zien in flitsen en laat ervaren in de inademing, uitademen, inademen, uitademen. De wee die zich voluit voltrekt en dan werkelijk stilvalt voor de volgende — houdt de bedding heel genoeg om daadwerkelijk te het verlangen om het aan te gaan, dat zich alleen laat zien in flitsen, te ontvangen in al zijn volheid en heftigheid.
De scherven
Ik denk aan de scherven. Aan wat er volgens de mystici in elke scherf nog gevangen zit — een sprankje van het oorspronkelijke licht, ook in wat uiteengevallen is. En aan tikkun, het bijeenrapen daarvan, niet als herstelklus die je even doet, maar als iets dat zich over generaties uitstrekt.
Misschien geldt dat ook voor een mens die op enig moment werkelijk gebroken is. Niet omdat de maat hem ontbrak. Omdat er dagen zijn waarop geen maat toereikend is — waarop geen enkel ritme van aangaan en terugkeren groot genoeg is voor wat er binnenkomt. Dan is breken niet de laatste bladzijde. Er blijft iets liggen, ook in de scherf, dat niet verloren is. Alleen wacht het bijeenzoeken ervan niet op deze week. Het mag jaren duren.
Wat ik nu, na dit alles, denk te zien van die dagen van rouw en die dag bij het graf van het kindje: het was geen ononderbroken golf van verdriet die iedereen maar moest doorstaan tot hij vanzelf uitdoofde. Het was maat. Wee, en dan stil. Wee, en dan stil. Niet uit zwakte, en niet uit gebrek aan intensiteit — eerder het tegendeel: alleen een bedding die zich tussendoor durft te sluiten, kan de volgende teug nog ontvangen zonder te breken. De vraag die overblijft is niet of de bedding sterk genoeg was. De vraag is of er, telkens weer, de moed was om na het ontvangen ook echt in te ademen.
Lees verder: De beker drinken
Serie: ‘De beker drinken van het ondraaglijke‘
1 – De geoefende weg — eromheen of erdoorheen
2 – Hineni — aanwezig, nog voor er gevraagd is
3 – Waarom volledige aanwezigheid eigenlijk geen keuze is maar noodzaak
4 – Het ritme onder de volheid
5 – De beker drinken
6 – Geen goed en kwaad
7 – Een einde dat niet sluit
8 – Het numineuze knikt
