Twee gezinnen onder één dak
Serie nakomers · deel 3
Op de vakantiefoto’s van zomer 1979 staan vijf mensen voor een bungalowtent in de Ardèche: vader, moeder en drie kinderen van negen, zeven en vijf. Op de foto’s van 1985 staan er drie: vader, moeder en Sanne, die toen vier was. De anderen bleven thuis, gingen met vrienden op kamp of vonden vakanties met hun ouders niets meer. Dezelfde ouders, dezelfde achternaam, hetzelfde huis. Toch zijn het twee gezinnen.
De grens van vier jaar
In het systemisch werk geldt een vuistregel: zit er meer dan vier jaar tussen twee kinderen, dan begint een nieuwe leg. Als het jongste kind wordt geboren, zit het vorige al op de basisschool. Overdag heeft de jongste het rijk alleen. Hij groeit de eerste jaren op als enig kind, in een gezin dat op papier groot is. Een nakomer is de uiterste vorm van die nieuwe leg.
Kinderen die kort na elkaar komen, zitten in dezelfde ontwikkelingsfase. Ze spelen dezelfde spelletjes, vechten om hetzelfde speelgoed, maken ruzie en leggen het weer bij. Zo leren ze verhoudingen tussen gelijken: wedijveren, onderhandelen en samenwerken met iemand die ongeveer even sterk is. Ze vangen ook een deel van elkaars spanning op, zonder dat er een volwassene aan te pas komt.
Een kind dat vier, zeven of twaalf jaar later komt, mist die gelijke. Zijn broers en zussen leven in een andere wereld, van school, vrienden en puberteit. Voor hem zijn het eerder kleine volwassenen dan speelkameraden. Zijn belangrijkste relaties lopen verticaal: naar de ouders, en naar oudere kinderen die een beetje voor ouder spelen.
Dat laat sporen na in hoe het zich ontwikkelt. Een kind dat vooral tussen volwassenen opgroeit, wordt vaak vroeg talig, kijkt goed en voelt sfeer snel aan. Het leert de stemming van grote mensen lezen, omdat zij zijn omgeving zijn. Wat het minder oefent, is het ruwe, gelijkwaardige gedoe waarin je ontdekt dat een conflict een band niet hoeft te breken. Later bewegen zulke kinderen zich vaak gemakkelijk tussen ouderen en voelen ze zich onzeker in een groep leeftijdsgenoten.
Een ander huwelijk
Het tweede gezin heeft niet hetzelfde ouderpaar als het eerste. Een huwelijk is een systeem dat in de tijd verandert. In de eerste jaren draait alles om opbouw: huis, werk, kleine kinderen, weinig slaap. Tien jaar later hebben de partners hun patronen gevonden. Soms is er meer rust en tederheid, soms meer afstand, soms leven ze naast elkaar. Het kind van de nieuwe leg komt binnen in die latere versie.
Voor de oudere kinderen waren hun ouders vooral druk, met zijn tweeën tegenover een kinderschaar. Voor het laatste kind staan er twee volwassenen tegenover één kind, en dat verandert de driehoek. In een gezin met meerdere jonge kinderen verdeelt de aandacht zich, en de spanning tussen de ouders ook. In het tweede gezin komt alles bij één kind terecht.
Gaat het goed tussen de ouders, dan krijgt dat kind veel. Gaat het minder goed, dan wordt het kind de plek waar de spanning naartoe stroomt: de vertrouweling van moeder, het maatje van vader, de reden om bij elkaar te blijven. Het komt dan naast een ouder te staan, op een plek die van de partner is. Een kind kan die plek niet weigeren, en het kan hem ook niet vervullen.
Waarom niemand het ziet
Bij een letterlijke tweede leg, met hertrouwde ouders en halfbroers en -zussen, is de breuk zichtbaar. Er zijn twee achternamen, twee huwelijken en soms twee huizen. Iedereen weet dat er twee gezinnen zijn, ook als daar niet altijd goed mee wordt omgegaan. Bij de nakomer is de breuk onzichtbaar. Er is één naam en één huis, met dezelfde ouders. Daardoor benoemt niemand haar.
Die onzichtbaarheid heeft gevolgen. Broers en zussen zeggen tegen de nakomer: “Jij had andere ouders.” Ze hebben gelijk, maar niemand kan uitleggen hoe dat kan. Het eerste gezin heeft zijn eigen verhalen, rituelen en grappen. Op verjaardagen en kerstdagen draagt het eerste gezin het grote verhaal van de familie. De nakomer zit erbij als enig lid van een gezin dat in dat verhaal niet voorkomt.
Sanne merkte het voor het eerst echt bij de begrafenis van haar vader. Haar broer en zussen spraken over een strenge, gehaaste man die altijd aan het werk was. Zij had een vader gekend die ’s middags thuis was, met haar naar de kinderboerderij ging en haar leerde schaken. Ze waren alle vier zijn kind. Toch begroeven ze niet dezelfde man.
In de familierij staat Sanne als vierde, de laatste in een rij met de anderen. Die plek is van haar, met evenveel recht als de plekken voor haar. Alleen is die rij voor de anderen een gedeelde jeugd, en voor haar een volgorde op papier. Hoe neem je je plek in een rij in die je nooit samen hebt gevormd?
Het scharnier tussen twee gezinnen
Tussen twee legs ligt altijd iets. Jaren, om te beginnen, maar die jaren waren gevuld. Er was een crisis, een verlies, een verhuizing, een ziekte, een verhouding, een verzoening, of alleen een langzaam uit elkaar groeien. Ouders die na zeven of twaalf jaar nog een kind krijgen, zijn door iets heen gegaan. Het kind van de nieuwe leg komt binnen aan de andere kant van dat iets, en meestal weet het niet wat het was.
Toch draagt het die gebeurtenis mee. Een kind dat ontstaat na een huwelijkscrisis kan het kind van de verzoening worden. Het is dan het levende bewijs dat de ouders het opnieuw hebben geprobeerd. Dat is een geschenk, want het kind komt voort uit een liefde die iets heeft doorstaan. Het is ook een last. Een bewijs mag niet mislukken, en een verzoeningskind voelt vaak, zonder te weten waarom, dat het huwelijk van zijn ouders op hem rust. Een kind dat ontstaat na een verlies staat aan de andere kant van de rouw, en wordt soms ontvangen door ouders die nog half in die rouw leven. In beide gevallen zit de nakomer op het scharnier tussen het eerste en het tweede gezin. Het scharnier draagt het gewicht van beide kanten.
Jongste en enige tegelijk
In een familie neemt ieder kind een plek in de volgorde in, naar het moment van aankomst. De oudste draagt iets van de verantwoordelijkheid en de loyaliteit naar de ouders. De jongste krijgt iets van de vrijheid en de lichtheid van wie als laatste komt. Bij een nakomer in een nieuwe leg overlappen die plekken. In de rij van alle kinderen is hij de jongste. In het tweede gezin is hij de eerste en de enige.
Dat geeft een dubbele lading. Van de jongste krijgt hij de verwachting dat hij licht mag zijn, verwend, het zonnetje. Van de oudste krijgt hij de taak om zijn ouders te dragen, omdat er verder niemand meer thuis is. Veel nakomers leven die twee plekken tegelijk en voelen zich nergens helemaal thuis. Ze zijn te verantwoordelijk voor een jongste en te klein voor een oudste. Hun broers en zussen zien de jongste. Hun ouders leunen op de oudste.
Ik voor wij
Kinderen die in een groep opgroeien, ontwikkelen eerst een wij. Ze leren delen, op hun beurt wachten, verliezen en zich in een groter geheel voegen. Hun ik vormt zich binnen dat wij, in wrijving met de anderen. Een kind dat als enige opgroeit in het tweede gezin, ontwikkelt eerst een ik, in relatie tot volwassenen. Het wij leert het later, en vaak buiten het gezin.
Dat heeft gevolgen die tot ver in het volwassen leven reiken. In een relatie of een team weet de nakomer goed wat hij zelf vindt en voelt hij scherp aan wat anderen nodig hebben. Wat moeilijker is, is het gewone, horizontale samen: ruzie maken met een gelijke en er weer uit komen, iets delen zonder te zorgen, deel zijn van iets zonder er de verantwoordelijkheid voor te dragen. Ik en wij zijn twee bewegingen die elkaar veronderstellen. Bij de nakomer zijn ze in de verkeerde volgorde gekomen, en het tweede moet op latere leeftijd alsnog worden geleerd, met minder vanzelfsprekendheid dan een kind van vijf heeft.
Twee gezinnen erkennen
In veel families wordt het bestaan van twee gezinnen niet uitgesproken. Het blijft bij grapjes over de nakomer die andere ouders had. Erkennen dat er twee gezinnen waren, met elk een eigen tijd, eigen ouders en eigen sfeer, geeft beide kanten iets terug. De ouderen hoeven hun jeugd niet meer te verdedigen tegen het beeld van milde ouders dat de jongste heeft. De jongste hoeft zich niet meer te schamen voor wat hij kreeg, of te verlangen naar een gedeelde jeugd die er nooit was.
Wat tussen de twee legs is gebeurd, blijft vaak in het donker. Of het ooit verteld moet worden, is een open vraag. Sommige scharnieren zijn beter te dragen als je weet waarvan ze gemaakt zijn. Bij andere is het al genoeg om te weten dat er een scharnier is, en dat je erop staat.
MEER LEZEN over Nakomertjes:
Algemeen – nakomertje
INLEIDING serie
1) Het lichaam waarin je werd gedragen
2) Ouders in hun tweede levenshelft
3) Twee gezinnen onder een dak
4) Opgroeien in een huis dat leegloopt
5) Meerdere moeders en geen
6) Een familie die je alleen kent als verhaal
7) Het kind dat iets moest herstellen
8) Broers en Zussen aan de andere kant
9) De nakomer in de liefde
10) De buitenstaander als vormende kracht