Ouders in hun tweede levenshelft
Serie nakomers · deel 2
Toen Joost in 1975 werd geboren, was zijn vader achtenvijftig en zijn moeder vierenveertig. Zijn vader had de crisisjaren en de oorlog meegemaakt. De vaders van zijn klasgenoten waren in de jaren veertig geboren. Op schoolfeesten werd zijn vader aangesproken als opa, en Joost leerde vroeg om dat niet te verbeteren.
Een nakomer is het kind dat lang na de anderen komt, vaak tien jaar of meer. Er wordt veel gezegd over wat dat betekent voor zijn plek tussen broers en zussen. Minder vaak gaat het over iets eenvoudigers: een nakomer heeft oudere ouders. Hij leert ze kennen in een andere fase van hun leven dan de anderen, en hij verliest ze eerder.
Het andere kompas van de tweede levenshelft
Rond het veertigste levensjaar verschuift er iets in een mensenleven. De eerste helft draait om opbouwen: een plek veroveren, een gezin stichten, laten zien wat je kunt. Daarna komen andere vragen naar boven. Wat heeft het betekend? Wat blijft er van mij over? Wat heb ik laten liggen? Tijd wordt niet langer geteld vanaf de geboorte, maar tot het einde.
Een kind dat in die fase binnenkomt, krijgt ouders die minder hoeven te bewijzen. Ze zijn vaak geduldiger, financieel ruimer en minder gejaagd. Ze hebben de fouten van hun eerste kinderen gezien en willen het nu anders doen. Daar staat tegenover dat ze sneller moe zijn en zich niet meer zo vanzelfsprekend in de wereld van een kind bewegen. Ze kijken naar hun jongste ook met een besef van tijd dat ze bij de eerste kinderen niet hadden: zal ik zijn diploma nog meemaken, zijn trouwdag, zijn kinderen?
Dat besef blijft niet bij de ouders. Kinderen voelen de tijdsbeleving van hun ouders aan lang voordat ze die kunnen benoemen. Veel nakomers vertellen dat ze als kind al bang waren dat hun ouders zouden doodgaan. Ze lagen ’s nachts wakker en luisterden of hun vader nog ademde. Wat voor andere kinderen een abstract idee is, ligt voor hen dichtbij, omdat het in de blik van hun ouders al aanwezig was.
Een generatie overgeslagen
Oudere ouders brengen een andere tijd het huis in. De vader van Joost was opgegroeid zonder elektriciteit in de slaapkamer, met een vader die met de pet in de hand bij de dominee kwam. Hij sprak een taal van zuinigheid, plicht en zwijgen over gevoelens. Joost groeide op met leeftijdsgenoten die naar popmuziek luisterden en ouders hadden die erover meepraatten.
Zo zit er tussen de nakomer en zijn ouders soms anderhalve generatie. Opvattingen over gezag, seksualiteit, geld en geloof verschillen meer dan in andere gezinnen. Botsingen die bij de oudere kinderen gingen over een tijd waarin hun ouders zelf nog jong waren, gaan bij de nakomer over een wereld die verdwenen is. Dat maakt het moeilijker om tegen ouders in te gaan. Wie tegen een vader van zeventig in opstand komt, voelt zich al snel wreed. Veel nakomers slaan hun puberteit thuis gedeeltelijk over en halen haar later in, of nooit.
De omkering van zorg, te vroeg
Ouders zorgen voor kinderen, en later zorgen kinderen voor ouders. Die omkering komt in ieder leven. Voor de meeste mensen komt ze rond hun vijftigste, wanneer hun eigen kinderen de deur uit zijn. Voor een nakomer begint ze vaak al in zijn kindertijd. Waar klasgenoten met hun vader voetballen, duwt hij de zijne in een rolstoel door het park. Hij kent de weg in het ziekenhuis, weet hoe de bezoektijden gaan en leert vroeg om stil te zijn als vader moe is. Hij ziet zijn ouders op een kwetsbare leeftijd, waarin het lichaam begint te haperen, en hij past zich daarop aan voordat iemand het van hem vraagt.
Een kind dat zo opgroeit, draagt een verantwoordelijkheid die bij zijn leeftijd niet past. Het let op wat zijn ouders niet meer kunnen, vangt dat op en houdt zijn eigen behoeften klein, omdat er thuis al genoeg zorgen zijn. Wat er van buitenaf uitziet als volwassenheid, is een kind dat zijn kindertijd heeft ingeleverd voor waakzaamheid. Rond zijn twintigste of dertigste wordt die zorg dan zichtbaar en concreet, in de jaren waarin hij zijn eigen leven nog moet opbouwen.
De oudere broers en zussen hebben dan een gezin, een carrière en een huis verderop in het land. De nakomer woont vaak nog het dichtst bij, heeft nog geen kinderen of is nog niet gesetteld, en wordt zonder dat iemand het afspreekt degene die bij de ouders langsgaat, de dokter belt en de medicijnen regelt. Hij zorgt voor ouders in een fase waarin hij zelf nog een ouder nodig had.
Dat raakt aan iets wat in ontwikkelingstermen weinig aandacht krijgt. Jongvolwassenen gebruiken hun ouders nog als veilige basis. Ze vertrekken, proberen dingen uit, lopen vast en komen even terug. Een nakomer die op zijn vijfentwintigste een vader in het verpleeghuis heeft, mist die basis precies wanneer de grote beslissingen vallen: werk, partner, kinderen.
Rouwen voordat het zover is
Rouw begint niet pas bij de dood. Wie iemand ziet aftakelen, rouwt al: om wat er was, om wat er niet meer zal komen, om gesprekken die niet meer mogelijk zijn. Bij nakomers begint die anticiperende rouw vaak al in de kindertijd en loopt hij door tot ver in de volwassenheid. Hij hoort zo vanzelfsprekend bij het leven dat de nakomer hem zelden als rouw herkent.
Als de ouders dan sterven, staat de nakomer er anders voor dan zijn broers en zussen. Zij verliezen ouders met wie ze een volwassen leven hebben gedeeld. Hij verliest ouders die nooit grootouder van zijn kinderen zijn geweest en die zijn volwassen leven maar half hebben gekend. Bij de nakomer gaat het verlies daardoor over wat er nooit is geweest, en dat valt moeilijk te betreuren omdat niemand anders het mist.
Toen de dochter van Joost werd geboren, waren zijn ouders allebei al jaren dood. Zijn broers en zussen kwamen op kraamvisite en vertelden hoe hun moeder destijds bij hen was blijven logeren toen de eerste baby kwam. Joost luisterde, met het kind op zijn arm. Hij had geen idee hoe zijn moeder een pasgeboren kleinkind zou hebben vastgehouden.
Het ongeleefde leven en de omgekeerde volgorde
Niets werkt sterker op een kind dan het leven dat zijn ouders niet hebben geleefd. Wat ouders hebben uitgesteld, opgegeven of nooit durfden, verdwijnt niet. Het zoekt een plek, en het vindt die het makkelijkst in een kind. Bij een nakomer ligt daar veel. Zijn ouders hebben hun eerste levenshelft achter zich, met de keuzes en offers die daarbij hoorden. De vader die altijd werkte, heeft zijn eerste kinderen nauwelijks zien opgroeien. De moeder die thuisbleef, heeft haar talent laten liggen. Ze komen bij het laatste kind aan met tijd, en met wat ze hebben gemist.
Dat geeft de nakomer iets wat de anderen niet kregen: een vader die er is, een moeder die nu wel naar zijn tekeningen kijkt. Maar het kind krijgt meer dan aandacht. Het krijgt ook de verlangens die nog niet geleefd zijn. De vader die nu eindelijk aanwezig is, beleeft via zijn zoon wat hij bij de oudsten heeft verzuimd. De moeder legt in haar dochter de ambitie die ze zelf heeft opgegeven. Ze bedoelen het als liefde, en het is ook liefde. Het kind draagt alleen iets wat niet van hem is, en kan het niet onderscheiden van zijn eigen verlangen. Pas veel later, vaak rond zijn veertigste, merkt hij dat hij een leven leidt dat voor een deel antwoord geeft op vragen van zijn ouders.
Een leven in omgekeerde volgorde
Een mensenleven heeft een volgorde. Eerst bouwt iemand een ik: een plek innemen, iets willen, zich afzetten, iets veroveren. Dat is het werk van de eerste helft. Pas als dat ik stevig staat, kan het in de tweede helft weer losser worden, en komt er ruimte voor de vragen naar betekenis, eindigheid en wat groter is dan het eigen leven. Wie die tweede beweging te vroeg maakt, slaat de eerste over.
De nakomer groeit op tussen mensen die die tweede beweging al maken. Zijn ouders zijn bezig met loslaten, terwijl hij nog moet leren vastpakken. Ze praten over gezondheid, over wie er overleden is en over wat het allemaal heeft betekend, terwijl hij nog moet ontdekken wat hij wil. Eindigheid komt binnen voordat zijn ik gevormd is. Daardoor krijgt hij vaak vroeg een innerlijk leven, een ernst en een gevoeligheid voor wat er werkelijk toe doet. Wat hem ontbreekt, is het brutale, het veroverende, het gewone willen.
Voor zonen wordt dit scherper. Een jongen leert man worden door een vader in zijn volle kracht te ontmoeten, iemand om zich tegen af te zetten, om te verliezen en uiteindelijk te overtreffen. Een vader van zeventig kan die tegenkracht niet meer bieden. Hij is te broos om tegen te vechten en te mild om tegen in opstand te komen. De zoon mist een inwijding: de ervaring dat zijn kracht een andere kracht kan ontmoeten zonder dat iemand breekt. Zijn mannelijkheid blijft zorgzaam en voorzichtig, afgestemd op een vader die bescherming nodig heeft in plaats van uitdaging.
Bij dochters werkt het anders. Zij krijgen vaak de tederheid van een oudere vader, die met zijn jongste kan wat hem bij de oudsten niet lukte. Dat geeft warmte. Wat er minder is, is een vader die als man in de wereld staat en tegenover wie zij als jonge vrouw haar eigen kracht kan leren kennen.
Het eerste werk later doen
Veel nakomers komen rond hun vijftigste op een merkwaardig punt. Leeftijdsgenoten beginnen los te laten en zoeken naar betekenis. Zij merken dat ze dat al hun hele leven doen, en dat iets anders nog niet gebeurd is. Ze moeten nog willen, iets claimen, ruimte innemen, het eerste werk van een mensenleven. Dat voelt vreemd en laat, en soms ook onbescheiden.
Het ongeleefde leven van de ouders teruggeven is daar een deel van. Daarbij hoort de erkenning dat hun gemis van hen was, en dat het eigen leven het hunne niet hoeft te repareren. Hoe dat precies gaat bij ouders die al overleden zijn, of bij een moeder die op haar negentigste nog vraagt waarom het boek nooit is geschreven, laat zich niet in een formule vangen. Iemand moet het werk zelf doen, laat, en in de volgorde die zijn leven hem heeft gegeven.
MEER LEZEN over Nakomertjes:
Algemeen – nakomertje
INLEIDING serie
1) Het lichaam waarin je werd gedragen
2) Ouders in hun tweede levenshelft
3) Twee gezinnen onder een dak
4) Opgroeien in een huis dat leegloopt
5) Meerdere moeders en geen
6) Een familie die je alleen kent als verhaal
7) Het kind dat iets moest herstellen
8) Broers en Zussen aan de andere kant
9) De nakomer in de liefde
10) De buitenstaander als vormende kracht