Het lichaam waarin je werd gedragen
Serie nakomers · deel 1
Voorjaar 1971. Een vrouw van eenenveertig staat in de keuken en telt terug. Haar jongste is elf. Sinds september werkt ze weer twee ochtenden in de week in de bibliotheek, en de kinderwagen is jaren geleden naar een nicht gegaan. Ze is twee weken over tijd, en ze weet het al voordat de huisarts het bevestigt. Haar oudste kinderen hoort het pas na drie maanden. De buren merken het pas als het niet meer te verbergen is.
Haar dochter heet Ellen. Ze is nu vijfenvijftig en werd twaalf jaar na haar jongste broer geboren. Wat haar moeder in die eerste maanden voelde, weet Ellen alleen uit één zin die haar moeder ooit liet vallen: “Ik schrok me een hoedje.” Verder is er nooit over gesproken. Haar lichaam weet er waarschijnlijk meer van.
Een nakomer is een kind dat wordt geboren als het gezin voor iedereen al af was. Vaak gebeurt dat acht, tien of vijftien jaar na het vorige kind, bij ouders die zich op een ander leven hadden ingesteld. Over nakomers wordt meestal gepraat vanaf het moment dat ze er zijn: verwend of vergeten, het zonnetje in huis of het ongelukje. Hun plek begint eerder. Ze begint in de negen maanden waarin een lichaam van boven de veertig een kind draagt dat niet was voorzien.
Wat de placenta doorlaat
Een foetus leeft niet in een afgesloten ruimte. Wat de moeder doormaakt, komt binnen via haar bloed, haar hartslag, haar ademhaling en haar stem. Het stresshormoon cortisol is daarbij de belangrijkste boodschapper. De placenta maakt een enzym aan dat het grootste deel van het cortisol van de moeder onwerkzaam maakt voordat het de foetus bereikt. Een beetje spanning hoort bij het leven, en het kind hoeft niet elke schrik mee te krijgen. Bij aanhoudende angst of somberheid werkt die buffer minder goed: de activiteit van het enzym daalt, zodat er juist dan meer cortisol doorkomt.
Het ongeboren kind doet iets met dat signaal. Zijn stresssysteem, de as van hypothalamus, hypofyse en bijnieren, wordt in de baarmoeder afgesteld op de wereld die het straks kan verwachten. Komt er veel stresshormoon binnen, dan leest het systeem: waar je terechtkomt is het onrustig, blijf alert. Een kind dat waakzaam ter wereld komt in een gespannen omgeving, is daar goed op voorbereid. Een kind dat waakzaam ter wereld komt in een gezin dat na een paar maanden weer tot rust is gekomen, houdt een alarm dat niets meer te melden heeft.
Hormonen zijn niet het enige kanaal. Vanaf ongeveer vierentwintig weken hoort een foetus. Hij hoort het hart van zijn moeder, haar darmen, en vooral haar stem, die via haar eigen lichaam veel sterker doorkomt dan geluid van buiten. Bij spanning van de moeder verandert de hartslag van de foetus mee. Hij leert haar kennen op de enige manier die hij heeft: als een ritme dat rustig of gejaagd is, als een stem die zacht of strak klinkt.
Ook in de genen laat het iets na. Bij kinderen van moeders die tijdens de zwangerschap angstig of depressief waren, vonden onderzoekers vaker extra chemische markeringen op het gen voor de receptor die stresshormoon opvangt. Die receptor helpt het lichaam een stressreactie weer af te sluiten. Met meer markeringen wordt het gen minder afgelezen, en dooft een stressreactie langzamer uit. Het gen zelf blijft intact; het wordt zachter gezet.
Dit vraagt om precisie. De meeste kinderen van gestreste moeders ontwikkelen geen problemen. De verbanden zijn echt, maar bescheiden. En wat na de geboorte gebeurt, weegt minstens zo zwaar: een rustige, beschikbare ouder kan een gevoelig afgesteld systeem opnieuw leren afstellen. De baarmoeder zet een grondtoon neer. Wat er later op wordt gespeeld, bepaalt hoe die gaat klinken.
Wat een late zwangerschap anders maakt
Elke onverwachte zwangerschap brengt schrik mee. Bij een nakomer komen er vaak drie dingen tegelijk bij.
Het eerste is het lichaam van de moeder zelf. Een vrouw van boven de veertig draagt zwaarder, is sneller moe en heeft meer kans op complicaties, en daar wordt ze steeds op gewezen. De zorg rond haar zwangerschap draait om risico.
Het tweede is schaamte. Tot ver in de jaren zeventig vertelde een zwangere vrouw van veertig de omgeving iets over het huwelijk van haar ouders dat men liever niet wilde weten. Nakomers horen later vaak dat hun moeder haar buik zo lang mogelijk verborg. Een buik verbergen gaat met aangespannen spieren, strakke kleding en ingehouden adem, maandenlang. Het kind groeit in die spanning.
Het derde is verlies. De moeder stond op het punt om een stuk van zichzelf terug te krijgen: tijd, werk, een lichaam dat weer van haar was, een huwelijk met meer ruimte. De zwangerschap zette dat stil. Ze kan blij zijn met het kind en tegelijk rouwen om wat ze kwijtraakt. Die tweestrijd viel meestal niet uit te spreken, zeker niet toen, en wat niet wordt uitgesproken, blijft in het lichaam hangen.
Een kind kan dus heel gewenst zijn en toch gedragen worden in een lichaam waarin welkom en schrik naast elkaar bestonden. Het kind kan niet uit elkaar houden welke emotie over hem gaat en welke over het leven van zijn moeder. Hij krijgt de optelsom.
Een vraag zonder woorden
Het geheugen voor gebeurtenissen, het geheugen waarmee je later iets kunt navertellen, begint pas rond het derde levensjaar. Het impliciete geheugen werkt al veel eerder. Dat slaat geen gebeurtenissen op, maar toestanden. Hoe snel schrikt het lichaam? Hoeveel prikkels kan het aan? Hoe lang duurt het voordat het weer rustig is? Ontspant nabijheid, of maakt het juist alert?
Bij volwassen nakomers komt een vraag steeds terug: mag ik er wel zijn? Meestal wordt die gezien als een overtuiging uit de kindertijd, gevormd door wat ouders zeiden of verzwegen. Soms klopt dat. Bij een deel van de nakomers is de vraag ouder dan elke overtuiging. Ze zit in een lichaam dat al voor de geboorte leerde om voorzichtig binnen te komen. Daarom laat ze zich zo slecht met redeneren beantwoorden. Ellen kan opsommen hoeveel er van haar gehouden is, en ze gelooft het ook. Toch staat ze op elk feest eerst even bij de deur, met een lichaam dat wil weten of er plek is voordat het naar binnen gaat.
Wie die vraag herkent, zoekt vaak een verklaring in het gezin: wie wilde mij niet? Die zoektocht levert zelden een schuldige op, omdat er meestal geen is. Er was een vrouw van eenenveertig die schrok, en een kind dat die schrik meekreeg voordat iemand het welkom kon heten.
Erbij horen voordat iemand ja zegt
De systemische laag werkt anders dan de biologische. Het lichaam registreert hoe het werd ontvangen. Een familiesysteem kent een orde die daar los van staat: wie geboren wordt, hoort erbij. Dat recht vraagt niet of je gepland was, gewenst of op het goede moment kwam. Het ontstaat met het bestaan zelf.
Bij de nakomer liggen die twee lagen vaak over elkaar heen zonder samen te vallen. Het zenuwstelsel zegt: wees voorzichtig, misschien is er geen plek. Het systeem zegt: je plek staat vast, ook al zei niemand er op tijd ja tegen. Veel nakomers leven tussen die twee in. Ze gedragen zich alsof hun plek verdiend moet worden, terwijl die nooit te verdienen viel, omdat hij al van hen was.
Wie zijn plek probeert te verdienen, blijft bezig met aardig zijn, presteren en weinig vragen. Wie zijn plek erkent als gegeven, kan ophouden met verdienen, maar de oude alertheid gaat daarmee niet meteen weg. Het lichaam loopt achter op het inzicht, soms jarenlang.
Toen haar moeder achtenzeventig was, vroeg Ellen hoe het was geweest om haar te krijgen. Haar moeder zei: “Vanaf het moment dat je er was, was je welkom.” Ellen heeft lang over dat ene woord nagedacht. Vanaf. Er zaten negen maanden voor dat moment, en daarover zei haar moeder niets. Misschien omdat ze het niet meer wist. Misschien omdat ze het nog heel goed wist.
Waar de schrik over ging
Achter de schrik van een moeder van eenenveertig zit zelden alleen een kind. Een kind vraagt van een vrouw dat ze zich opnieuw opent. Haar lichaam moet weer ruimte maken, haar tijd wordt weer van een ander, en haar aandacht keert terug naar het begin van het leven, terwijl die net begon af te buigen naar haarzelf. In de tweede helft van een vrouwenleven komt de levenskracht vrij die jarenlang naar buiten stroomde, naar man, kinderen en huishouden. Een late zwangerschap keert die beweging om op het moment dat ze net op gang kwam. De schrik gaat dus over de vraag of ze die beweging opnieuw kan maken, en of ze dat wil.
Onder die vraag ligt een oudere. Hoe een vrouw een kind ontvangt, hangt sterk samen met hoe zij zelf is ontvangen. Een vrouw die het leven van haar eigen moeder heeft kunnen aannemen, met alles wat die moeder wel en niet kon geven, kan ook een kind dat te laat komt aannemen. Ze heeft van binnen een plek waar leven welkom is, ook als het onhandig uitkomt. Een vrouw die zich als kind te veel voelde, of te vroeg, of niet gezien, krijgt met een onverwachte zwangerschap haar eigen begin terug. Ze kan dan niet zomaar ja zeggen, omdat ze in dat ja het nee van haar eigen moeder tegenkomt.
Daarmee verschuift de vraag van de nakomer. “Mag ik er zijn?” is dan niet alleen zijn vraag. Het kan de vraag van zijn moeder zijn, en die van haar moeder. Zo’n vraag reist mee door de lijn van moeders, van lichaam naar lichaam, zonder dat iemand hem ooit hardop stelt. Het kind dat later geboren wordt, vangt hem op in de laatste schakel, op het moment dat de moeder er het minst op voorbereid was. Wie zijn hele leven zoekt naar een antwoord in zijn eigen geschiedenis, kan het daarom niet vinden. Het begon eerder.
De man die er ook was
In de verhalen over late zwangerschappen ontbreekt de vader vaak. Toch werd het kind niet alleen door een moeder ontvangen. Een late zwangerschap confronteert ook een man, met zijn leeftijd, zijn kracht en de jaren die hem nog resten. Voor de één is het kind een bewijs dat het leven nog door hem heen stroomt. Voor de ander is het een last die hij niet meer kan dragen, of een herinnering aan een sterfelijkheid waar hij niet aan wilde. Wat hij voelde, nam de moeder in haar lichaam mee. Een vrouw die zwanger is van een man die het kind wil, draagt anders dan een vrouw die het alleen moet dragen.
Aan elk kind gaat iets vooraf dat ouder is dan het ouderschap: de liefde tussen een man en een vrouw. Een kind komt voort uit hen als paar, voordat ze als vader en moeder iets voor hem kunnen doen. Bij een nakomer is het de moeite waard te vragen wat er op dat moment tussen die twee leefde. Kwam het kind uit een opnieuw ontvlamde liefde? Uit troost na een verlies? Uit een avond waarin twee mensen elkaar even terugvonden in een huwelijk dat al lang stil was? Het kind weet daar niets van en draagt het toch. De lading die het meekrijgt, komt vaak meer uit wat er tussen de ouders gebeurde dan uit wat ze over hem dachten.
Het leven nemen zoals het kwam
Veel nakomers wachten, soms een leven lang, op een welkom dat alsnog komt. Ze hopen op een gesprek waarin de moeder zegt dat ze vanaf het begin gewenst waren, zonder voorbehoud. Dat gesprek komt zelden. Als het komt, verandert het minder dan verwacht, omdat het lichaam iets anders heeft geleerd dan het hoofd nu hoort.
Er is een andere beweging mogelijk, die moeilijker is. Het kind kan het leven nemen zoals het kwam, met de schrik erbij. Het leven werd doorgegeven, ondanks de ambivalentie, door een vrouw die schrok en het toch droeg, en door een man die er al dan niet voor koos. Dat het leven werd gegeven, is groter dan de manier waarop. Wie dat kan aannemen, hoeft niet meer te wachten tot de manier wordt rechtgezet. Wie het niet kan, blijft vastzitten aan een tekort dat de ouders niet meer kunnen aanvullen.
Dit nemen oordeelt niet over wat er was en keurt het ook niet goed. Het erkent dat de schrik er was, dat hij in het lichaam is gaan zitten, en dat het leven toch is aangekomen. Of het lichaam daarna ooit helemaal ophoudt bij de deur te blijven staan, weet niemand. Misschien gaat het erom of iemand dat staan bij de deur kan herkennen als iets wat van ver komt, van verder dan hijzelf, en dan toch naar binnen kan lopen.
MEER LEZEN over Nakomertjes:
Algemeen – nakomertje
INLEIDING serie
1) Het lichaam waarin je werd gedragen
2) Ouders in hun tweede levenshelft
3) Twee gezinnen onder een dak
4) Opgroeien in een huis dat leegloopt
5) Meerdere moeders en geen
6) Een familie die je alleen kent als verhaal
7) Het kind dat iets moest herstellen
8) Broers en Zussen aan de andere kant
9) De nakomer in de liefde
10) De buitenstaander als vormende kracht