De buitenstaander als vormende kracht
Iris was eenenveertig toen ze voor het eerst niet naar het kerstdiner van de familie ging. Er was geen ruzie. Ze had gewoon gemerkt dat ze er elk jaar zat als iemand die haar best deed, en dat ze daarna drie dagen nodig had om weer zichzelf te worden. Haar moeder belde om te vragen of ze ziek was. Iris zei dat het goed met haar ging. Dat klopte, voor het eerst in lange tijd.
Een nakomer, een kind dat lang na de anderen komt, kent het gevoel er net niet bij te horen. Er is al veel geschreven over wat dat kost. Minder vaak gaat het over wat het kan voortbrengen.
De eerste vorm van een mens
Ieder mens krijgt eerst een vorm van buitenaf. Een kind neemt de waarden, gewoonten en overtuigingen van zijn gezin en cultuur over, zonder ze te kiezen. Dat is nodig: zonder die eerste vorm kan niemand functioneren. Voor de meeste mensen blijft die vorm een leven lang grotendeels intact. Ze denken wat hun omgeving denkt, ervaren dat als hun eigen mening en lopen zelden tegen de grenzen ervan aan.
Er is een ontwikkelingstheorie die stelt dat juist het uiteenvallen van die eerste vorm de weg opent naar iets anders. Wie innerlijke conflicten, twijfel en angst ervaart, wordt gedwongen te onderzoeken wat hij zelf belangrijk vindt, los van wat hij heeft meegekregen. In deze visie markeren die crises het begin van een eigen innerlijke rangorde van waarden: een ordening die iemand zelf heeft gevonden.
Waarom de buitenstaander anders vormt
De nakomer krijgt die eerste vorm onder andere omstandigheden dan de anderen. Hij groeit op in een gezin waarvan de cultuur al is gevormd door mensen die er eerder waren. De gewoonten, grappen en vanzelfsprekendheden zijn niet met hem ontstaan. Hij neemt ze over, maar ze passen hem nooit helemaal. Daardoor ziet hij eerder dan anderen dat ze gemaakt zijn, en dat ze dus ook anders hadden gekund.
Die afstand is pijnlijk, en tegelijk een opening. Wie niet volledig opgaat in de groep, kan de groep zien. Veel nakomers ontwikkelen een scherp oog voor dynamiek, een gevoeligheid voor wat onder de oppervlakte gebeurt, en een vermogen om alleen te zijn zonder zich verloren te voelen. Dat zijn geen kleine dingen. Het zijn de eigenschappen die je vaak ziet bij mensen die in hun latere leven iets eigens maken: een beroep, een overtuiging, een manier van leven die niet de voortzetting is van hun gezin.
Bij een deel van de nakomers komt daar een hoge gevoeligheid bij, een intensiteit van beleven die in een gezin van oudere, vermoeide mensen weinig ruimte kreeg. Wat als kind “te veel” was, kan later de bron worden van creativiteit, morele scherpte en diepe verbondenheid. Het wordt dat alleen als iemand die intensiteit leert dragen in plaats van haar weg te stoppen.
De prijs blijft staan
Het buitenstaanderschap levert iets op, en het kost iets, en het één maakt het ander niet goed. De eenzaamheid van een kind dat zijn broers en zussen zag vertrekken, wordt niet minder echt omdat dat kind later een scherpe blik ontwikkelde. Het één staat naast het ander.
Die innerlijke ordening valt bovendien niemand vanzelf toe. Veel buitenstaanders blijven hun leven lang proberen er alsnog bij te horen. Ze passen zich aan, presteren, zorgen en hopen dat het ooit genoeg is. De beweging naar een eigen ordening begint vaak pas wanneer dat verlangen wordt losgelaten. Dat loslaten is zelden een keuze. Het gebeurt eerder door uitputting, door een crisis, of door het moment waarop iemand merkt dat het er niet meer toe doet.
Iris gaat tegenwoordig weer naar het kerstdiner, maar op een andere manier. Ze komt na het voorgerecht en gaat weg voor de koffie. Haar broers en zussen vinden het vreemd. Haar moeder zegt er niets meer van. Iris zelf weet niet precies of ze er nu meer of minder bij hoort dan vroeger. Die vraag is voor haar minder belangrijk geworden dan hij was.
Zelfstandig worden kan pas na erbij horen
De buitenstaander lijkt een voorsprong te hebben op het gebied van zelfstandigheid. Hij is minder vergroeid met de groep, ziet scherper wat er gebeurt en heeft geleerd alleen te zijn. Daaruit volgt gemakkelijk de gedachte dat hij sneller tot een eigen leven komt. In werkelijkheid blijkt het vaak omgekeerd. Zelfstandigheid die niet uit erbij horen is gegroeid, blijft wankel. Ze lijkt op vrijheid, maar ze werkt als een vlucht.
Een mens wordt pas werkelijk zichzelf als hij eerst ergens volledig bij heeft gehoord. Wie zijn ouders heeft genomen zoals ze waren, en zijn plek in de familie heeft ingenomen, kan daarna zijn eigen weg gaan zonder iets te hoeven bewijzen. Zijn eigenheid groeit uit zijn verbondenheid. Wie nooit helemaal heeft gehoord, gaat zijn eigen weg met een open rekening. Zijn autonomie blijft een antwoord op een afwijzing, en daardoor is ze nog steeds gebonden aan wat ze afwijst.
Ik en wij als twee bewegingen
In het gangbare denken over ontwikkeling staat de ik-ontwikkeling centraal: losmaken, eigen keuzes, autonomie. Verbondenheid wordt dan iets wat je daarna weer opzoekt, als je eenmaal jezelf bent. Toch veronderstellen ik en wij elkaar, als twee bewegingen die tegelijk lopen. Wie zich niet kan verbinden, wordt eerder eenzaam dan zelfstandig. Wie zich alleen kan verbinden en geen eigen plek heeft, verdwijnt in de ander.
Bij de nakomer is die verhouding vaak scheef gegroeid. Door de omstandigheden heeft hij vroeg een ik ontwikkeld, uit noodzaak. Zijn wij is daarbij achtergebleven. In de tweede helft van zijn leven ligt de opdracht dan omgekeerd aan die van veel anderen. Zij moeten leren zichzelf te worden binnen een groep waar ze in opgingen. Hij moet leren erbij te horen zonder zichzelf te verliezen, iets wat hij als kind nooit heeft geoefend.
Buigen zonder te verdwijnen
De buitenstaander kan zijn familie scherp zien, ook in haar tekortkomingen. Die scherpte is een gave, en ze kan ook een vesting worden. Wie alles doorziet, hoeft nergens meer bij te horen. Hij staat erboven, en daar is het veilig.
De beweging die de vesting opent, is een buiging. Hij erkent de familie zoals ze was, met haar oude gewoonten en haar verhalen waarin hij niet voorkwam, en neemt daarin zijn plek als de laatste. Die buiging zegt: jullie waren er eerst, en ik hoor bij jullie, als degene die later kwam. Pas na die buiging komt de vrijheid die de buitenstaander zocht. Hij hoeft dan niet meer te bewijzen dat hij er niet bij hoeft te horen.
Wie deze beweging maakt, merkt vaak dat de eigenschappen die hij als buitenstaander heeft ontwikkeld er niet door verdwijnen. Zijn scherpe blik, zijn gevoeligheid en zijn vermogen om alleen te zijn blijven. Ze verliezen alleen hun verdedigende lading. Ze worden iets wat hij kan inzetten, in plaats van iets waarmee hij zich beschermt.
De innerlijke rangorde
De hoogste vorm van ontwikkeling is een innerlijke ordening van waarden die iemand zelf heeft gevonden. Die ontstaat wanneer iemand het verschil voelt tussen wat is en wat zou moeten zijn, en de spanning daartussen niet ontloopt. Het voelen van dat verschil alleen is niet genoeg; het kan ook leiden tot bitterheid, of tot een leven lang klagen over wat niet goed was. Het moet worden gedragen en omgezet in keuzes.
De nakomer kent dat verschil goed. Hij heeft altijd gevoeld dat de familie anders had kunnen zijn. Of dat besef uitmondt in een eigen ordening, of in een levenslange verwijdering, hangt mede af van de vraag of hij ooit de stap zet om erbij te horen. Die vraag kan hij alleen voor zichzelf beantwoorden, en het antwoord verandert soms per levensfase.
MEER LEZEN over Nakomertjes:
Algemeen – nakomertje
INLEIDING serie
1) Het lichaam waarin je werd gedragen
2) Ouders in hun tweede levenshelft
3) Twee gezinnen onder een dak
4) Opgroeien in een huis dat leegloopt
5) Meerdere moeders en geen
6) Een familie die je alleen kent als verhaal
7) Het kind dat iets moest herstellen
8) Broers en Zussen aan de andere kant
9) De nakomer in de liefde
10) De buitenstaander als vormende kracht