Bij wie hoort zij?
Hertrouwen in de Bijbel, deel 8
Zeven broers
De laatste vraag over hertrouwen in de evangeliën wordt gesteld door mensen die er niet in geloven. Prosèlthon autō Saddoukaioi, legontes mè einai anastasin, er kwamen sadduceeën naar hem toe, die zeggen dat er geen opstanding is (Matteüs 22:23). De sadduceën gaven alleen de geschreven Thora gezag; volgens sommige kerkvaders erkenden zij alleen de vijf boeken van Mozes, en Handelingen 23:8 vat hun leer samen: geen opstanding, geen engel en geen geest.
Ze vallen Jezus aan met een wet uit hun eigen Thora: het leviraat van Deuteronomium 25 (deel 7). Mozes heeft gezegd: als iemand sterft zonder kinderen, dan zal zijn broer met zijn vrouw trouwen en zaad verwekken voor zijn broer (22:24). Het werkwoord epigambreuō is verwant aan gambreuō, het woord dat de Griekse Bijbel gebruikt in Genesis 38:8 (sommige handschriften lezen ook daar epigambreuō), wanneer Juda tegen Onan zegt: ga tot de vrouw van je broer. De sadduceeën citeren Mozes, maar in de taal van Tamar.
Dan volgt hun verhaal. Er waren zeven broers. De eerste trouwde en stierf kinderloos, en liet zijn vrouw na aan zijn broer. Zo ook de tweede en de derde, tot de zevende. Als laatste stierf de vrouw. In de opstanding, van wie van de zeven zal zij dan de vrouw zijn? Ze hadden haar allemaal (22:25-28).
Veel uitleggers horen in het verhaal een echo van het boek Tobit, dat in de tijd van Jezus bekend was. Daar is Sara zeven keer uitgehuwelijkt, en de demon Asmodeüs doodde elke man voordat hij bij haar kwam. Haar dienstmeid bespot haar: jij bent het die je mannen ombrengt (Tobit 3:8). Tobias, haar naaste verwant, heeft volgens de wet van Mozes het recht op haar, en hij overleeft de nacht. De sadduceeën nemen een bekende geschiedenis van zeven doden en maken er een grap van.
De grap is scherp. Het leviraat bestaat om de naam van een dode in leven te houden in het enige leven dat er volgens de sadduceeën is: het nageslacht. Als er een opstanding is, zeggen ze, dan heeft Mozes een wet gegeven die in de toekomende wereld een vrouw aan zeven mannen tegelijk bindt. Dat is een opstanding die van de Thora een onzin maakt. En de vrouw heeft in hun verhaal geen naam, geen stem en geen wil. Zij wordt doorgegeven, zij sterft, en de vraag gaat alleen over welke man haar mag hebben.
Jullie dwalen
Jezus antwoordt eerst met een diagnose: jullie dwalen, omdat jullie de Schriften niet kennen en ook de kracht van God niet (Matteüs 22:29). Twee dingen ontbreken: de tekst en de kracht. Ze kennen de Thora goed genoeg om er een wapen van te maken, en ze kennen haar niet.
Dan het antwoord: want in de opstanding trouwen ze niet en worden ze niet ten huwelijk gegeven, maar ze zijn als engelen in de hemel (22:30). Hij zegt het tegen mensen die niet in engelen geloven. Ook dat hoort bij het antwoord.
De twee werkwoorden die hij ontkent, zijn precies. Gameō is trouwen, wat de man deed. Gamizō is ten huwelijk geven, wat de vader deed met zijn dochter. Het zijn de handelingen van het nemen en het overdragen, de beweging waarmee de vrouw in het verhaal van de sadduceeën van broer naar broer gaat. Die beweging houdt op. Over wat er tussen mensen blijft als het nemen en geven ophoudt, zegt de zin niets. Hij zegt alleen dat de vraag van wie niet meer gesteld kan worden.
Lucas maakt het uitvoeriger. De kinderen van deze wereld trouwen en worden ten huwelijk gegeven, maar wie waardig zijn geacht die wereld en de opstanding uit de doden te bereiken, trouwen niet en worden niet gegeven. Oude gar apothanein eti dunantai, want ze kunnen niet meer sterven. Ze zijn aan engelen gelijk, en ze zijn zonen van God, omdat ze zonen van de opstanding zijn (Lucas 20:34-36).
Hier sluit het antwoord aan bij het leviraat. De hele wet van Deuteronomium 25 bestaat om één ding: een zoon voor de dode, opdat zijn naam niet wordt uitgewist. De zeven broers stierven allemaal zonder die zoon. Het antwoord van Jezus in Lucas zegt dat in de opstanding iedereen zoon is, zoon van God en zoon van de opstanding. Wat het leviraat zocht en zevenmaal niet vond, is daar geen tekort meer. De dode heeft geen broer nodig om een naam te krijgen. Hij is zelf de zoon geworden.
En daarmee is ook duidelijk waarom het huwelijk in deze wereld met de dood verbonden is. Het leviraat, het verbod op terugkeer, de weduwe die vrij is bij de dood van haar man: telkens is de dood de spil (deel 2, 5 en 7). Waar niet meer gestorven wordt, draait die spil niet meer.
De God van Abraham
Dan gaat Jezus terug naar de Thora die de sadduceeën wel erkennen. Hebben jullie niet gelezen wat God tegen jullie gezegd heeft: Ik ben de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob? Hij is geen God van doden, maar van levenden (Mattheüs 22:31-32). Marcus en Lucas noemen de plaats: bij het braambos (Marcus 12:26, epi tou batou). Lucas voegt toe: pantes gar autō zōsin, want voor hem leven ze allemaal (Lucas 20:38).
Drie namen, en elk van hen had een eigen huwelijksgeschiedenis. Isaak had één vrouw, Rebekka. Jakob had er tegelijk twee, de zusters Lea en Rachel, en daarnaast hun slavinnen. Abraham was getrouwd met Sara, en na haar dood staat er: Abraham nam opnieuw een vrouw, en haar naam was Ketura (Genesis 25:1). De God van het braambos is de God van een hertrouwde weduwnaar.
Rasji schrijft bij dat vers één zin die de hele serie raakt: Ketura is Hagar. Ze heette Ketura omdat haar daden welriekend waren als reukwerk, ketoret, en omdat zij haar opening had toegebonden, sjekasjra pitchah: zij had zich met geen enkele man verbonden vanaf de dag dat zij van Abraham was weggegaan (Rasji bij Genesis 25:1, naar Bereesjiet Rabba 61:4).
Hagar is de vrouw die Abraham op aandringen van Sara verdreef: garesj ha’ama hazot, verdrijf deze slavin (Genesis 21:10). In deel 2 stond zij in de rij van Adam en Kaïn, van wie buiten de oorspronkelijke plek is komen te staan. Volgens de midrasj neemt Abraham na de dood van Sara de verdrevene terug. Je zou kunnen zeggen: dat kon omdat zij niet van een andere man was geworden. Het verbod van Deuteronomium 24:4 treft alleen de vrouw die met een ander trouwde, en Hagar heeft, zoals de vrouw van Hosea in 3:3, de tijd tussen het oude en het nieuwe doorgebracht als van niemand. De weg terug was open omdat zij hem open had gehouden.
In het antwoord aan de sadduceeën zit die geschiedenis verborgen in één naam. Jezus zegt niet welke van de zeven broers de vrouw in de opstanding zal hebben. Hij noemt een God die de God is van Abraham, die twee vrouwen had, één verdreven en teruggenomen, één gestorven en begraven in Machpela. En hij zegt: voor hem leven ze allemaal.
Wie is de eerste?
De joodse traditie heeft de vraag van de sadduceeën niet laten rusten. Ze heeft haar serieuzer genomen dan de sadduceeën zelf, en ze heeft er geen eenduidig antwoord op gevonden.
De Zohar spreekt over man en vrouw als twee helften van één ziel, die bij de geboorte uiteengaan en elkaar na de dood weer vinden (Zohar I 21b en 91b). Als een van beiden sterft en de ander hertrouwt, bij wie hoort die ziel dan? De kabbalisten zeggen: bij de kadmon, de eerste. Maar het woord kadmon betekent hier volgens latere uitleg niet de eerste in tijd. Het betekent de oorspronkelijk bestemde, ook als die verbintenis in de tijd later kwam. De eerste is niet per se de eerste.
De Ari gaat verder. De Talmoed zegt dat een eerste huwelijk in de hemel wordt aangekondigd, en dat een tweede verbintenis zo moeilijk is als het splijten van de Schelfzee (Sota 2a). De Ari zegt dat dat niet eenvoudig gelezen kan worden, want we zien vaak dat het tweede huwelijk beter is dan het eerste. Zijn uitleg: het gaat om dezelfde ziel, die een tweede keer met dezelfde partner trouwt, in een volgend leven. Er staat daarom zivug sjeni, een tweede verbinding, en niet een tweede partner (Sja’ar Hagilgulim 20:1). Het tweede huwelijk is in die lezing een terugkeer naar de eerste, langs een omweg die zo zwaar is als een doortocht door zee.
Over de opstanding zelf zijn de geleerden het oneens. Een reeks auteurs zegt dat een hertrouwde vrouw dan bij haar eerste man hoort. De Chatam Sofer zegt dat het tweede huwelijk de eerste band heeft vervangen, en dat zij bij de tweede hoort. Over begrafenissen werd daarover in de praktijk werkelijk beslist: naast wie leg je een vrouw die twee keer weduwe werd? Soms gaf het doorslag bij wie zij kinderen had gehad.
En dan is er een antwoord van Saadja Gaon, in de tiende eeuw, in zijn Sefer Hatechiyah, zoals later geciteerd in Piskei Teshuva: deze vraag zal beantwoord worden door Mozes, wanneer hij opstaat. De sadduceeën begonnen met Mozes heeft gezegd. De traditie eindigt met Mozes zal zeggen. Tussen die twee staat een vraag die geen mens heeft kunnen beslissen.
Jezus beslist haar ook niet. Hij geeft geen naam van een broer. Daarin verschilt zijn antwoord van alle joodse antwoorden: hij aanvaardt niet dat de vraag gesteld kan worden in de vorm waarin ze gesteld is.
Van wie
De vraag van de sadduceeën staat in een naamval: tinos tōn hepta estai gunè, van wie van de zeven zal zij vrouw zijn? Een tweede naamval, een bezitsvorm. Wie deze serie heeft gevolgd, heeft die vorm vaker gezien.
In Deuteronomium 24:4 heet de eerste man ba’alah harisjon, haar eerste heer, haar eigenaar. In Hosea 2 zegt God dat zij hem niet langer ba’ali, mijn heer, zal noemen, maar isji, mijn man. Paulus noemt de getrouwde vrouw hupandros, onder een man (deel 5). De joodse scheidbrief geeft haar terug aan zichzelf, op dezelfde manier als de vrijlatingsakte de slavin: je bent van jezelf (deel 1). Paulus zegt van de verlaten gelovige dat zij niet tot slaaf gemaakt is (deel 4). En Matteüs noemt de moeder van Salomo tès tou Ouriou, die van Uria, alleen een bezitsvorm, zonder het woord vrouw (deel 7).
De teksten over hertrouwen lopen telkens langs de grens tussen bezit en verbond. Waar een vrouw van hand tot hand gaat, zoals Michal, droogt het leven op. Waar de eerste wordt uitgewist, zoals bij Uria, moet het tweede huwelijk door rouw en schuld heen voordat het een huwelijk heet. Waar een brief iemand losmaakt maar een voorbehoud houdt, is het geen losmaking (deel 1). Waar de eerste zijn plaats houdt, zoals in het leviraat, bij Ruth, bij Batseba in de stamboom van Matteüs, draagt het tweede vrucht.
In de opstanding, zegt Jezus, valt de bezitsvorm weg. Er wordt niet meer genomen en niet meer gegeven. Hij zegt niet dat wat tussen twee mensen was, verloren is. Hij zegt ook niet dat het blijft. Hij zegt: als engelen, en: voor God leven ze allemaal.
Paulus schrijft in 1 Korinthiërs 15:44 dat er een natuurlijk lichaam gezaaid wordt en een geestelijk lichaam opstaat, en in vers 50 dat vlees en bloed het koninkrijk van God niet kunnen beërven. Het huwelijk is in Genesis 2:24 één vlees. De inleiding van deze serie vroeg of een woord kan losmaken wat in het lichaam gebonden is. Aan het eind staat een andere vraag: wat er gebeurt met een binding van vlees als het vlees zelf verandert. Valt zij weg met het vlees, of wordt zij opgenomen in iets waarvoor het woord huwelijk te klein is?
De teksten zeggen het niet. Ze zeggen wel dat de vrouw van de zeven broers, die in het verhaal van de sadduceeën geen naam en geen stem heeft, in de opstanding van niemand is. En dat zij, net als de zeven, leeft voor God.
NAWOORD
De sadduceeën waren de priesterlijke aristocratie van Jeruzalem, de families die de tempel bestuurden en veel grond bezaten. Voor hen was het leviraat een levende wet: het hield bezit binnen de familie en een naam aan het land. Hun vraag over de zeven broers verdedigt zo ook een orde waarin hun eigen huizen werden doorgegeven. Een opstanding waarin niet meer getrouwd wordt, raakt aan die orde. Wie niet meer sterft, heeft geen erfgenaam nodig.
Het antwoord van Jezus had een parallel die zijn hoorders kenden. In 1 Henoch, in die tijd veel gelezen, zegt God tegen de gevallen engelen die vrouwen hadden genomen dat hij hun nooit vrouwen had gegeven, omdat zij geestelijk waren en eeuwig zouden leven. Vrouwen zijn gegeven aan wie sterven, opdat hun geslacht niet ophoudt (1 Henoch 15:4-7). Het huwelijk hoort bij de sterfelijkheid. Wat Lucas 20:36 zegt met zij kunnen niet meer sterven, stond dus niet alleen, en het verband tussen huwelijk en dood dat door de hele serie loopt, was voor de eerste hoorders bekend terrein.
De farizeeën stelden zich de opstanding vaak voor als een voortzetting van het aardse leven, en daarop speelt de vraag van de sadduceeën in. Maar ook binnen de rabbijnse traditie bestond de andere lijn. Rav zegt in de derde eeuw: in de komende wereld is er geen eten, geen drinken en geen voortplanting (Talmoed Berachot 17a). De antwoorden uit de Zohar en van de Ari stammen uit de dertiende en zestiende eeuw. Ze laten zien hoe de vraag bleef werken, en zeggen weinig over hoe zij in de eerste eeuw werd gehoord.
Bronnen
- Rasji bij Genesis 25:1, Ketura is Hagar
- Sja’ar Hagilgulim 20:1, eerste en tweede verbinding
- Zohar I 21b, de kadmon, en de opvattingen over de opstanding (Chatam Sofer, Saadja Gaon)
- Bijbelteksten: Mattheüs 22:23-33, Marcus 12:18-27, Lucas 20:27-40, Handelingen 23:8, Exodus 3:6, Genesis 21:10, 25:1 en 38:8, Deuteronomium 25:5-10, Tobit 3:7-8 en 6:10-13, Hosea 2:18 en 3:3, 1 Korinthiërs 15:44-50
SERIE Hertrouwen in de Bijbel:
– Inleiding – Hertrouwen in de Bijbel
– deel 1 – Toegestaan aan iedere man · de scheidbrief als toestemming om te hertrouwen
– deel 2 – Niet terug · het verbod op terugkeer, Michal, God en zijn eigen wet
– deel 3 – En een ander trouwt · de vier uitspraken van Jezus en de vrouw bij de put
– deel 4 – Ongehuwd blijven of verzoenen · Paulus in 1 Korinthiërs 7
– deel 5 – De weduwe · waarom de dood losmaakt
– deel 6 – Man van één vrouw · de hertrouwde en het ambt
– deel 7 – Opnieuw, voor de naam · leviraat, Tamar, Ruth, Abigaïl, Batseba
– deel 8 – Bij wie hoort zij? · de vrouw met zeven mannen in de opstanding
– deel 9 – Een ander die antwoordt · de Tien Woorden en het woord van de ander
– Slot – Mag je opnieuw trouwen? · kiezen tussen twee kwaden, en de genade
– Nawoord – De context van de teksten


