Opnieuw, voor de naam
Hertrouwen in de Bijbel, deel 7
Een huis bouwen
Er is één tweede huwelijk dat de Thora niet alleen toestaat, maar gebiedt. Als broers samenwonen en één van hen sterft zonder zoon, dan zal de vrouw van de dode niet buiten de familie trouwen met een vreemde man. Jevamah javo aleha, haar zwager zal tot haar komen en haar tot vrouw nemen. De eerstgeborene die zij baart, jakum al sjem achiv hamet, zal staan op de naam van zijn gestorven broer, welo jimmache sjemo miJisra’el, opdat diens naam niet uit Israël wordt uitgewist (Deuteronomium 25:5-6).
In Leviticus 18:16 en 20:21 staat het omgekeerde: de naaktheid van de vrouw van je broer zul je niet ontbloten. Wie de vrouw van zijn broer neemt, doet iets onreins. Dezelfde handeling is verboden en geboden. Wat het verschil maakt, is één ding: de dode heeft geen naam achtergelaten. Zolang de broer leeft, is zijn vrouw voor zijn broers onaantastbaar. Is hij kinderloos gestorven, dan wordt het tweede huwelijk een plicht aan hem. Het verbod dat Johannes de Doper aan Herodes Antipas voorhield (deel 3), het is u niet geoorloofd de vrouw van uw broer te hebben, gaat over een broer die nog leefde.
De Sifre maakt er een scherp onderscheid bij. De weduwe is toegestaan aan de zwager, de verstotene niet (Sifre Devarim 270). Een tweede huwelijk voor de naam bestaat alleen waar de eerste band door de dood is afgebroken, en niet door een brief. Wat de dood heeft opengelaten, mag de familie vullen. Wat een man zelf heeft afgesneden, niet.
Wie weigert, ondergaat een ritueel dat de tekst met opvallende precisie beschrijft. De weduwe gaat naar de oudsten in de poort, trekt hem zijn schoen uit, spuwt voor zijn gezicht en zegt: zo zal gedaan worden met de man die het huis van zijn broer niet bouwt. Zijn familie heet voortaan beit chaluts hana’al, het huis van de ontschoeide (25:9-10).
Jivneh, bouwen, en ben, zoon, hebben in het Hebreeuws dezelfde letters bet en noen. Een huis bouwen is een zoon verwekken. En bajit, huis, is in de Mishna het woord voor de vrouw: beito, zo isjto, zijn huis, dat is zijn vrouw (deel 6). Het tweede huwelijk van het leviraat bouwt dus het huis van een ander, in diens naam, met diens vrouw. De tweede man staat er in dienst van de eerste. Hij bewaart de plaats van de eerste.
Herken toch
De oudste geschiedenis van een tweede huwelijk voor de naam staat in Genesis 38, nog vóór er een wet over bestond. Juda geeft zijn oudste zoon Er een vrouw, Tamar. Er is kwaad in de ogen van de Eeuwige en sterft. Juda zegt tegen zijn tweede zoon Onan: ga tot de vrouw van je broer en vervul je plicht, wek zaad op voor je broer. Onan gaat tot haar, ki lo lo jihje hazara, want hij wist dat het zaad niet van hem zou zijn, en hij liet het verloren gaan (38:9). Hij nam het huwelijk, maar weigerde de naam. Ook hij sterft.
Juda heeft nog een zoon, Sela, maar hij geeft hem haar niet. Blijf als weduwe in het huis van je vader, want hij zei: anders sterft ook hij, net als zijn broers (38:11). Juda houdt Tamar voor de oorzaak. Ze wordt teruggestuurd naar haar vaders huis, geen vrouw meer en ook niet vrij.
Wanneer zij ziet dat Sela volwassen is en zij hem niet tot vrouw gegeven wordt, trekt ze haar weduwekleren uit, bedekt zich met een sluier en gaat zitten bij de ingang van Enaïm (38:14). De plaatsnaam betekent letterlijk: de opening van de ogen. Juda ziet een vrouw langs de weg, houdt haar voor een hoer, en geeft als onderpand zijn zegel, zijn koord en zijn staf. Dat is zijn identiteit, zijn naam in drie voorwerpen.
Drie maanden later hoort hij dat zijn schoondochter zwanger is, en hij zegt: breng haar naar buiten, laat haar verbrand worden. Zij stuurt hem de voorwerpen met één zin: haker na, herken toch, van wie deze zijn (38:25). Dezelfde twee woorden spraken de broers tegen hun vader Jakob, toen ze hem het bebloede kleed van Jozef lieten zien: haker na, herken toch, of dit het kleed van je zoon is (37:32). Juda was een van hen. Het woord waarmee hij zijn vader bedroog, komt nu bij hem terug. Wajakker Jehuda, en Juda herkende ze, en hij zei: tsadka mimmenni, zij is rechtvaardiger dan ik (38:26).
Tamar werd geen vrouw van Juda;hij kende haar daarna niet meer. Haar tweede verbintenis was één nacht, door haar zelf afgedwongen, om de naam van haar eerste man niet te laten verdwijnen. Er wordt een tweeling geboren. Bij de geboorte breekt de ene door, en de vroedvrouw zegt: wat heb jij een bres geslagen, en ze noemen hem Perez, Bres (38:29). Van Perez loopt de lijn naar David.
Onder je vleugel
In Ruth is het leviraat onmogelijk geworden. Naomi heeft geen zonen meer, en ze zegt tegen haar schoondochters: heb ik soms nog zonen in mijn schoot die jullie mannen kunnen worden? Ik ben te oud om van een man te worden (1:11-12). Het is de uitdrukking uit Deuteronomium 24:2, van een man worden (deel 1). Orpa gaat terug. Ruth blijft.
Ruth is Moabitische. In Deuteronomium 23:4 staat: geen Ammoniet of Moabiet zal in de gemeente van de Eeuwige komen, ook het tiende geslacht niet. De Mishna leest dat nauwkeurig: Ammonitische en Moabitische mannen zijn voor altijd uitgesloten, maar hun vrouwen zijn meteen toegestaan (Jevamot 8:3). De vrouw die in het verhaal van buiten komt, valt buiten het verbod.
In Ezra en Nehemia wordt hetzelfde vers anders gelezen. In Nehemia 13:1-3 wordt het voorgelezen en worden alle vreemden van Israël afgescheiden. In Ezra 9-10 worden de Israëlitische mannen gedwongen hun vreemde vrouwen weg te zenden, alle vrouwen naar buiten te brengen, met hetzelfde werkwoord jatsa waarmee in Deuteronomium 24 de vrouw uit het huis van haar man gaat. Het boek Ezra eindigt met een vers waarvan het Hebreeuws onzeker is: er waren onder hen vrouwen die kinderen hadden gekregen, of, in een oude lezing, ‘en zij stuurden hen weg met de kinderen’ (10:44). Veel uitleggers lezen het boek Ruth als een tegenstem in die discussie.
Ruth gaat aren lezen op het veld van Boaz. Hij zegt tegen haar: moge de Eeuwige je belonen, onder wiens vleugels je bent gekomen om te schuilen (2:12). Een hoofdstuk later ligt zij ’s nachts aan zijn voeten en zegt: spreid je vleugel uit over je dienstmaagd, want jij bent losser (3:9). Kanaf is vleugel en ook de slip van een mantel. Zij vraagt hem te zijn wat hij God voor haar had toegewenst. In Ezechiël 16:8 gebruikt God hetzelfde gebaar voor zijn huwelijk met Jeruzalem: ik spreidde mijn vleugel over je uit, en je werd de mijne.
Er is een losser die dichterbij staat dan Boaz. De tekst geeft hem geen naam. Boaz roept hem toe (4:1). Hij wil het land wel kopen, maar niet de vrouw erbij: ik kan het niet lossen, anders bederf ik mijn eigen erfdeel (4:6). Sjachat, bederven, is het werkwoord van Onan, die zijn zaad liet verloren gaan, wesjichet (Genesis 38:9). De man die weigert de naam van een ander op te richten om zijn eigen erfdeel te sparen, staat in de rij van Onan. En hij verliest zijn eigen naam: in het verhaal heet hij alleen peloni almoni, iemand.
Boaz zegt het tegenovergestelde: ik neem Ruth tot vrouw om de naam van de dode op zijn erfdeel op te richten, opdat de naam van de dode niet wordt afgesneden (4:10). Jikaret is de wortel karat, het woord van de sefer keritut, de brief van afsnijding. Een tweede huwelijk voorkomt hier een afsnijding. De oudsten in de poort zegenen het met één naam: moge je huis zijn als het huis van Perez, die Tamar aan Juda baarde (4:12). En de buurvrouwen zeggen bij de geboorte: er is een zoon geboren voor Naomi (4:17). Die zoon heet Obed, de vader van Isaï, de vader van David.
Twee weduwen voor David
Twee keer trouwt David met een vrouw wier man net gestorven is, en de verteller gebruikt beide keren precies dezelfde woorden: en zij werd zijn vrouw (1 Samuël 25:42 en 2 Samuël 11:27). Daaronder liggen twee tegenovergestelde geschiedenissen.
Abigaïl is getrouwd met Nabal, en de tekst zegt het meteen: zij was verstandig en mooi, hij hard en slecht in zijn daden (1 Samuël 25:3). Als Nabal David beledigt, trekt David met vierhonderd man op om hem en al zijn mannen te doden. Abigaïl gaat hem tegemoet met brood, wijn en vijgen, buigt voor hem en houdt hem tegen. Laat dit u later geen wankelen en struikelblok van het hart, zegt ze: dat u zonder reden bloed hebt vergoten en uzelf hebt geholpen met uw eigen hand (25:31). David zegt: gezegend is uw verstand, en gezegend bent u, die mij vandaag hebt weerhouden van bloedschuld. Zijn hart stierf in hem, en hij werd als een steen. Ongeveer tien dagen later, sloeg de Eeuwige Nabal, en hij stierf (25:37-38). Pas dan stuurt David boden naar Abigaïl. Haar tweede huwelijk komt na een dood waar David zijn handen van heeft afgehouden, omdat zij hem tegenhield.
In het vers direct daarna staat dat Saul Michal, de vrouw van David, aan Palti had gegeven (25:44). De verteller zet de twee vrouwen naast elkaar: de ene die na de dood van haar man met David trouwt, en de andere die bij een levende man wordt weggehaald en aan een ander gegeven (deel 2).
Batseba is de vrouw van Uria. David ziet haar, laat haar halen, en als zij zwanger is, regelt hij dat Uria in de frontlinie sneuvelt. De vrouw van Uria hoorde dat Uria, haar man, dood was, en ze rouwde om haar heer (11:26). In één vers wordt zij drie keer aan Uria verbonden: vrouw van Uria, haar man, haar heer. Haar eigen naam staat er niet. De rouw ging voorbij, en David liet haar in zijn huis halen, en zij werd zijn vrouw. Het hoofdstuk eindigt: maar wat David gedaan had, was kwaad in de ogen van de Eeuwige (11:27).
Dit is het tweede huwelijk waar deel 5 op vooruitwees: een vrouw die volgens de letter een vrije weduwe is, en een vrijheid die door een moord is gemaakt. Natan zegt het hardop: Uria hebt u met het zwaard verslagen, en zijn vrouw hebt u tot vrouw genomen (12:9). Het kind dat geboren wordt, sterft.
Dan volgt een vers dat de lijn omkeert. Nadat het kind gestorven is en David heeft gevast en gerouwd, staat er: David troostte Batseba, zijn vrouw (12:24). Het is de eerste keer dat de verteller haar isjto noemt, zijn vrouw. In 12:15 was zij nog ‘de vrouw van Uria’, en de eerste keer sinds hoofdstuk 11 dat ze haar eigen naam krijgt. Pas na de dood, de schuld, de rouw en de troost noemt de verteller haar zijn vrouw, met haar eigen naam erbij. Het kind dat daarna komt, is Salomo. Natan geeft hem een tweede naam: Jedidja, geliefd van de Eeuwige (12:25).
Die van Uria
In het geslachtsregister waarmee Mattheüs zijn evangelie opent, staan vier vrouwen vóór Maria. Tamar, bij wie Juda Perez en Zerach verwekte (1:3). Rachab, de moeder van Boaz. Ruth, bij wie Boaz Obed verwekte (1:5). En dan: David verwekte Salomo bij die van Uria (1:6). Het Grieks heeft niet eens een woord voor vrouw. Er staat alleen: uit die van Uria. Batseba wordt niet genoemd. Uria wel.
In de stamboom van de Messias staat de naam van een Hettitische soldaat die geen nakomeling in die lijn heeft, die vermoord is door de man wiens zoon de lijn voortzet. Mattheüs had hem kunnen weglaten, zoals Kronieken doet, en Batseba bij haar eigen naam kunnen noemen. Hij doet het omgekeerde. De eerste man blijft staan, met zijn naam, in het geslacht van een ander.
Wanneer ik de verhalen van dit deel naast elkaar leg, keert dat steeds terug. In het leviraat staat het eerste kind van het tweede huwelijk op de naam van de eerste man. Tamar riskeert de brandstapel om de naam van Er niet te laten verdwijnen. Boaz trouwt Ruth zodat de naam van de dode niet wordt afgesneden, en de man die dat weigert, verliest zijn eigen naam. Bij Michal, waar de tweede man wordt weggestuurd alsof hij nooit had bestaan, droogt het verhaal op (deel 2). Bij Batseba, waar de eerste man werd vermoord om plaats te maken, wordt het tweede huwelijk pas een huwelijk na rouw en schuld, en Mattheüs laat de eerste in de lijn staan.
In deze verhalen dragen de tweede huwelijken vrucht waar de eerste zijn plaats houdt, en ze lopen dood waar de eerste wordt uitgewist. Het tweede huwelijk heeft in deze teksten nooit de opdracht het eerste ongedaan te maken. Het staat erop.
Of dat iets zegt over een tweede huwelijk na een scheiding, waarbij de eerste nog leeft, laten deze verhalen open. Ze gaan over weduwen, en één keer over een moord. Het leviraat bestaat niet meer, en niemand trouwt nog om de naam van een dode op te richten. Maar de vraag die het leviraat stelde, welke plaats de eerste krijgt in het huis dat daarna wordt gebouwd, verdwijnt niet met de wet.
De sadduceeën gebruikten juist het leviraat om Jezus vast te zetten. Een vrouw trouwt volgens Deuteronomium 25 met zeven broers na elkaar, en alle zeven sterven kinderloos. Bij wie hoort zij in de opstanding? Dat is het laatste deel.
NAWOORD
Voor de weduwe was het leviraat een kwestie van bestaan. Een vrouw erfde niet van haar man: het land ging naar zijn zonen, en had hij die niet, naar zijn broers (Numeri 27:8-11). Een kinderloze weduwe had dus geen plaats op de grond die haar man had bewerkt. Het leviraat gaf haar die plaats terug. Via een zoon op de naam van haar eerste man bleef zij in het huis en op het land. De naam van de dode en het brood van de weduwe hingen aan dezelfde zoon.
Dat geeft Tamar een eigen strijd. Juda stuurde haar terug naar het huis van haar vader, en daar stond zij buiten elke orde. Met een ander trouwen mocht zij niet, want zij was aan Sela beloofd, en Sela kreeg zij niet. Bij de ingang van Enaïm dwingt zij de naam van Er af, en ook haar eigen plaats in de wereld. Zij is rechtvaardiger dan ik gaat over een recht dat haar werd onthouden.
Ruth staat lager dan het verhaal laat merken. Aren lezen op andermans veld was het recht van de vreemdeling, de wees en de weduwe (Leviticus 19:9-10, Deuteronomium 24:19). Ruth was vreemdeling en weduwe tegelijk. De losser die weigert, rekent nuchter: als hij het land van Elimelech koopt en bij Ruth een zoon verwekt, gaat dat land later naar die zoon, op de naam van de dode, en heeft hij voor niets betaald.
Bij Abigaïl komt de politiek boven. Nabal was een Calebiet, zijn bezit lag bij Karmel, vlak bij Hebron, in het gebied van de clan van Kaleb. Kort na het huwelijk wordt David in Hebron tot koning over Juda gezalfd (2 Samuël 2:1-4). Met de weduwe van een rijke Calebiet kreeg hij banden met een clan en een streek die hij nodig had. Het contrast met Batseba blijft: het ene huwelijk volgt op een dood die David niet veroorzaakte, het andere op een dood die hij regelde. Maar ook het eerste huwelijk was meer dan een antwoord op verstandige woorden.
Ezra 9-10 speelt in een kleine gemeenschap van teruggekeerde ballingen die hun aanspraak op het land moesten verdedigen tegenover wie in het land was gebleven. Gemengde huwelijken brachten erfdelen in handen van andere families, en het wegzenden van de vrouwen was ook een strijd om grond. Ruth, die als Moabitische juist via een huwelijk aan een erfdeel komt, wordt daardoor een nog scherpere tegenstem.
Bronnen
- Mishna Jevamot 8:3, Ammonitische en Moabitische vrouwen
- Sifre Devarim 270, weduwe en verstotene bij het leviraat
- Bijbelteksten: Deuteronomium 23:4 (in sommige vertalingen 23:3) en 25:5-10, Leviticus 18:16 en 20:21, Genesis 37:31-33 en 38, Ruth 1-4, Ezechiël 16:8, Ezra 9-10, Nehemia 13:1-3 en 23-27, 1 Samuël 25, 2 Samuël 11-12, 1 Kronieken 3:5, Mattheüs 1:1-16
SERIE Hertrouwen in de Bijbel:
– Inleiding – Hertrouwen in de Bijbel
– deel 1 – Toegestaan aan iedere man · de scheidbrief als toestemming om te hertrouwen
– deel 2 – Niet terug · het verbod op terugkeer, Michal, God en zijn eigen wet
– deel 3 – En een ander trouwt · de vier uitspraken van Jezus en de vrouw bij de put
– deel 4 – Ongehuwd blijven of verzoenen · Paulus in 1 Korinthiërs 7
– deel 5 – De weduwe · waarom de dood losmaakt
– deel 6 – Man van één vrouw · de hertrouwde en het ambt
– deel 7 – Opnieuw, voor de naam · leviraat, Tamar, Ruth, Abigaïl, Batseba
– deel 8 – Bij wie hoort zij? · de vrouw met zeven mannen in de opstanding
– deel 9 – Een ander die antwoordt · de Tien Woorden en het woord van de ander
– Slot – Mag je opnieuw trouwen? · kiezen tussen twee kwaden, en de genade
– Nawoord – De context van de teksten

