Man van één vrouw
Hertrouwen in de Bijbel, deel 6
Vier woorden, vier lezingen
Drie verzen, en telkens dezelfde vier woorden. Een opziener moet onberispelijk zijn, mias gunaikos andra, man van één vrouw (1 Timotheüs 3:2). Diakenen moeten zijn mias gunaikos andres, mannen van één vrouw (3:12). Een oudste moet mias gunaikos anèr zijn, met gelovige kinderen (Titus 1:6). In het Grieks staat mias, één, vooraan. De nadruk ligt op het getal.
Wat dat getal telt, zeggen de verzen niet. Er zijn vier lezingen, en elk heeft de kerk een andere vorm gegeven.
De eerste: geen polygamie. Een opziener mag niet meer dan één vrouw tegelijk hebben. Dat past bij de joodse wereld, waar veelwijverij toegestaan bleef, en bij Qumran, waar het werd veroordeeld. In de Grieks-Romeinse steden waar deze brieven terechtkwamen, was polygamie verboden. Onder joden kwam zij nog voor. Het archief van Babatha, gevonden in de grotten van Nahal Hever, laat een joodse man uit het begin van de tweede eeuw zien die tegelijk met twee vrouwen getrouwd was. Na zijn dood procedeerden de vrouwen tegen elkaar over zijn nalatenschap. In gemeenten met joodse gelovigen was één vrouw dus geen eis die iedereen al vervulde.
De tweede: niet hertrouwd na een scheiding. Wie een vrouw heeft weggezonden en een ander genomen, heeft in zekere zin twee vrouwen die nog leven. Dat sluit aan bij Mattheüs 19 en Marcus 10 (deel 3).
De derde: maar één keer getrouwd geweest, ook na de dood van de eerste vrouw. Dan is ook de weduwnaar die hertrouwt uitgesloten. Zo heeft de oude kerk het grotendeels gelezen.
De vierde: een eenvrouwsman, een man die trouw is aan zijn vrouw. Dan gaat het om karakter en niet om een huwelijksgeschiedenis. Het woord staat in 1 Timotheüs 3 tussen andere eigenschappen: nuchter, bezonnen, gastvrij, geen drinker, niet gewelddadig, niet geldzuchtig. Dat zijn allemaal hoedanigheden van iemand nu, geen gebeurtenissen uit zijn verleden.
De tekst beslist niet tussen deze lezingen. Wat hij wel doet, is één ding verbinden met de plaats die iemand inneemt. De eis geldt alleen voor wie de gemeente voorgaat. Over de doop of de tafel zegt hij niets. Dat spoor begon in Leviticus 21, bij de priester (deel 2), en het loopt hier verder.
Vrouw van één man
De sleutel ligt twee hoofdstukken verder, bij de weduwen. Een weduwe die door de gemeente wordt onderhouden, moet een vrouw van één man zijn geweest (1 Timotheüs 5:9). Het is dezelfde uitdrukking, omgedraaid. Hier valt de eerste lezing weg. Een vrouw met meerdere mannen tegelijk bestond in deze wereld niet als instelling. Als de uitdrukking voor de weduwe niet niet polygaam kan betekenen, is het moeilijk vol te houden dat ze dat voor de opziener wel betekent.
De lezers in Efeze hoorden in henos andros gunè iets wat ze kenden. Op Romeinse grafstenen staat univira: de vrouw die maar één man heeft gehad. Het was een eretitel, gebeiteld boven het graf van vrouwen die na de dood van hun man niet opnieuw waren getrouwd. In het Grieks heette ze monandros. Tegelijk kende het Romeinse recht van keizer Augustus juist het omgekeerde: jonge weduwen werden onder druk gezet om binnen één tot twee jaar te hertrouwen, op straffe van verlies van erfrechten en kinderen te krijgen. De samenleving eerde de vrouw die alleen bleef, en verplichtte de vrouw die nog jong was om te hertrouwen.
Dezelfde spanning staat in 1 Timotheüs 5. In vers 9 wordt de univira geëerd. In vers 14 moeten jonge weduwen trouwen, kinderen krijgen en een huis leiden. Als maar één keer getrouwd, dan sluit de brief juist de weduwen die zijn raad opvolgden, later uit van de lijst. Een jonge weduwe die gehoorzaam hertrouwde en op haar zestigste weer weduwe werd, zou geen recht meer hebben op onderhoud. Dat kan de bedoeling zijn: de lijst als ereplaats voor een bijzondere roeping, en niet als vangnet voor iedereen. Maar het kan ook betekenen dat de uitdrukking iets anders telt dan het aantal huwelijken: een vrouw die haar man trouw was.
Wat de uitdrukking ook telt, ze is overgenomen uit een cultuur die een ideaal kende voor vrouwen. Dat de Pastorale brieven dat ideaal omdraaien en op mannen toepassen, is nieuw. In de Romeinse wereld werd een man niet geëerd omdat hij maar één vrouw had gehad. Hier wordt dat gevraagd van wie de gemeente leidt.
Eén huis
De Mishna van het traktaat Joma begint zeven dagen voor Grote Verzoendag. De hogepriester wordt uit zijn huis gehaald en in een kamer in de tempel ondergebracht, en er wordt een andere priester voor hem klaargezet voor het geval hij onrein wordt. Dan zegt Rabbi Jehoeda: men zet ook een andere vrouw voor hem klaar, voor het geval zijn vrouw sterft. Want er staat: en hij zal verzoening doen voor zichzelf en voor zijn huis (Leviticus 16:6). Beito, zo isjto: zijn huis, dat is zijn vrouw (Mishna Joma 1:1).
De verzoening van het hele volk hangt aan een hogepriester die een vrouw heeft. Zonder huis kan hij niet verzoenen. De wijzen antwoorden Jehoeda: als je zo redeneert, is er geen einde aan, want ook de tweede vrouw kan sterven.
In de Talmoed (Joma 13a) wordt het nog scherper. Als de hogepriester de tweede vrouw alvast trouwt, heeft hij sjnei batim, twee huizen. En er staat: voor zijn huis, en niet voor twee huizen. Dan volgt een lange reeks oplossingen met voorwaardelijke scheidbrieven: hij trouwt haar en geeft haar een brief die alleen geldt als de eerste vrouw niet sterft, of juist als ze wel sterft. Elke oplossing loopt vast, want er is altijd een moment op die dag waarop hij geen huis heeft of twee. Halverwege citeert de Talmoed Rava: een brief met een voorwaarde die de vrouw haar hele leven aan haar man blijft binden, is geen keritut, geen afsnijding. Dezelfde gedachte als in Gittin 9 (deel 1): een brief met een voorbehoud scheidt niet.
De hele discussie is bijna absurd in haar nauwkeurigheid, en juist daardoor laat ze zien wat er op het spel staat. Op de heiligste dag van het jaar, voor de heiligste handeling in het heiligste deel van de tempel, moet de hogepriester precies één huis hebben. Niet nul, niet twee. Man van één vrouw, in de meest letterlijke zin die denkbaar is.
En toch: Rabbi Jehoeda wil zelfs vooraf een tweede vrouw voor hem klaarzetten, voor het geval de eerste sterft. Dat de hogepriester na de dood van zijn vrouw opnieuw mag trouwen, staat voor niemand ter discussie. Leviticus 21:14 schrijft voor dat zij een maagd moet zijn, maar dat er een tweede vrouw mag komen na de dood van de eerste, staat niet ter discussie. Voor de hogepriester betekent één dus één tegelijk, en niet één in een heel leven.
De Tempelrol uit Qumran zegt hetzelfde over de koning. Bij Deuteronomium 17:17, hij zal zijn vrouwen niet vermenigvuldigen, staat daar: hij zal naast haar geen andere vrouw nemen, want zij alleen zal bij hem zijn al de dagen van haar leven, en als zij sterft, zal hij een andere nemen (11QT 57:17-19). Dit is dezelfde gemeenschap die in het Damascusgeschrift twee vrouwen in één leven ontucht noemde (deel 3). Ook zij laat de koning hertrouwen na de dood van zijn vrouw.
De strengste joodse teksten die we kennen over het huwelijk van wie het volk vertegenwoordigt, de hogepriester en de koning, vragen één vrouw tegelijk, en staan een tweede huwelijk na de dood van de eerste toe. Wat zij uitsluiten, is twee levende vrouwen: veelwijverij, of een weggezonden vrouw die nog leeft. De derde lezing van mias gunaikos anèr, nooit opnieuw getrouwd, ook niet als weduwnaar, vindt in deze joodse achtergrond geen steun.
Wat de kerk ervan maakte
De oude kerk koos de derde lezing, en ze koos haar streng. Al in de tweede eeuw noemt de apologeet Athenagoras een tweede huwelijk na de dood van de partner euprepès moicheia, een fatsoenlijk overspel. Tertullianus schreef eerst aan zijn eigen vrouw dat ze na zijn dood niet moest hertrouwen. Later, toen hij zich bij de strenge beweging van Montanus had aangesloten, schreef hij een heel boek tegen elk tweede huwelijk.
De zogenaamde Apostolische Canons, een kerkorde uit Syrië van het eind van de vierde eeuw, maken er regelgeving van. Canon 17: wie na de doop twee keer getrouwd is geweest, of een bijvrouw heeft gehad, kan geen bisschop, priester of diaken worden. Canon 18: wie een weduwe, een verstoten vrouw, een hoer, een dienstmeid of een actrice heeft getrouwd, evenmin. Die tweede lijst is bijna woordelijk Leviticus 21, de wet voor de priester (deel 2), nu overgedragen op de geestelijkheid van de kerk. Zo komt de priesterwet van de tempel in de kerkorde terecht.
Eén woord in canon 17 verdient aandacht: na de doop. Een huwelijk van vóór de doop telt niet mee. Hiëronymus verdedigde op die grond een Spaanse bisschop die vóór zijn doop één keer en erna nog een keer getrouwd was: de doop had het eerste uitgewist. Wat Paulus in Romeinen 6 en 7 niet deed, de dood in de doop gelijkstellen aan een dood die de huwelijksband losmaakt (deel 5), deed de kerk hier wel, maar alleen om te bepalen wie in aanmerking kwam voor een ambt.
Tegelijk verzette de kerk zich tegen wie de strengheid naar iedereen wilde uitbreiden. Het concilie van Nicea, in 325, schreef in canon 8 voor dat de Novatianen, die zichzelf katharoi, de reinen, noemden, bij hun terugkeer schriftelijk moesten beloven gemeenschap te houden met wie twee keer getrouwd was. De eerste algemene kerkvergadering nam het dus op voor hertrouwde weduwen en weduwnaars als volwaardig lid van de gemeente, tegen de zuiveraars in. Het concilie van Toledo, rond 400, maakte het onderscheid zichtbaar: een subdiaken die na de dood van zijn vrouw opnieuw trouwde, werd teruggezet naar het ambt van portier of lezer. Hij bleef in de kerk, maar mocht het evangelie en de apostellezing niet meer lezen.
In de oosters-orthodoxe kerken geldt dit nog steeds: wie twee keer getrouwd is, kan niet tot priester gewijd worden, en een priester wiens vrouw sterft, mag niet hertrouwen. In de westerse kerk werd de vraag later overvleugeld door het verplichte celibaat. Maar de lijn is in beide gevallen dezelfde gebleven. Wie hertrouwt, blijft lid van de gemeenschap en verliest één bepaalde plaats daarin.
Het grote geheimenis
Waarom zou juist de leider man van één vrouw moeten zijn? De brief aan de Efeziërs geeft een richting. Na de huishoudregels voor man en vrouw citeert hij Genesis 2:24, de twee zullen tot één vlees zijn, en zegt dan: dit geheimenis is groot, en ik zeg het met het oog op Christus en de gemeente (5:32). Het huwelijk is een beeld van iets dat groter is dan het huwelijk. Christus heeft één bruid.
Als dat de achtergrond is van mias gunaikos anèr, dan gaat de eis over wat de leider laat zien. Wie de gemeente voorgaat, staat op een plaats waar zijn huwelijk gelezen wordt als beeld van de ene bruidegom en de ene bruid. Dezelfde gedachte zat onder de priesterwetten van Leviticus 21 en onder de hogepriester met zijn ene huis: het gaat om de plaats die iemand inneemt, en om wat die plaats moet uitbeelden. Een weduwe die de hogepriester niet mocht trouwen, had niets verkeerd gedaan. Zij paste niet in het beeld.
Maar het beeld zelf is minder ongebroken dan de regel die er later van gemaakt is. In Romeinen 7:4 beschrijft Paulus de gemeente als een vrouw die eerst onder een andere heer stond en nu van een ander is geworden, de opgestane Christus (deel 5). In Hosea verlooft God zich opnieuw met een vrouw die van anderen was geweest (deel 2). In Jeremia 31 sluit hij een nieuw verbond, niet als het eerste, met een volk dat het eerste had verbroken. De ene bruid van de ene bruidegom heeft een geschiedenis. Ze is weggezonden, opnieuw verloofd, van een ander geworden. Het geheimenis dat de leider moet uitbeelden, bevat zelf al een breuk en een tweede begin.
Dat lost de vraag niet op. Mias gunaikos anèr kan blijven betekenen: één keer getrouwd, en wie dat niet is, kan dat beeld niet dragen. Het kan ook betekenen: een man die trouw is aan de ene vrouw met wie hij nu leeft, zoals God trouw is aan het ene volk dat hij opnieuw tot zich nam. Tussen die twee lezingen staat een mens die na een scheiding of een sterfgeval opnieuw is getrouwd en die geroepen wordt om voor te gaan. De tekst beslist niet over hem. Kerken hebben dat wel gedaan, in beide richtingen. Wie zo’n beslissing neemt, beslist over een plaats, en de oudste lezers van deze regel, van de Mishna tot Nicea, wisten dat dat iets anders is dan een oordeel over iemands waarde.
NAWOORD
Zoals ik eerder schreef: de eerste lezing, geen veelwijverij, staat sterker dan zij lijkt. In de grotten van Nahal Hever is het archief gevonden van Babatha, een joodse vrouw uit het begin van de tweede eeuw. Haar tweede man, Juda, was tegelijk getrouwd met een andere vrouw, Mirjam. Na zijn dood procedeerden de twee vrouwen tegen elkaar over zijn nalatenschap. Josephus noemt het bij Herodes de Grote een voorvaderlijk gebruik om meerdere vrouwen tegelijk te hebben (Oudheden 17.14), en Justinus verwijt joodse leraren rond 150 nog dat zij mannen vier of vijf vrouwen toestaan (Dialoog met Trypho 134). In gemeenten met joodse gelovigen was één vrouw dus geen eis die iedereen al vervulde.
Vanuit de buitenwereld krijgt juist de derde lezing steun. Een opziener moest een goed getuigenis hebben van hen die buiten zijn (1 Timotheüs 3:7). Buiten de gemeente gold de univira als een eer, gebeiteld op grafstenen. Een leider die maar één keer getrouwd was geweest, beantwoordde aan een ideaal dat ook heidense buren herkenden. Dat de brief dat ideaal op mannen toepast, terwijl de omgeving het alleen van vrouwen vroeg, maakt de eis vreemder en tegelijk beter te begrijpen: de gemeente moest onberispelijker zijn dan haar omgeving.
Zo trekken de twee achtergronden in verschillende richtingen. De joodse wereld, waar hogepriester en koning na de dood van hun vrouw mochten hertrouwen, wijst naar één vrouw tegelijk. De Grieks-Romeinse wereld, waar de vrouw van één man werd geëerd, wijst naar één huwelijk in een leven. De brieven aan Timotheüs en Titus zijn geschreven op de plek waar die twee werelden elkaar raakten. De dubbelzinnigheid van de uitdrukking kan daar haar oorsprong hebben.
Bronnen
- Mishna Joma 1:1, de hogepriester en zijn huis
- Talmoed Bavli, Joma 13a, één huis en niet twee huizen
- Tempelrol 11QT 57:17-19 over de koning
- Apostolische Canons 17 en 18
- Concilie van Toledo I, de hertrouwde subdiaken
- Bijbelteksten: 1 Timotheüs 3:1-13 en 5:3-16, Titus 1:5-9, Efeziërs 5:21-33, Leviticus 16:6 en 21:7-15, Deuteronomium 17:17, Romeinen 7:4, Hosea 2, Jeremia 31:31-32
SERIE Hertrouwen in de Bijbel:
– Inleiding – Hertrouwen in de Bijbel
– deel 1 – Toegestaan aan iedere man · de scheidbrief als toestemming om te hertrouwen
– deel 2 – Niet terug · het verbod op terugkeer, Michal, God en zijn eigen wet
– deel 3 – En een ander trouwt · de vier uitspraken van Jezus en de vrouw bij de put
– deel 4 – Ongehuwd blijven of verzoenen · Paulus in 1 Korinthiërs 7
– deel 5 – De weduwe · waarom de dood losmaakt
– deel 6 – Man van één vrouw · de hertrouwde en het ambt
– deel 7 – Opnieuw, voor de naam · leviraat, Tamar, Ruth, Abigaïl, Batseba
– deel 8 – Bij wie hoort zij? · de vrouw met zeven mannen in de opstanding
– deel 9 – Een ander die antwoordt · de Tien Woorden en het woord van de ander
– Slot – Mag je opnieuw trouwen? · kiezen tussen twee kwaden, en de genade
– Nawoord – De context van de teksten

