Niet terug
Hertrouwen in de Bijbel, deel 2
Wat de weg afsluit
Deuteronomium 24:4 bevat het enige gebod in de vier verzen: haar eerste heer, die haar wegzond, kan niet terugkeren om haar opnieuw tot vrouw te nemen. Daarna volgen drie redenen, steeds zwaarder. Nadat zij onrein gemaakt is. Want dat is een gruwel voor het aangezicht van de Eeuwige. En je zult het land niet laten zondigen.
Wat als een vrouw na haar scheiding ontrouw was aan haar man, zonder met een ander te trouwen? Mag zij dan terug? Ja, zegt de Sifre. Alleen de vrouw die met een brief is weggegaan en van een andere man is geworden, valt onder het verbod. Een losse verhouding sluit de weg niet af. Een tweede huwelijk wel. De Sifre leest het woord elders zelf ook seksueel: hij betrekt er de vrouw bij die tijdens het eerste huwelijk verdacht werd van afzondering met een andere man. Maar het verbod op terugkeer hangt aan het tweede huwelijk.
Daarmee draait de tekst om. De onreinheid ontstaat dan in de verhouding tussen de drie, op het moment dat de eerste man wil terugnemen wat inmiddels in een ander verbond is opgenomen. Het tweede huwelijk is een werkelijkheid die het eerste heeft overschreven, zo grondig dat terugkeer haar onrein zou maken. Vandaar de passieve vorm, die nergens anders in de Bijbel voorkomt.
De Sifre gaat nog verder, met een geval uit de Mishna (Jevamot 10:1). Een man reist naar het land overzee en men zegt tegen zijn vrouw dat hij dood is. Zij hertrouwt. Dan komt hij levend terug. Wat nu? Ze moet bij beiden weggaan, en ze heeft een scheidbrief nodig van allebei. Zelfs een tweede huwelijk dat op een vergissing berust, bindt. Het weegt zo zwaar dat zij het eerste niet kan hervatten alsof er niets gebeurd is, en ook het tweede niet kan voortzetten alsof het eerste was opgeheven. Ze staat tussen twee verbonden in en moet uit allebei worden losgemaakt.
Dan het land. Het is een causatieve vorm: je zult het land niet doen zondigen. In Leviticus 18 spuwt het land zijn bewoners uit wanneer de verhoudingen tussen lichamen worden verward. Het land is partij. Een huwelijk is in deze wetten nooit een zaak tussen twee mensen alleen. Het is een plek in een groter geheel: in de families, in de stam, in de grond waarop ze leven. Wie de volgorde omkeert, de eerste na de tweede weer als eerste, brengt dat geheel in de war. De Sifre zegt het nuchter: dit vers waarschuwt de rechtbank om erop toe te zien. Het is dus een zaak van de gemeenschap.
De verdrevene
Voor de priester staat het in Leviticus 21:7 zo: een hoer of een ontwijde vrouw zullen ze niet nemen, en een vrouw die van haar man verdreven is, zullen ze niet nemen, want heilig is hij voor zijn God. Voor de hogepriester in 21:15 is de kring nog kleiner: een weduwe, een verdrevene, een ontwijde of een hoer, die neemt hij niet, alleen een maagd uit zijn eigen volk. Het waarom staat erbij: opdat hij zijn zaad niet ontwijdt onder zijn volk.
Deuteronomium spreekt over sjalach, wegzenden. Leviticus gebruikt hier een ander woord: gerusja, van garasj, verdrijven. Dat werkwoord heeft in de Thora een eigen geschiedenis. Hij verdreef de mens uit de hof (Genesis 3:24). Kaïn zegt: vandaag hebt U mij verdreven (Genesis 4:14). Sara zegt over Hagar: verdrijf deze slavin en haar zoon (Genesis 21:10). De gerusja staat in de rij van Adam, Kaïn en Hagar: wie buiten de oorspronkelijke plek is komen te staan.
En bij de hof van Genesis 3:24 staan de cherubs die de weg terug bewaken. Diezelfde cherubs staan geweven in het voorhangsel van de tabernakel en geslagen op het verzoendeksel van de ark. De hogepriester is de enige die eens per jaar langs hen heen gaat, terug naar de plek waar de mens werd verdreven. Ik zie hier een patroon dat de tekst niet uitspreekt maar wel lijkt te dragen. Wie de weg terug naar de oorsprong gaat, trouwt met iemand bij wie nog niemand anders vóór hem is geweest. Voor de weduwe gaat het om de plek die hij inneemt. Zij heeft niets misdaan, en toch is ook zij voor de hogepriester uitgesloten. Voor de verstotene ligt het minder zuiver. Zij staat in één rij met de hoer en de ontwijde vrouw, en in de oren van toen droeg haar naam een vermoeden: een man stuurde zijn vrouw niet zonder reden weg. Het verbod bewaarde de plek bij het heiligdom, en het beschermde de priesterlijke lijn tegen de twijfel die aan haar kleefde.
Ezechiël 44:22 verschuift de grens. Priesters mogen geen weduwe of verdrevene trouwen, alleen maagden uit Israël, en de weduwe van een priester mogen ze nemen. Een tweede huwelijk is hier wel mogelijk, zolang het eerste ook bij het heiligdom hoorde. De binding blijft dan binnen hetzelfde huis van dienst.
Voor iedereen buiten de priesterlijke kring geldt dat hertrouwen gewoon is. Deze wetten zijn alleen begrijpelijk omdat het tweede huwelijk elders vanzelfsprekend was. De beperking hangt samen met de plaats die iemand inneemt, en het spoor ervan loopt verder tot in de vraag naar de opziener die man van één vrouw moet zijn. Dat is het onderwerp van deel 6.
Ga, keer terug
In Hooglied 1:7 en 3:1-4 zoekt de vrouw “hem die mijn ziel liefheeft”. Michal is de enige vrouw in de verhalen van de Hebreeuwse Bijbel van wie staat dat zij een man liefhad. (1 Samuël 18:20). Als Saul haar man laat bewaken om hem te doden, laat zij David door het venster zakken, be’ad hachalon, en hij ontkomt (19:12). Daarna geeft Saul Michal, zijn dochter, de vrouw van David, aan Palti, de zoon van Lajisj (25:44). Er is geen scheidbrief geweest. David heeft haar niet weggezonden. Haar vader heeft haar weggegeven.
Jaren later, als David koning is over Juda, eist hij haar terug: geef mij mijn vrouw Michal, die ik mij verloofd heb voor honderd voorhuiden van de Filistijnen (2 Samuël 3:14). Isboset laat haar weghalen me’im isj, bij haar man vandaan, bij Paltiël. En dan volgt het vers waarin de tekst Paltiël noemt zoals hij hem noemt: wajelech itah isjah, en haar man ging met haar mee, al gaande en wenende achter haar aan, tot Bachurim. Abner zegt tegen hem: lech sjoev, ga, keer terug. Wajasjov, en hij keerde terug (3:16).
Sjoev is het werkwoord van Deuteronomium 24:4: de eerste man kan niet lasjoev, niet terugkeren om haar te nemen. In het verhaal van Michal keert de eerste man wel terug, en het is de tweede die het bevel krijgt om terug te keren, met lege handen, naar zijn huis.
De rabbijnen hebben gevoeld hoe dit wringt. In de Talmoed (Sanhedrin 19b) staat dat Palti eigenlijk Palti heette, en dat hij Paltiël werd genoemd omdat God, El, hem redde, pilto, van de zonde. Hij zou een zwaard in het bed tussen zichzelf en Michal hebben gezet en gezegd: wie hieraan begint, wordt doorstoken. De Talmoed vraagt zelf: maar er staat toch haar man? Antwoord: hij was voor haar als een man. Maar hij huilde toch? Hij huilde om het gebod dat hem verliet, omdat hij voortaan geen loon meer kreeg voor zijn zelfbeheersing. En Bachurim, “jonge mannen”, betekent dat ze allebei als ongetrouwden bleven. Een oudere overlevering zegt het nog rechtstreekser: Michals verloving met Palti was een overtreding, want ze was al de vrouw van David. Om David te vrijwaren van Deuteronomium 24 moesten de wijzen het tweede huwelijk ongedaan maken, en een man die huilend achter zijn vrouw aanloopt, veranderen in een man die huilt om een gebod.
De tekst zelf doet dat niet. Hij noemt Paltiël isjah, haar man. En wat er met Michal gebeurt, vertelt hij met een detail dat terugkeert. Wanneer David de ark naar Jeruzalem brengt en voor de Eeuwige uit danst, kijkt Michal, de dochter van Saul, door het venster, be’ad hachalon, en ze veracht hem in haar hart (6:16). Door hetzelfde venster waardoor zij hem ooit liet ontsnappen, ziet ze hem nu als een vreemde. In dat hele hoofdstuk heet ze drie keer bat Sja’oel, dochter van Saul, en geen enkele keer de vrouw van David. Het laatste vers: Michal, de dochter van Saul, had geen kind tot de dag van haar dood (6:23).
Toch is dat niet het enige wat er over haar staat. In 2 Samuël 21:8 noemt de tekst de vijf zonen van Michal, die zij baarde voor Adriël. Adriël was de man van haar zuster Merab. De Talmoed leest het zo: Merab baarde ze en Michal voedde ze op, en daarom heten ze naar haar, want wie een wees in zijn huis grootbrengt, wordt beschouwd alsof hij hem gebaard heeft. Of het een schrijffout is of een spoor van iets anders, weet niemand. Maar de vrouw die van hand tot hand ging, heeft volgens die lezing kinderen van een ander als de hare grootgebracht.
God en zijn eigen wet
Jeremia 3:1 citeert Deuteronomium 24 bijna woordelijk: als een man zijn vrouw wegzendt en zij gaat van hem weg en wordt van een andere man, keert hij dan nog naar haar terug? Zou dat land niet volkomen ontheiligd worden? Het is de wet, met het land erbij, uit de mond van God.
Dan volgt: en jij hebt met vele minnaars gehoereerd, en keer terug tot mij. Of: en dan zou je tot mij terugkeren? Het Hebreeuws laat beide lezingen open. God legt de regel uit die terugkeer verbiedt en spreekt in dezelfde zin het werkwoord van de terugkeer uit.
Zeven verzen later wordt het juridisch. Ik zond haar weg en gaf haar haar scheidbrief (3:8). Dat zegt God over Israël, het noordelijke rijk, dat al in ballingschap is. Juda, haar zuster, zag het en werd niet bang. En toch roept hij in 3:12 naar het noorden:keer terug, afgekeerde Israël. Afgekeerd en terugkeren zijn hetzelfde woord, sjoev. De naam van haar ontrouw draagt de weg terug al in zich. In 3:14: keer terug, afvallige kinderen, want ik ben uw heer, uw man. Ba’al, het woord dat Hosea uitdrukkelijk afwijst, gebruikt Jeremia hier.
Jesaja 50:1 is tot Sion gericht, tot Juda. Waar is de scheidbrief van jullie moeder, waarmee ik haar heb weggezonden? Om jullie ongerechtigheden zijn jullie verkocht, om jullie overtredingen is jullie moeder weggezonden. Ze is weggezonden, maar er is geen brief. En zonder brief geldt Deuteronomium 24 niet. Zoals bij Michal, die door Saul werd weggegeven maar van David nooit een brief kreeg, staat de weg terug juridisch open. Jeremia zegt tegen het noorden: de brief is gegeven, en toch, keer terug. Jesaja zegt tegen het zuiden: laat de brief maar zien, die is er niet.
In Jesaja 54 komt de terugkeer. De smaad van je weduwschap zul je niet meer gedenken, want je Maker is je man. Ze heet weduwe terwijl haar man leeft. De verlaten vrouw wordt behandeld alsof de eerste binding gestorven is. Een vrouw uit je jeugd, die verworpen wordt. Het is dezelfde uitdrukking, die Maleachi gebruikt voor de vrouw die niet trouweloos weggestuurd mag worden. Hier zegt God het over zichzelf: berega katon azavtich, een klein ogenblik heb ik je verlaten, en met grote barmhartigheid zal ik je verzamelen (54:6-7).
En dan Jeremia 31:31-32. Zie, er komen dagen, en ik zal met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten, niet als het verbond dat ik met hun vaderen sloot, dat zij verbroken hebben, terwijl ik toch hun man was. Het nieuwe verbond, de naam die later boven het tweede deel van de christelijke Bijbel komt te staan, wordt hier in huwelijkstaal beschreven: dezelfde partners, een gebroken eerste verbinding, en een tweede die niet is als de eerste. In plaats van de oude binding terug te nemen, sluit God een nieuwe.
Opnieuw verloven
Bij Hosea wordt dit lijfelijk. In 2:4 zegt God over zijn volk: want zij is niet mijn vrouw en ik ben niet haar man. In de huwelijksakten uit de Joodse kolonie op Elephantine, uit de vijfde eeuw voor Christus, luidt de formule die een huwelijk sluit: zij is mijn vrouw en ik ben haar man, van deze dag af en voor altijd. Hosea 2:4 is daar de omkering van, met één veelzeggend verschil: waar de akte voor ‘man’ het woord ba’al gebruikt, zegt Hosea isj.
En toch volgt in 2:16: zie, ik ga haar verleiden, ik zal haar naar de woestijn leiden en tot haar hart spreken. Het dal Achor, de plek van de oude schuld, wordt een deur van hoop. Daar zal zij antwoorden zoals in de dagen van haar jeugd, zoals op de dag dat zij uit Egypte trok. Ze zal hem isji noemen, mijn man, en niet langer ba’ali, mijn heer.
Daarna komt het werkwoord waar het om draait, drie keer (2:21-22): Ik zal mij met jou verloven voor altijd, ik zal mij met jou verloven door gerechtigheid en recht, door trouw en barmhartigheid, ik zal mij met jou verloven door trouw. Het werkwoord ‘aras is het woord voor het begin van een eerste huwelijk, de verloving van een meisje. God verlooft zich opnieuw met zijn ontrouwe vrouw, alsof er geen eerste keer is geweest.
De voorzetsels zijn hier precies. Be voor gerechtigheid, recht, trouw en barmhartigheid is de be van de prijs: daarmee wordt de verloving betaald. David gebruikte hetzelfde werkwoord en dezelfde constructie toen hij Michal terugeiste: die ik mij verloofd heb voor honderd voorhuiden van de Filistijnen. David eist een oude verloving op, betaald met de lichamen van vijanden. God sluit een nieuwe, betaald met wat hij zelf is.
Hosea 3 laat zien wat eraan voorafgaat. Ga, heb een vrouw lief die door een ander bemind wordt en overspel pleegt. De tekst zegt niet of het Gomer is. Hosea koopt haar voor vijftien zilverstukken en anderhalve homer gerst, en zegt: vele dagen zul je voor mij blijven, je zult niet hoereren en van geen man zijn, en ook ik zal zo tegenover jou zijn. Tussen het oude en het nieuwe ligt een tijd waarin zij van niemand is. Ook hij.
Zo komen de draden samen. De wet zegt dat de eerste man, na een tweede huwelijk, niet kan terugkeren. Het tweede telt, het land telt mee, de volgorde mag niet worden omgekeerd. Michals verhaal laat zien wat er gebeurt als iemand dat toch doet: de tweede man loopt huilend achter haar aan, en zij kijkt door het venster naar een vreemde. En God, die zijn eigen wet aanhaalt, keert terug langs een andere weg. Hij gebruikt een brief die nooit is gegeven, een weduwschap terwijl de man leeft, een tijd waarin zij van niemand is, een nieuwe verloving met een nieuwe prijs, en een verbond dat niet is als het eerste.
Of een mens die weg ook kan gaan, staat er niet. De wet spreekt over de eerste man. God is in deze teksten altijd de eerste, en hij doet het toch. Misschien is dat het punt: wie terug wil, kan alleen naar voren. Maar of dat genade is voor wie opnieuw begint, of een maat die geen mens haalt, laat de tekst open.
NAWOORD
Ik schreef al dat onder de plaats van de priester ook een vermoeden ligt. De verstoten vrouw staat in Leviticus 21 in één rij met de hoer en de ontwijde vrouw. In die wereld stuurde een man zijn vrouw niet zonder reden weg, en de reden werd meestal gezocht in de sfeer van het lichaam. Op de gerusja rustte een schaduw die de weduwe niet had. Priesterfamilies hielden in de tijd van de Tweede Tempel stambomen bij in archieven in Jeruzalem, en Josephus beschrijft hoe een priester eerst naging uit welk huis zijn bruid kwam (Tegen Apion 1.31-36). Het verbod beschermde een zuivere lijn tegen twijfel. Voor de weduwe, die niets misdaan heeft, blijft de lezing van de plaats volledig staan. Voor de verstotene droeg het verbod in de oren van toen ook een oordeel.
Bij Michal wordt het politieke motief zichtbaar dat de verteller onder het verhaal legt. David eist haar terug op het moment dat Abner met hem onderhandelt over het koningschap over heel Israël (2 Samuël 3:12-14). Met de dochter van Saul in zijn huis kreeg David een aanspraak op het huis van Saul. Hij haalde een titel terug, en Michal was daarvoor het middel. Zo wordt begrijpelijk waarom Deuteronomium 24 hier zonder aarzeling opzij wordt gezet, en waarom niemand haar iets vraagt.
Jesaja 50 krijgt een harde ondergrond. In hetzelfde vers vraagt God: aan welke schuldeiser heb ik jullie verkocht? Ouders die hun kinderen aan schuldeisers moesten afstaan, waren in Israël een bekende werkelijkheid (2 Koningen 4:1, Nehemia 5:5). De ballingen hoorden in dat beeld hun eigen geschiedenis: verkocht, weggezonden, en zonder brief.
Hosea betaalt vijftien zilverstukken en anderhalve homer gerst. Veel uitleggers rekenen dat samen tot ongeveer de dertig zilverstukken die Exodus 21:32 noemt als de prijs van een slaaf. De omrekening van gerst naar zilver is onzeker, maar de richting is duidelijk. Hosea koopt zijn vrouw vrij, uit schuld of uit dienst, voor de prijs van een slavin. De nieuwe verloving begint met een vrijkoop.
Bronnen
- Sifre Devarim 270, over Deuteronomium 24:2-4, Hebreeuws en vertaling
- Talmoed Bavli, Sanhedrin 19b, over Michal, Merab en Paltiël
- Mishna Jevamot 10:1, de vrouw die hertrouwt in de veronderstelling dat haar man dood is
- Bijbelteksten: Deuteronomium 24:1-4, Leviticus 18:24-28 en 21:7, 13-15, Ezechiël 44:22, Genesis 3:24, 4:14 en 21:10, 1 Samuël 18:20, 19:11-17 en 25:44, 2 Samuël 3:12-16, 6:16-23 en 21:8, Jeremia 3:1-14 en 31:31-32, Jesaja 50:1 en 54:4-8, Hosea 2-3
SERIE Hertrouwen in de Bijbel:
– Inleiding – Hertrouwen in de Bijbel
– deel 1 – Toegestaan aan iedere man · de scheidbrief als toestemming om te hertrouwen
– deel 2 – Niet terug · het verbod op terugkeer, Michal, God en zijn eigen wet
– deel 3 – En een ander trouwt · de vier uitspraken van Jezus en de vrouw bij de put
– deel 4 – Ongehuwd blijven of verzoenen · Paulus in 1 Korinthiërs 7
– deel 5 – De weduwe · waarom de dood losmaakt
– deel 6 – Man van één vrouw · de hertrouwde en het ambt
– deel 7 – Opnieuw, voor de naam · leviraat, Tamar, Ruth, Abigaïl, Batseba
– deel 8 – Bij wie hoort zij? · de vrouw met zeven mannen in de opstanding
– deel 9 – Een ander die antwoordt · de Tien Woorden en het woord van de ander
– Slot – Mag je opnieuw trouwen? · kiezen tussen twee kwaden, en de genade
– Nawoord – De context van de teksten


