Ongehuwd blijven of verzoenen
Hertrouwen in de Bijbel, deel 4
Waarover jullie schreven
1 Korinthiërs 7 begint met een antwoord. Wat betreft de dingen waarover jullie schreven. Dan volgt een zin die eeuwenlang als woord van Paulus is gelezen: het is goed voor een mens geen vrouw aan te raken. De meeste uitleggers lezen hem nu als een citaat uit de brief van de Korinthiërs zelf. Paulus herhaalt hun leus, en spreekt hem daarna vers na vers tegen. Laat ieder zijn eigen vrouw hebben. Onthoud elkaar niet, behalve voor een tijd van gebed, en kom dan weer samen, opdat de satan jullie niet verzoekt (7:2-5).
Dat verandert wat er in dit hoofdstuk over scheiden en hertrouwen staat. In Perea ging het om een koning die een vrouw wegzond voor een andere, en in het debat tussen Hillel en Sjammai om mannen die een reden zochten. In Korinte ging het, voor zover we hun brief uit Paulus’ antwoord kunnen reconstrueren, om gelovigen die hun huwelijk wilden verlaten omdat ze het onheilig vonden. Ze waren vervuld van de Geest, en het lichaam van een man of vrouw leek daar niet bij te passen, zeker niet het lichaam van een partner die Christus niet kende.
De vraag die Paulus krijgt, komt dus van de andere kant. Mag ik scheiden om heiliger te worden? En zo ja, mag ik daarna opnieuw trouwen, of is dat juist het tegendeel van waarom ik wegging? Wie dit hoofdstuk leest als een algemene huwelijkswet, mist dat het een antwoord is op een geestelijke verleiding: de wens om het lichaam en zijn bindingen achter je te laten.
Paulus antwoordt in lagen, en hij geeft telkens aan wie er spreekt. Over het gebod van de Heer zegt hij: niet ik, maar de Heer (7:10). Over de gemengde huwelijken: ik, niet de Heer (7:12). Over de ongehuwden: een gebod van de Heer heb ik niet, maar ik geef mijn oordeel (7:25). Nergens in zijn brieven maakt hij zo nauwkeurig onderscheid tussen wat hij van Jezus heeft ontvangen en wat hij zelf moet uitvinden. Juist bij dit onderwerp.
Het gebod van de Heer
Aan de getrouwden beveel ik, niet ik maar de Heer: een vrouw scheide zich niet van haar man (7:10). Het werkwoord is chōrizō, hetzelfde als in Mattheüs 19:6 en Marcus 10:9, laat een mens niet scheiden. Hier hoort Paulus het woord van Jezus door. In de Griekse papyri van die tijd is chōrizō bovendien de gewone term voor een echtscheiding. In een Romeinse kolonie als Korinte kon een vrouw scheiden door weg te gaan. Er was geen brief nodig.
Opvallend is de volgorde. Paulus spreekt eerst de vrouw aan, en pas daarna de man: en een man zende zijn vrouw niet weg (7:11). Voor de man gebruikt hij een ander werkwoord: aphièmi, loslaten, laten gaan. Het is hetzelfde werkwoord als in het Onze Vader, vergeef ons onze schulden. Het woord voor een vrouw wegzenden is in het Grieks het woord voor kwijtschelden. Wie wegzendt, scheldt iets kwijt, en of dat bevrijding is of verwerping, hangt af van wat er wordt losgelaten.
Tussen die twee zinnen staat een tussenzin die het gebod van de Heer onmiddellijk op de werkelijkheid laat stuiten: maar als ze toch gescheiden is, laat ze dan ongehuwd blijven of zich met haar man verzoenen. Paulus houdt rekening met wat hij net verboden heeft. Het gebod staat, en de scheiding gebeurt toch.
Het woord agamos is precies. Paulus gebruikt het in hetzelfde hoofdstuk naast de weduwen (7:8), en in 7:11 voor de gescheiden vrouw. Hij noemt de gescheiden vrouw dus ongehuwd. Wat hij van haar vraagt, is dat ze dat blijft: ongehuwd, of verzoend.
En dan katallagètō, laat haar verzoend worden. Het is een passieve vorm, net als hutama’ah in Deuteronomium 24 en moicheuthènai in Mattheüs 5:32. Verzoening overkomt haar. Paulus gebruikt dezelfde stam in 2 Korinthiërs 5:18-20, waar hij zijn hele opdracht samenvat: God heeft ons met zichzelf verzoend, katallaxantos, en ons de dienst van de verzoening gegeven, katallagè. Laat u met God verzoenen. Hetzelfde werkwoord voor een vrouw en haar man en voor God en de wereld. Wat Paulus de gescheiden vrouw als tweede weg aanbiedt, is het woord waarmee hij zijn evangelie samenvat.
Van hertrouwen zegt het gebod van de Heer bij Paulus niets, behalve dat het niet de bedoeling is. Er zijn twee wegen, en een tweede huwelijk is er niet een van. Maar het gaat om een vrouw die zelf vertrok. Over wie werd weggezonden, en over wie verlaten werd door iemand die het geloof niet deelde, spreekt Paulus in de volgende verzen zonder gebod van de Heer.
Ik, niet de Heer
Tegen de anderen zeg ik, niet de Heer (7:12). Jezus had gesproken tot mensen binnen één volk en één verbond. Paulus staat voor huwelijken waarin één van de twee Christus is gaan volgen en de ander niet. Daarvoor bestaat geen woord van Jezus, en dat zegt hij.
Als een broeder een ongelovige vrouw heeft die ermee instemt bij hem te blijven, laat hij haar niet wegzenden. En als een vrouw een ongelovige man heeft die ermee instemt, laat zij haar man niet wegzenden (7:12-13). Hier krijgt de vrouw hetzelfde werkwoord als de man. In Korinte kon zij wegzenden, en Paulus spreekt haar daarop aan als iemand die dat kan.
De reden die hij geeft, keert de angst van de Korinthiërs om: want de ongelovige man is geheiligd in de vrouw (7:14). Zij vreesden dat de onheilige partner hen zou besmetten. In Haggai 2:12-13 werkt het ook zo: heilig vlees maakt brood dat het aanraakt niet heilig, maar wie onrein is door een dode, maakt alles onrein wat hij aanraakt. Onreinheid is besmettelijk, heiligheid niet. Paulus zegt hier het omgekeerde. In een huwelijk is heiligheid besmettelijk.
Het woord hègiastai draagt meer in zich dan het lijkt. In de rabbijnse traditie, zoals de Mishna die vastlegt, heet een huwelijk sluiten kiddusjin, heiliging. De man zegt tegen de vrouw: zie, je bent mij geheiligd. Heiligen is in die taal: apart zetten voor één, toewijden. Als Paulus zegt dat de ongelovige geheiligd is in de gelovige, spreekt hij de taal van de huwelijkssluiting zelf. Het huwelijk is een heiliging, ook als maar één van de twee de God kent die heiligt.
Dan het vers waar de kerkgeschiedenis zich over verdeelt: maar als de ongelovige zich scheidt, laat hij zich scheiden. De broeder of zuster is in zulke gevallen niet tot slaaf gemaakt. En tot vrede heeft God jullie geroepen (7:15).
Voor de huwelijksband gebruikt Paulus elders deō, binden: een vrouw is gebonden zolang haar man leeft (7:39, Romeinen 7:2). Hier staat douloō, tot slaaf maken. Sommige uitleggers concluderen daaruit dat 7:15 niet over de huwelijksband gaat. Zij is vrij om hem te laten gaan, maar niet om opnieuw te trouwen. Anderen horen in die woordkeus juist een echo die joodse lezers niet konden missen. In Mishna Gittin 9:3 staan de kern van de scheidbrief en de kern van de vrijlatingsakte naast elkaar: je bent toegestaan aan iedere man, en je bent een vrije vrouw, je bent van jezelf. Niet tot slaaf gemaakt is de taal van die tweede formule, en in de joodse praktijk betekende de vrijheid van de scheidbrief de vrijheid om opnieuw te trouwen.
Een paar verzen verder komt hetzelfde werkwoord terug, in een passage over slaven. Ben je als slaaf geroepen, maak je daar geen zorgen over, maar als je vrij kunt worden, maak er dan liever gebruik van (7:21). Of dat laatste betekent: gebruik de vrijheid, of: gebruik je slavernij, is in het Grieks net zo onbeslist als de vraag naar hertrouwen in 7:15. En dan 7:23: word geen slaven van mensen.
Het laatste vers van de passage laat zich ook in twee richtingen lezen: want wat weet je, vrouw, of je je man zult redden? Als hoop gelezen betekent het: blijf, misschien red je hem. Als nuchterheid gelezen betekent het: je weet het niet, en je bent niet geroepen om bij iemand te blijven die weg wil omdat jij hem zou moeten redden. Het vers volgt direct op tot vrede heeft God jullie geroepen. Ik denk dat de tweede lezing dichter bij die vrede ligt, maar het Grieks dwingt geen van beide af.
Gebonden en losgemaakt
In 7:25 begint een nieuw onderdeel: wat de maagden betreft, een gebod van de Heer heb ik niet, maar ik geef mijn oordeel. Dan twee korte vragen en een zin die verder gaat dan het onderwerp lijkt toe te laten:
Ben je aan een vrouw gebonden? Zoek geen losmaking.
Ben je van een vrouw losgemaakt? Zoek geen vrouw.
Maar als je toch trouwt, heb je niet gezondigd (7:27-28).
Het zijn twee werkwoorden: deō, binden, en luō, losmaken. Lusis, het zelfstandig naamwoord, is het losmaken van een band die er was. Daarom lezen veel uitleggers lelusai apo gunaikos als: losgemaakt van een vrouw, door scheiding of door haar dood. Dan zegt Paulus hier, zonder gebod van de Heer en in een tijd die hij zelf als nood beschouwt, dat wie na een losmaking trouwt, niet zondigt. Anderen lezen het als ongebonden in het algemeen, de ongehuwde man, omdat het onderdeel over maagden gaat. Het werkwoord luō, losmaken van wat gebonden was, wijst eerder naar een band die er geweest is.
Binden en losmaken waren geen gewone woorden. In het Hebreeuws en Aramees van de rabbijnen heten ze verbieden en toestaan, letterlijk binden en losmaken. Josephus schrijft dat de farizeeën onder koningin Alexandra de macht kregen te binden en te ontbinden. Bij hem gaat het om politieke macht: gevangennemen en vrijlaten. En in Mattheüs 16:19 geeft Jezus die macht aan Petrus, in 18:18 aan alle leerlingen: wat jullie op aarde binden, zal in de hemel gebonden zijn, en wat jullie op aarde losmaken, zal in de hemel losgemaakt zijn.
Uit diezelfde stam hittir komt het woord van de scheidbrief. Zie, je bent mutteret, toegestaan, letterlijk losgemaakt, aan ieder mens. Wanneer Paulus vraagt: ben je losgemaakt van een vrouw, schrijft hij in het Grieks de status die de joodse scheidbrief in het Hebreeuws verleende. Zijn lezers met een joodse achtergrond moeten het hebben gehoord.
Het oudste spoor van binden in de Thora ligt in Numeri 30, bij geloften. Wie een gelofte doet, bindt een band op zijn ziel. De gelofte van een getrouwde vrouw kan haar man op de dag dat hij ervan hoort ongedaan maken. Maar in 30:10 staat: de gelofte van een weduwe of een verstotene, alles wat zij op haar ziel gebonden heeft, blijft voor haar staan. De verstoten vrouw is in de Thora degene wier binding niemand meer kan losmaken. Ze staat in haar eigen naam. Het is dezelfde gedachte als in de vrijlatingsakte van de Mishna: je bent van jezelf.
En dan de volgorde bij Mattheüs. In hoofdstuk 18 krijgen de leerlingen de macht om te binden en te ontbinden. Petrus vraagt hoe vaak hij moet vergeven, aphèsō, en Jezus zegt: zeventig maal zeven keer. Dan volgt de gelijkenis van de knecht die een onmetelijke schuld wordt kwijtgescholden, aphèken, en die zelf niet wil kwijtschelden. En in het volgende vers, 19:1, gaat Jezus naar de overkant van de Jordaan, waar hem gevraagd wordt of een man zijn vrouw mag wegzenden. Mattheüs heeft het harde woord over hertrouwen direct na het hoofdstuk over binden, losmaken en eindeloos kwijtschelden gezet. Wie beslist wat er voor deze vraag gebonden en losgemaakt wordt, krijgt beide hoofdstukken mee.
De tijd is ingekort
Waarom raadt Paulus dan toch aan niet te trouwen? Vanwege de nood die er nu is (7:26). En: de tijd is ingekort (7:29). Sustellō wordt onder meer gebruikt voor het inhalen van zeilen, het samenvouwen van iets wat uitgespreid was. De tijd is opgerold. Van nu af moeten wie een vrouw hebben zijn als hadden ze er geen, wie huilen als huilden ze niet, wie kopen als bezaten ze niets.Want de gedaante van deze wereld gaat voorbij. Schèma is de uiterlijke vorm, het decor dat wordt weggeschoven.
Daar ligt Paulus’ werkelijke reden. Hij verbiedt hertrouwen niet in 7:27-28, en hij raadt het ook niet aan. Hij raadt elk nieuw huwelijk af, ook een eerste, omdat hij leeft in de verwachting dat alles op het punt staat te veranderen. Wie trouwt, tzal verdrukking hebben in het vlees, en ik wil jullie dat besparen (7:28). Wat hij geeft, is zorg.
Hij zegt dat zelf, zo uitdrukkelijk dat het bijna een waarschuwing aan latere lezers is: dit zeg ik voor jullie eigen bestwil, niet om jullie een strik om te doen (7:35). Brochos is het strop of de lus waarmee een dier wordt gevangen. Paulus weigert met dit hoofdstuk een strik te leggen. Hij wil iets anders: wat welgevormd is. Daar staat schèma weer, maar met eu ervoor. De vorm van deze wereld gaat voorbij. Wat Paulus zoekt, is een goede vorm daarbinnen, voor zolang het duurt.
Zo leest het hele hoofdstuk anders dan de wet die er later van is gemaakt. Er is een gebod van de Heer, en het gaat over niet scheiden. Voor wie toch gescheiden is, zijn er twee wegen, ongehuwd blijven of verzoend worden, en Paulus laat die naast elkaar staan. Voor wie verlaten wordt door iemand die het geloof niet deelt, zegt Paulus op eigen gezag: niet tot slaaf gemaakt, tot vrede geroepen. En voor wie losgemaakt is en toch trouwt: geen zonde. Hij markeert telkens of hij spreekt namens de Heer of namens zichzelf.
De kerk heeft die markeringen vaak uitgewist. Een gnōmè, een oordeel, werd een epitagè, een gebod. En de man die schreef dat hij geen strik wilde leggen, werd geciteerd om er een te leggen. Of Paulus’ afweging, gemaakt in een tijd die hij ingekort zag, voor een tijd die nu al twintig eeuwen duurt hetzelfde gewicht moet hebben, is een vraag die hij zelf niet meer kon stellen. Het gebod van de Heer staat. Wat hij er zelf bij zei, heeft hij als zijn eigen woord gemarkeerd.
NAWOORD
Vanwege de nood die er nu is laat zich ook concreter lezen. In de jaren rond 51, toen Paulus in Korinthe verbleef, kende de streek graantekorten. Inscripties uit Korinte noemen een magistraat die in die jaren herhaaldelijk de graanvoorziening moest regelen. Bruce Winter en anderen lezen de nood van 7:26 daarom als een hongersnood. Dan raadt Paulus af een huishouden te beginnen in een tijd waarin niet zeker is of er brood zal zijn. De twee lezingen sluiten elkaar niet uit: wie de tijd ziet inkorten, ziet dat ook aan lege graanschuren. Met de tweede lezing komt Paulus’ raad wel dichter bij het dagelijks leven te staan, en verliest hij iets van de algemene geldigheid die de kerk er later aan gaf.,
In een Romeinse kolonie had ongehuwd blijven bovendien een prijs. De huwelijkswetten van Augustus verplichtten Romeinse burgers, mannen en vrouwen, om binnen een vaste termijn na scheiding of weduwschap te hertrouwen. Wie dat naliet, verloor rechten bij erfenissen. Paulus’ raad ging tegen de staat in. Tegelijk maakte het Romeinse recht die raad uitvoerbaarder dan hij in Judea zou zijn geweest. Bij een Romeinse scheiding kreeg de vrouw in de regel haar bruidsschat terug. Een gescheiden vrouw in Korinte had dus vaak eigen middelen, en ongehuwd blijven betekende voor haar niet vanzelf armoede.
Bij 7:12-16 helpt een regel uit Plutarchus’ huwelijksadviezen: een vrouw hoort de goden te vereren die haar man vereert, en haar deur te sluiten voor vreemde godsdiensten. Een vrouw die christen werd en de goden van haar man liet staan, bracht zijn huis in opspraak. Dat een ongelovige man dan vertrok, lag voor de hand. Paulus schrijft over iets wat in Korinte gebeurde, en niet tot slaaf gemaakt klonk voor een vrouw die achterbleef als een uitspraak over haar eigen leven.
Bronnen
- Binden en ontbinden (asar en hittir), Josephus en Mattheüs 16:19 en 18:18
- Mishna Gittin 9:3, de kern van de scheidbrief en van de vrijlatingsakte
- Bijbelteksten: 1 Korinthiërs 7, 2 Korinthiërs 5:18-20, Romeinen 7:2, Mattheüs 6:12, 16:19, 18:18-35 en 19:1-12, Marcus 10:9, Haggai 2:11-14, Numeri 30
SERIE Hertrouwen in de Bijbel:
– Inleiding – Hertrouwen in de Bijbel
– deel 1 – Toegestaan aan iedere man · de scheidbrief als toestemming om te hertrouwen
– deel 2 – Niet terug · het verbod op terugkeer, Michal, God en zijn eigen wet
– deel 3 – En een ander trouwt · de vier uitspraken van Jezus en de vrouw bij de put
– deel 4 – Ongehuwd blijven of verzoenen · Paulus in 1 Korinthiërs 7
– deel 5 – De weduwe · waarom de dood losmaakt
– deel 6 – Man van één vrouw · de hertrouwde en het ambt
– deel 7 – Opnieuw, voor de naam · leviraat, Tamar, Ruth, Abigaïl, Batseba
– deel 8 – Bij wie hoort zij? · de vrouw met zeven mannen in de opstanding
– deel 9 – Een ander die antwoordt · de Tien Woorden en het woord van de ander
– Slot – Mag je opnieuw trouwen? · kiezen tussen twee kwaden, en de genade
– Nawoord – De context van de teksten


