Hertrouwen in de Bijbel
Inleiding op de serie
In mijn praktijk zie ik twee soorten huwelijken waarop in christelijke kringen verschillend wordt gereageerd.
Het eerste is een huwelijk waarin twee mensen naast elkaar leven. Ze delen een huis, een agenda en een kerkbank. Over wat er tussen hen leeft, spreken ze niet, en aan wat er tussen hen is doodgegaan, doen ze niets. Het huwelijk staat, en daarmee is voor hun omgeving de vraag beantwoord: wat een prachtig stel!
Het tweede is een huwelijk dat het niet heeft gehaald. Iemand is weggegaan of weggestuurd, en heeft na jaren opnieuw iemand gevonden. Over dat tweede huwelijk wordt wel gesproken, vaak met de Bijbel in de hand: dit heeft God verboden!
Wat mij in die gesprekken treft, is waar de maat wordt gelegd. Of een huwelijk overeind staat, wordt nauwkeurig gemeten. Wat er binnen dat huwelijk met mensen gebeurt, nauwelijks. Tegenover mij zitten mensen die in hun eerste huwelijk jarenlang niet gehoord zijn. Hun verlangen werd genegeerd of belachelijk gemaakt, hun stem verstomde, en op een dag wisten ze niet meer wie ze waren. Hun identiteit werd hun afgenomen, soms langzaam, soms met geweld. Als zo iemand weggaat en opnieuw begint, krijgt hij of zij te horen dat het huwelijk heilig is.
De tweede tafel van de Tien Woorden zet drie geboden naast elkaar: je zult niet doden, je zult niet echtbreken, je zult niet stelen. In een joodse lezing van die tafels gaan ze ook over wat een mens de ander aandoet terwijl die leeft. Hij stopt het woord van de ander, laat het verstommen, en neemt hem af wat van hem is. Wie zo leest, ziet dat een huwelijk gebroken kan zijn lang voordat iemand vertrekt. De echtbreuk kan hebben plaatsgevonden in het huis dat bleef staan.
Ik schrijf deze serie omdat de teksten waarmee hertrouwde mensen worden veroordeeld, meer zeggen dan er meestal uit wordt gehaald. Ze spreken over wie de brief schrijft en wie wegstuurt. Over een vrouw die vrij is om te gaan. Over een man die overspel pleegt tegen haar. Over een God die zijn eigen wet aanhaalt en toch terugkeert. Ze vragen naar het eerste huwelijk voordat ze naar het tweede vragen.
Ik wil die teksten teruggeven aan wie ze nodig heeft, zonder het tweede huwelijk vrij te pleiten of het eerste aan te klagen. Aan wie leeft in een huwelijk dat geen huwelijk meer is. En aan wie opnieuw begon en nog altijd de vraag hoort of dat wel mocht.
Een lichaam en een papier
De Bijbel beschrijft het huwelijk in woorden voor het lichaam, en de scheiding in woorden voor papier. In Genesis 2:24 verlaat een man zijn vader en moeder, wedavak be’isjto, en hij hecht zich aan zijn vrouw en zij worden tot één vlees. In Deuteronomium 24 schrijft hij haar een brief en geeft die in haar hand. Het ene is een binding in vlees, het andere een handeling met inkt.
Daarin zit de vraag waar alle teksten over hertrouwen omheen draaien: kan een woord losmaken wat in het lichaam is gebonden? De wet zegt ja, en ze zegt het met nadruk. Jezus lijkt nee te zeggen. Paulus noemt één ding dat het zeker kan, de dood, en laat daarnaast een deur op een kier. De verhalen gaan hun eigen weg en laten vrouwen hertrouwen op manieren die de wetten niet voorzien.
Davak, aankleven, is hetzelfde werkwoord dat Ruth later krijgt wanneer zij zich vastklampt aan Naomi, dawka bah (Ruth 1:14). Het is ook het werkwoord voor Israëls hechten aan God (Deuteronomium 10:20 en 30:20). Het huwelijk staat in de Bijbel nooit alleen. Het is het beeld waarin God over zijn verbond met Israël spreekt: zijn bruiloft, zijn verlating, zijn scheidbrief, zijn terugkeer. Wie vraagt of een mens na een gebroken huwelijk opnieuw mag beginnen, vraagt daarmee ook of God dat kan. Dat maakt deze teksten zwaarder dan regels voor een huwelijksadministratie, en het verklaart waarom ze zo veel mensen hebben geraakt, in hun binnenste en in hun plek in de gemeenschap.
Er is geen hoofdstuk dat het onderwerp afrondt. De teksten liggen verspreid over wet, verhaal, profeten, evangeliën en brieven, en ze spreken elkaar tegen. Deze serie gaat ze één voor één af, in de grondtekst en in de wereld waarin ze geschreven zijn. Hieronder staan ze bij elkaar, met een verwijzing naar het deel waarin ze worden opengelegd.
De wet: vrij om te gaan, niet om terug te keren
Het vertrekpunt is Deuteronomium 24:1-4. Een man schrijft zijn vrouw een sefer keritut, een brief van afsnijding, en zij gaat uit zijn huis en wordt van een andere man. De Thora gebiedt dat niet. Ze beschrijft het als iets wat gebeurt. In de joodse praktijk die daaruit groeide, werd het tweede huwelijk het hart van de brief zelf: de kernzin van een scheidbrief luidt je bent toegestaan aan iedere man. Exodus 21:10-11 hoort daarbij: een slavin die tot vrouw is genomen en aan wie voedsel, kleding of gemeenschap wordt onthouden, gaat vrij uit, met hetzelfde werkwoord als de uittocht uit Egypte. Exodus 21 gaat over een slavin-echtgenote. De toepassing op iedere vrouw is latere rabbijnse uitleg. Dat alles staat in deel 1, Toegestaan aan iedere man.
Dezelfde vier verzen sluiten één weg af. Als de vrouw na haar tweede huwelijk weer alleen komt te staan, mag de eerste man haar niet terugnemen, want zij is hutama’ah, onrein gemaakt, een vorm die nergens anders in de Bijbel voorkomt. Het tweede huwelijk telt zo zwaar dat het de weg terug onmogelijk maakt. De Bijbel vertelt zelf een geval dat erop lijkt, al had David haar nooit weggezonden: David eist Michal terug nadat zij met Palti is getrouwd (1 Samuël 25:44 en 2 Samuël 3:13-16). En in Jeremia 3:1 gebruikt God juist deze wet om over zichzelf en Israël te spreken.
Voor wie het dichtst bij het heiligdom staat, gelden andere regels. Een priester mag geen verstoten vrouw trouwen, en de hogepriester alleen een maagd uit zijn eigen volk, ook geen weduwe (Leviticus 21:7, 13-14). Ezechiël scherpt het aan: een priester mag een maagd trouwen, of de weduwe van een andere priester (Ezechiël 44:22). Hertrouwen is voor iedereen toegestaan. Alleen wie het heiligdom bedient, mag geen verstoten vrouw trouwen, en de hogepriester ook geen weduwe. Leviticus 21 beperkt met wíe de priester trouwt, niet óf hij hertrouwt. Een priester die weduwnaar wordt, mag opnieuw trouwen. Dat spoor loopt door tot in de vraag naar de opziener in de brieven aan Timotheüs.
Het verbod op terugkeer, de priesterwetten en het verhaal van Michal komen terug in deel 2, Niet terug.
Jezus: vier zinnen en een vrouw bij de put
Jezus’ uitspraak over hertrouwen komt vier keer voor, en geen keer precies hetzelfde. Het overspel zit telkens in het tweede deel van de zin: en een ander trouwt. Ook waar het wegsturen zelf al overspel heet, in Mattheüs 5:32, is dat omdat de vrouw daarna van een ander zal worden.
In Mattheüs 5:31-32 staat de uitspraak in de Bergrede, tegenover “er is gezegd”. Er staat een uitzondering in, parektos logou porneias, behalve vanwege ontucht, en wie wegstuurt, maakt dat zij tot overspel gebracht wordt. In Mattheüs 19:3-12 komt het als antwoord op een strikvraag van de farizeeën, midden in het debat tussen de scholen van Hillel en Sjammai, met dezelfde uitzondering. Jezus gaat er terug naar de schepping. Daarna schrikken de leerlingen, en hij spreekt over eunuchen en over wie het kan bevatten. Marcus 10:2-12 heeft geen uitzondering, maar wel twee dingen die nergens anders staan: de man pleegt overspel tegen haar, de eerste vrouw, en ook een vrouw die haar man wegstuurt, wordt genoemd. Lucas 16:18 is één los vers tussen een uitspraak over de wet en het verhaal van de rijke man en Lazarus, en richt zich ook op de man die met een weggestuurde vrouw trouwt.
Naast die woorden staat wat Jezus doet. In Johannes 4:16-18 zit hij bij de put met een vrouw die vijf mannen heeft gehad, en de man bij wie ze nu woont is niet haar man. Hij noemt het precies zoals het is. Er volgt geen oordeel en geen opdracht, en zij wordt de eerste die zijn naam haar stad in draagt.
De vier versies naast elkaar, de betekenis van porneia in die tijd, de vraag wat het verschil tussen de evangeliën zegt over de gemeenten waarvoor ze schreven, en de vrouw bij de put, komen samen in deel 3, En een ander trouwt. Een eerste aanzet staat al aan het slot van deel 1.
Paulus en de gemeente
Paulus kent het woord van Jezus en noemt het ook zo: niet ik, maar de Heer. In 1 Korinthiërs 7:10-11 mag een vrouw niet van haar man scheiden, en als ze het toch doet, moet ze ongehuwd blijven, agamos, of zich met haar man verzoenen. Een man mag zijn vrouw niet wegsturen. Een paar verzen verder, in 7:12-16, spreekt hij op eigen gezag over een situatie die Jezus niet had besproken: een gelovige die getrouwd is met een ongelovige. Als de ongelovige vertrekt, laat hem gaan. De broeder of zuster is dan ou dedoulōtai, niet tot slaaf gemaakt, want tot vrede heeft God jullie geroepen. Of dat de weg naar een nieuw huwelijk opent, is een van de meest omstreden vragen van de kerkgeschiedenis. In 7:27-28 staat: ben je losgemaakt van een vrouw, zoek dan geen vrouw, maar als je toch trouwt, zondig je niet. Het werkwoord lelusai, losgemaakt, kan op een scheiding slaan of op iemand die nooit getrouwd was. Deze teksten komen samen in deel 4, Ongehuwd blijven of verzoenen.
Voor de weduwe is Paulus helder. Zij is gebonden zolang haar man leeft, en als hij sterft, is zij vrij om met wie ze wil te trouwen, alleen in de Heer (1 Korinthiërs 7:39-40). In Romeinen 7:1-3 maakt hij er een beeld van voor de verhouding tot de wet, en daar sterft in de toepassing de vrouw zelf aan haar oude binding. In 1 Timotheüs 5:14 wil hij dat jongere weduwen hertrouwen. Eén ding laat de dood dus zonder twijfel los, en de vraag waarom de dood dat kan en een brief niet, is het onderwerp van deel 5, De weduwe.
Dan de gemeente zelf. Een opziener en een diaken moeten mias gunaikos anèr zijn, man van één vrouw (1 Timotheüs 3:2, 12 en Titus 1:6). Een weduwe die door de gemeente wordt onderhouden, moet vrouw van één man geweest zijn (1 Timotheüs 5:9), terwijl dezelfde brief de jongere weduwen aanraadt opnieuw te trouwen. Op grond van deze verzen zijn hertrouwden eeuwenlang uit het ambt geweerd. Of de uitdrukking over hertrouwen gaat, over veelwijverij of over trouw, wordt uitgezocht in deel 6, Man van één vrouw. Daar komen ook de priesterwetten van Leviticus en Ezechiël weer in beeld.
De verhalen en de opstanding
De verhalen laten vrouwen hertrouwen op manieren die de wetten niet voorzien. Het leviraat van Deuteronomium 25:5-10 schrijft zelfs een tweede huwelijk voor. Als een man kinderloos sterft, trouwt zijn broer met de weduwe om de naam van de dode op te richten. Hier is hertrouwen een daad van trouw aan de eerste man. In Genesis 38 wordt dat geweigerd: Onan ontloopt zijn plicht, Juda houdt zijn jongste zoon achter, en Tamar dwingt haar recht af door zich als hoer langs de weg te zetten. Juda zegt dan: zij is rechtvaardiger dan ik. In Ruth trouwt een Moabitische weduwe met Boaz, de losser, om de naam van de dode op zijn erfdeel te laten voortbestaan (Ruth 4:10). Abigaïl wordt na de dood van Nabal de vrouw van David (1 Samuël 25:39-42). En Batseba trouwt met David na de dood van Uria, een dood die David zelf heeft geregeld (2 Samuël 11:26-27).
In het geslachtsregister aan het begin van Mattheüs staan vier vrouwen, en drie van hen zijn hertrouwd: Tamar, Ruth en Batseba. Batseba wordt daar niet bij naam genoemd. Er staat: de vrouw van Uria (Mattheüs 1:6). Zelfs in de stamboom van de Messias blijft de eerste man staan, als eerste. Deze verhalen, met de vraag wat een tweede huwelijk trouw maakt aan het eerste en wat het verraadt, komen terug in deel 7, Opnieuw, voor de naam.
Het laatste woord gaat naar de sadduceeën en hun vraag over het leviraat. Een vrouw trouwt na elkaar met zeven broers, en alle zeven sterven. Bij wie hoort zij in de opstanding? Jezus antwoordt dat ze dan niet meer trouwen en niet meer ten huwelijk gegeven worden (Mattheüs 22:23-30, Marcus 12:18-25). Lucas voegt eraan toe: want zij kunnen niet meer sterven (Lucas 20:34-36). Daarmee legt hij het huwelijk en de dood naast elkaar. Hertrouwen bestaat omdat er gestorven wordt, en waar niet meer gestorven wordt, valt de vraag weg. Of daarmee ook de binding wegvalt, of juist voltooid wordt, is de vraag van deel 8, Bij wie hoort zij?
Teksten die over iets anders gaan
Een paar teksten worden in gesprekken over hertrouwen vaak aangehaald, terwijl ze over het wegsturen gaan en niet over het opnieuw trouwen.
De bekendste is Maleachi 2:13-16, de bron van de zin “God haat echtscheiding”. In de gangbare Hebreeuwse tekst staat letterlijk: want hij haat, wegsturen. Er staat “hij”, niet “ik”. De meeste vertalingen veranderen de klinkers om er “ik haat” van te maken. Het oudste handschrift dat we van Maleachi hebben, gevonden in Qumran (4QXIIa), leest het anders: maar als je haar haat, stuur haar weg. De Aramese Targum en de Latijnse Vulgaat lezen het op dezelfde manier, en de Griekse Septuagint maakt er een voorwaarde van: als je, omdat je haar haat, haar wegstuurt. Ook de rabbijnen in de Talmoed (Gittin 90b) waren het niet eens over de betekenis. Wat in alle lezingen overeind blijft, is het verband: een man die de vrouw van zijn jeugd trouweloos wegstuurt, bedekt zijn kleed met geweld, chamas. Over een tweede huwelijk zegt het vers niets.
In Ezra 9-10 en Nehemia 13:23-30 worden Israëlitische mannen gedwongen hun buitenlandse vrouwen weg te sturen. Ezra en Maleachi zijn bijna tijdgenoten, en de een eist het wegsturen dat de ander geweld noemt. Een paar eeuwen eerder werd een Moabitische vrouw, Ruth, de overgrootmoeder van David. Die spanning komt terug in deel 7.
De profeten spreken over Gods eigen huwelijk met zijn volk. In Jeremia 3:1-8 geeft God Israël een scheidbrief. In Jesaja 50:1 vraagt hij waar die brief dan is, en in Jesaja 54:4-8 haalt hij de verlaten vrouw van zijn jeugd terug. Hosea 1-3 speelt het lijfelijk uit: de profeet koopt zijn ontrouwe vrouw terug. Deze teksten gaan over de weg terug na een breuk, en die vraag hoort bij deel 2.
De serie

Achteraf: de wereld rond de teksten
Toen de negen delen en het slot geschreven waren, zag ik wat ik had overgeslagen. Normaal begin ik bij een tekst met de vraag hoe die klonk voor wie hem het eerst hoorde. Welke woorden hadden toen gewicht, welk recht gold, welke angst luisterde mee? Bij deze serie ben ik de grondtekst ingedoken en de laag daaronder, maar de wereld eromheen ben ik te snel gepasseerd. Daarom staat er een nawoord achter de serie, en onder elk deel.
Die wereld verschuift de vraag. In het oude Israël en in het jodendom rond het begin van de jaartelling verbond het huwelijk twee huizen: land, naam, erfgoed, verzorging. Een vrouw ging van het huis van haar vader naar het huis van haar man. Stond zij buiten allebei, dan had haar bestaan geen bodem. Een weggestuurde vrouw zonder brief kon nergens heen, want voor de wet was ze nog getrouwd. Wie toen een tekst over scheiden en hertrouwen hoorde, hoorde daarin een vraag die wij er nauwelijks meer in lezen: bij welk huis hoort zij, en waar is zij veilig?
Van daaruit klinken bekende verzen anders. De brief met je bent toegestaan aan iedere man was haar bescherming. In een rechtsorde waarin een man alleen overspel kon plegen tegen een andere man, zegt Jezus dat hij het pleegt tegen haar, en dat was ongehoord. De vrouw bij de put kon zelf niet scheiden. Vijf mannen betekent dat zij vijf keer is weggestuurd of achtergebleven. En Paulus’ blijf ongehuwd ging in Korinthe dwars in tegen de keizerlijke wetten die weduwen en gescheiden vrouwen binnen een paar jaar tot hertrouwen verplichtten.
Het nawoord loopt de delen in dezelfde volgorde na, met wat de Misjna, Josephus, Qumran en het Romeinse recht over die tijd laten zien. De grondtekst blijft staan zoals hij staat; je ziet nu alleen beter waar hij neerkwam.
De vraag van toen is niet verdwenen. Hij is naar binnen verhuisd. Wie in een eerste huwelijk zijn stem verloor, vraagt ook bij wie hij hoort, en of hij ergens welkom is.
Bronnen
- Mishna Gittin 9, Hebreeuws en vertaling
- Rashi over Maleachi 2:16 en de verwijzing naar Gittin 90b
- De lezingen van Maleachi 2:16 in 4QXIIa, Targum, Septuagint en Vulgaat
SERIE Hertrouwen in de Bijbel:
– Inleiding – Hertrouwen in de Bijbel
– deel 1 – Toegestaan aan iedere man · de scheidbrief als toestemming om te hertrouwen
– deel 2 – Niet terug · het verbod op terugkeer, Michal, God en zijn eigen wet
– deel 3 – En een ander trouwt · de vier uitspraken van Jezus en de vrouw bij de put
– deel 4 – Ongehuwd blijven of verzoenen · Paulus in 1 Korinthiërs 7
– deel 5 – De weduwe · waarom de dood losmaakt
– deel 6 – Man van één vrouw · de hertrouwde en het ambt
– deel 7 – Opnieuw, voor de naam · leviraat, Tamar, Ruth, Abigaïl, Batseba
– deel 8 – Bij wie hoort zij? · de vrouw met zeven mannen in de opstanding
– deel 9 – Een ander die antwoordt · de Tien Woorden en het woord van de ander
– Slot – Mag je opnieuw trouwen? · kiezen tussen twee kwaden, en de genade
– Nawoord – De context van de teksten


