En een ander trouwt
Hertrouwen in de Bijbel, deel 3
Om welke reden ook
In Mattheüs 19:3 komen farizeeën naar Jezus peirazontes, om hem op de proef te stellen. Hun vraag is preciezer dan de meeste vertalingen laten horen: mag een man zijn vrouw wegzenden om welke reden ook? Die laatste drie woorden zijn het hart van de vraag. Marcus heeft ze niet. Bij Mattheüs maken ze duidelijk dat Jezus in een lopend debat wordt getrokken.
Dat debat staat in de Mishna (Gittin 9:10). De school van Sjammai las ervat davar uit Deuteronomium 24:1 als devar erva, een zaak van ontucht, en stond een scheiding alleen daarom toe. De school van Hillel las de twee woorden, zoals de Talmoed het uitlegt (Gittin 90a), als twee gronden: erva, ontucht, en davar, een zaak, wat dan ook. Ook als ze het eten heeft laten aanbranden. Kata pasan aitian is de Griekse samenvatting van die tweede lezing. De vraag is dus: geeft u Hillel gelijk?
Het antwoord dat Mattheüs optekent, bevat een uitzondering. In 19:9 staat mè epi porneia, niet vanwege ontucht. In 5:32 staat parektos logou porneias, letterlijk: behalve om een woord, een zaak van ontucht. Logos is het gewone Griekse woord voor davar, en porneia staat voor wat Sjammai onder erva verstond. Logou porneias is zo de Griekse weergave van devar erva, de formule van Sjammai. De Septuagint vertaalt Deuteronomium 24:1 anders, met iets onbetamelijks. Mattheüs volgt hier dus niet de Griekse Bijbel van zijn tijd, maar de Hebreeuwse leerformule uit het debat.
Op de vraag naar de gronden kiest Jezus bij Mattheüs voor Sjammai. Maar Sjammai en Hillel waren het over één ding volkomen eens: wie een geldige scheidbrief had, mocht hertrouwen. Daar gaat Jezus verder dan beide scholen. Eén lezing van die stap is deze: wie volgens de ruime regel van Hillel is weggezonden, is in Gods ogen niet gescheiden. Haar brief is ongeldig, en daarom is een tweede huwelijk overspel. De uitspraak zou dan gaan over de waarde van de brieven die op grond van Hillels regel werden uitgeschreven, en niet over ieder hertrouwen. Of dat de juiste lezing is, beslist de tekst niet.
Wat porneia precies omvat, staat evenmin vast. Mattheüs onderscheidt het elders van overspel: in 15:19 noemt hij moicheiai en porneiai naast elkaar. In 1 Korintiërs 5:1 gaat porneia over verboden verwantschap, en Handelingen 15:20 wordt vaak zo gelezen. En het woord kan ook ontrouw tijdens de verloving aanduiden. Daar begint Mattheüs zijn evangelie mee. Jozef ontdekt dat Maria zwanger is voordat ze samenkomen, en omdat hij dikaios is, rechtvaardig, wil hij haar in stilte apolusai, wegzenden (1:19). Het is hetzelfde werkwoord als in 5:32 en 19:9. De eerste man in dit evangelie die een scheiding overweegt, wordt rechtvaardig genoemd, en zijn reden is een vermoeden van precies de zaak die de uitzondering noemt.
Aan de overkant van de Jordaan
Marcus 10:1 vertelt waar het gesprek plaatsvindt: in het gebied van Judea en peran tou Iordanou, aan de overkant van de Jordaan. Dat is Perea, het gebied van Herodes Antipas. Daar heeft Antipas kort daarvoor Johannes de Doper laten onthoofden, in de vesting Machaerus. Marcus vertelt waarom Johannes gevangen was gezet. Hij had tegen Antipas gezegd: ouk exestin soi echein tèn gunaika tou adelphou sou, het is u niet geoorloofd de vrouw van uw broer te hebben (6:18).
In 10:2 vragen de farizeeën aan Jezus: is het een man geoorloofd zijn vrouw weg te zenden? Het is hetzelfde woord, exestin, op dezelfde grond, in het land van dezelfde koning. Het is de vraag die Johannes zijn hoofd heeft gekost. Marcus hoeft niet te zeggen waarom het een strikvraag is.
Josephus vult aan wat Marcus weglaat. Antipas was getrouwd met een dochter van Aretas, de Nabatese koning. Hij wilde haar wegzenden om Herodias te trouwen. Toen zij van zijn plan hoorde, vluchtte zij naar haar vader, en de oorlog die volgde kostte Antipas zijn leger, iets wat volgens Josephus sommige joden zagen als straf voor de moord op Johannes (Oudheden 18.109-119). Herodias was op haar beurt getrouwd geweest met een andere halfbroer van Antipas. Josephus schrijft dat zij de wetten van het land overtrad en zich van haar man scheidde terwijl hij nog leefde (18.136). Volgens het joodse recht kon een vrouw dat niet. Josephus zegt het elders zonder omwegen, bij Salome, de zuster van Herodes de Grote, die haar man Costobarus een scheidbrief stuurde: dat was niet volgens de joodse wetten, want bij ons mag alleen de man dat doen (15.259-260).
Marcus 10:11-12 luidt: wie zijn vrouw wegzendt en een ander trouwt, pleegt overspel tegen haar, en als zij, na haar man te hebben weggezonden, een ander trouwt, pleegt zij overspel. Beide helften beschrijven het koningspaar van Perea precies. Antipas zond zijn vrouw weg en trouwde een ander. Herodias zond haar man weg en trouwde een ander. Waar uitleggers die tweede helft lezen als een aanpassing aan het Romeinse recht van Marcus’ lezers, kan het ook gewoon een beschrijving zijn van wat iedereen in Perea wist. Of joodse vrouwen in die tijd soms toch zelf een scheiding in gang zetten, is onder historici overigens niet beslist. Een papyrus uit de woestijn van Juda (Se’elim 13) heeft daar een felle discussie over losgemaakt.
Daarmee krijgt de uitspraak een richting. Ze wordt uitgesproken waar macht trouwt en hertrouwt, en waar een profeet die daarover sprak, dood is. Wie het woord van Jezus over hertrouwen alleen leest als een regel voor gewone mensen, mist tegen wie het als eerste werd gezegd.
Van den beginne
Jezus antwoordt met twee verzen die in Genesis een heel stuk uit elkaar staan. Eerst Genesis 1:27: mannelijk en vrouwelijk maakte hij hen. Daarna Genesis 2:24: daarom zal een mens zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en de twee zullen tot één vlees zijn. Dan voegt hij er zelf één zin aan toe: hōste ouketi eisin duo alla sarx mia, zodat ze niet langer twee zijn, maar één vlees.
Die combinatie was niet nieuw. In het Damascusgeschrift, een tekst van de gemeenschap die we kennen van Qumran, worden tegenstanders beschuldigd van ontucht omdat zij twee vrouwen nemen tijdens hun leven. Het argument: het fundament van de schepping is mannelijk en vrouwelijk schiep hij hen, en wie de ark binnengingen, gingen twee aan twee (CD IV 20- V 2). Daarna volgt Deuteronomium 17:17, de koning zal zijn vrouwen niet vermenigvuldigen. Een eeuw voor Jezusgebruikten mensen dus Genesis 1:27 tegen een tweede vrouw (of het om veelwijverij of ook om hertrouwen gaat, is omstreden), en ze verbonden het met de koning. In Perea, in het land van een koning die zijn vrouw wegzond voor een ander, krijgt die verbinding een scherpe rand.
De rabbijnen lazen Genesis 1:27 nog op een andere manier. Rabbi Jirmeja ben Elazar zegt dat God de eerste mens schiep als androginos, mannelijk en vrouwelijk in één lichaam. Een andere overlevering spreekt van du-partsufin, twee gezichten, vóór en achter, die later werden gescheiden (Bereesjiet Rabba 8:1, Berachot 61a). In die lezing keert het huwelijk terug naar een eenheid die er in het begin al was. Als Jezus de twee verzen zo naast elkaar legt, het ene mensbeeld mannelijk en vrouwelijk en daarna de twee die één vlees worden, wijst hij naar die oorsprong. Hij zegt het er zelf bij: ap’ archès, vanaf het begin.
Daarna komt het woord dat zijn antwoord afsluit: wat God dan samengevoegd heeft, laat een mens dat niet scheiden. In de vraag van de farizeeën stond anthrōpō: mag een mens zijn vrouw wegzenden? In het antwoord staat anthrōpos: laat een mens niet scheiden. Hetzelfde woord komt terug, en daarmee verschuift de vraag. Wat geoorloofd is voor een mens, bepaalt zich naar wie heeft samengevoegd. De brief wordt door een man geschreven. Het samenvoegen wordt aan God toegeschreven.
Maleachi had die lijn al getrokken. In 2:14 heet de vrouw van iemands jeugd esjet beritecha, de vrouw van je verbond. Het is een van de weinige plekken in de Hebreeuwse Bijbel waar een huwelijk uitdrukkelijk berit heet. In 2:15 volgt een van de duisterste zinnen van het Oude Testament: welo echad asa, en heeft niet één gemaakt? Niemand weet zeker wat er bedoeld is. Maar het woord is echad, hetzelfde woord als in basar echad, één vlees. Maleachi, de verbondsvrouw van je jeugd, het ene: Jezus gaat terug naar wat de laatste profeet al aanwees.
Wie het kan bevatten
De leerlingen schrikken. Als het zo staat met de zaak van een man en zijn vrouw, dan is het beter niet te trouwen (Mattheüs 19:10). Het woord is aitia, hetzelfde woord als in de vraag van de farizeeën, kata pasan aitian. Ze hebben begrepen dat de reden om weg te zenden verdwenen is, en dat het huwelijk daarmee iets wordt waar je niet meer uit kunt.
Jezus antwoordt: niet allen kunnen dit woord bevatten, alleen zij aan wie het gegeven is. Dan volgen drie soorten eunuchen: zij die zo uit de moederschoot geboren zijn, zij die door mensen ontmand zijn, en zij die zichzelf ontmand hebben omwille van het koninkrijk der hemelen. Wie het kan bevatten, laat hij het bevatten.
Chōreō, ruimte geven, bevatten, komt van chōros, ruimte. Chōrizō, scheiden, het werkwoord van een paar verzen eerder (19:6), is ermee verwant, via chōris, apart: ruimte ertussen leggen. Laat een mens niet scheiden, chōrizetō. Wie het kan bevatten, chōreitō. Het ene werkwoord maakt ruimte tussen twee mensen, het andere maakt ruimte in één mens voor wat te groot is.
Welk woord moet worden bevat? Dat van de leerlingen, dat het beter is niet te trouwen? Of het harde woord van Jezus zelf, over hertrouwen? Uitleggers zijn het oneens. Een van de lezingen is dat de eunuch omwille van het koninkrijk de man is die na een scheiding niet opnieuw trouwt. Dan zou Jezus zeggen dat het niet hertrouwen een gave is, geen opgelegde wet, en dat niet iedereen die gave heeft. Andere uitleggers lezen er een algemene roeping tot ongehuwd leven in.
Jesaja 56:3-5 klinkt hier mee. De eunuch zegt: zie, ik ben een dorre boom. En God antwoordt dat hij hem in zijn huis en binnen zijn muren jad wasjem zal geven, een gedenkteken en een naam, beter dan zonen en dochters. Wie geen zaad heeft om een naam door te geven, krijgt een naam van God. Dat raakt aan iets wat in deel 7 terugkomt: in het leviraat bestaat het tweede huwelijk juist om een naam op te richten.
Tot wie het gezegd wordt
Als ik de vier uitspraken naast elkaar leg en bij elke zin vraag wie het onderwerp is van het werkwoord voor overspel plegen (moicheuō, in Matteüs 19:9 en Marcus 10 moichaomai), komt er iets aan het licht wat ik niet had gezien.

In geen van de vier versies is de vrouw die werd weggezonden het onderwerp van het werkwoord. Hooguit wordt zij tot overspel gebracht, door hem (Mattheüs 5:32). Wie overspel pleegt, is telkens degene die de brief schreef en opnieuw trouwde, of de man die haar daarna neemt. Bij Marcus is een vrouw alleen onderwerp als zij zelf degene is die wegzendt, zoals Herodias. Sommige handschriften voegen in Mattheüs 19:9 de zin toe over de man die een weggezonden vrouw trouwt. Ook daar is de vrouw zelf geen onderwerp.
De uitspraak richt zich tot wie de pen vasthoudt, en tot de man die van die pen profiteert. Dat waren in Perea een koning en een koningin, en in de rest van het land de mannen die met een beroep op Hillel om welke reden ook een brief konden schrijven.
Dit maakt het lot van de weggezonden vrouw niet lichter. In de lijdende vorm van Mattheüs 5:32 ligt de schuld bij hem, maar het gevolg bij haar: haar volgende huwelijk wordt overspel genoemd, ook al heeft zij het niet zo gekozen. Wat bij de ene ligt en wat bij de ander, loopt in deze zin door elkaar. Hoe een weggezonden vrouw in die tijd zonder tweede huwelijk had moeten leven, zonder inkomen en zonder bescherming, zegt de tekst niet.
De vrouw bij de put
In de Thora begint een huwelijk bij een put. De knecht van Abraham vindt Rebekka bij de put buiten Nahor (Genesis 24). Jakob ontmoet Rachel bij de put waar de herders hun schapen drenken (Genesis 29). Mozes zit op de vlucht bij een put in Midian en verdedigt de dochters van en de dochters van Reüel, en hij krijgt Sippora (Exodus 2:15-21). Telkens dezelfde volgorde: een man van ver, een vrouw die water komt putten, een gesprek over water, en een bruiloft.
In Johannes 4 zit Jezus bij de put van Jakob, bij Sichar, op het zesde uur. Een hoofdstuk eerder heeft Johannes de Doper hem de bruidegom genoemd (3:29). Er komt een vrouw water putten, en het gesprek gaat over water. De lezer die de Thora kent, weet wat er nu komt. En dan zegt Jezus: ga je man roepen.
Ik heb geen man, zegt ze. Kalōs eipas, goed gezegd, antwoordt hij, want vijf mannen heb je gehad, en die je nu hebt is niet je man. Het woord voor die vijf is andras, mannen, echtgenoten. Hij noemt ze echtgenoten. Over de zesde zegt hij dat het geen echtgenoot is. Hij noemt het niet overspel, en hij geeft haar geen opdracht. Hij stelt vast wat waar is, en daarna gaat het gesprek over waar God aanbeden wordt.
We weten niet waarom ze vijf mannen had. Een vrouw kon in haar wereld niet zelf scheiden. Ze kan vijf keer zijn weggezonden, of vijf keer weduwe zijn geworden, of beide. Misschien is ze telkens doorgegeven in het leviraat, zoals de vrouw met zeven broers waar de sadduceeën later naar vragen (deel 8). Er is ook een oude lezing die de vijf mannen opvat als de vijf volken die de koning van Assyrië in Samaria vestigde, elk met zijn eigen goden (2 Koningen 17:24-31). Dan gaat het gesprek over Samaria zelf, en is de vrouw een beeld van een volk dat vele heren heeft gediend.
Wat zij doet, staat wel vast. Ze laat haar waterkruik staan, gaat de stad in en zegt: kom kijken, een mens die mij alles gezegd heeft wat ik gedaan heb (4:28-29). Veel Samaritanen geloven dia ton logon tès gunaikos, en veel Samaritanen uit die stad geloven het. (Johannes 4:39)
De twee teksten staan in verschillende evangeliën, en ik wil ze niet tegen elkaar uitspelen. De harde uitspraak is gericht tot wie de brief schrijft, in het land van een koning die dat deed. Bij de put staat iemand voor wie de brieven van anderen een levensloop zijn geworden. Tegen haar spreekt Jezus geen enkel woord over overspel. Wat hij van haar huwelijken vindt, zegt hij niet. Hij zegt alleen wat waar is, en dat is genoeg om haar haar kruik te laten staan.
NAWOORD
In de wereld van Hillel kon een man zijn vrouw wegsturen om aangebrand eten, en zij stond dan met haar ketoeba op straat, als die al werd uitbetaald. Tegen die achtergrond deed de uitspraak van Jezus iets wat de latere kerk vergeten is. Als een weggezonden vrouw in Gods ogen nog bij haar man hoort, verliest het wegsturen zijn nut. Een man kan zijn vrouw niet meer inruilen voor een ander. De harde woorden maakten het voor mannen moeilijk om vrouwen af te danken, en wie daar als eerste van profiteerde, was de vrouw die anders weggestuurd zou zijn. Dat zij in geen van de vier versies het onderwerp van overspel plegen is, krijgt daardoor een sociale bodem. De uitspraak beschermde haar en legde de last bij wie de pen had.
Er is ook een lezing die de reikwijdte kleiner maakt. De vraag van de farizeeën ging over Deuteronomium 24 en over om welke reden ook. Over de tweede grond, de verwaarlozing uit Exodus 21, was geen debat: Hillel en Sjammai erkenden haar allebei. Sommige geleerden, onder wie Instone-Brewer, stellen dat Jezus die grond daarom niet noemt en ook niet afwijst. Zijn antwoord zou dan gaan over het lichtvaardig wegsturen, en de vrouw die door haar man werd verwaarloosd, viel erbuiten. De lezing is omstreden. Ze laat wel zien hoe sterk een antwoord afhangt van de vraag waarop het viel.
Over die tweede grond en hoe de halacha haar uitwerkte: Scheiden op bijbelse grond.
Ook de stelling dat een joodse vrouw niet zelf kon scheiden, vraagt een kanttekening. In de huwelijksakten van de joodse kolonie op Elephantine, uit de vijfde eeuw voor Christus, kan de vrouw voor de gemeenschap verklaren dat zij haar man haat, en met haar bezit vertrekken. De praktijk was op sommige plaatsen breder dan de latere rabbijnse wet. Wanneer Marcus spreekt over een vrouw die haar man wegzendt, beschrijft hij misschien meer dan alleen Herodias.
Bij de put krijgt de vrouw met vijf mannen een andere schaduw. Volgens een rabbijnse opvatting gold een vrouw van wie twee of drie mannen waren gestorven als katlanit, een dodende vrouw, en een man deed er goed aan haar niet te trouwen (Talmoed Jevamot 64b). Dat oordeel is later opgeschreven, en of het onder Samaritanen gold, weten we niet. Het laat wel zien hoe zo’n vrouw bekeken kon worden. De zesde, die niet je man is, wordt dan begrijpelijker: misschien wilde geen man haar nog een huwelijkscontract geven. Jezus benoemt in dat geval haar positie, en spreekt er geen oordeel over uit.
Bronnen
- Mishna Gittin 9:10, Sjammai, Hillel en Akiva over Deuteronomium 24:1
- Josephus, Oudheden 15.259-260 (Salome) en 18.109-119, 18.136 (Antipas, Herodias en Johannes)
- De discussie over Papyrus Se’elim 13 en de vraag of vrouwen konden scheiden
- Damascusgeschrift CD IV 20-21
- Bijbelteksten: Mattheüs 1:18-19, 5:31-32, 15:19 en 19:1-12, Marcus 6:17-18 en 10:1-12, Lucas 16:18, Johannes 3:29 en 4:1-42, Genesis 1:27, 2:24, 24 en 29, Exodus 2:15-21, Deuteronomium 17:17, Maleachi 2:14-16, Jesaja 56:3-5, 2 Koningen 17:24-31
SERIE Hertrouwen in de Bijbel:
– Inleiding – Hertrouwen in de Bijbel
– deel 1 – Toegestaan aan iedere man · de scheidbrief als toestemming om te hertrouwen
– deel 2 – Niet terug · het verbod op terugkeer, Michal, God en zijn eigen wet
– deel 3 – En een ander trouwt · de vier uitspraken van Jezus en de vrouw bij de put
– deel 4 – Ongehuwd blijven of verzoenen · Paulus in 1 Korinthiërs 7
– deel 5 – De weduwe · waarom de dood losmaakt
– deel 6 – Man van één vrouw · de hertrouwde en het ambt
– deel 7 – Opnieuw, voor de naam · leviraat, Tamar, Ruth, Abigaïl, Batseba
– deel 8 – Bij wie hoort zij? · de vrouw met zeven mannen in de opstanding
– deel 9 – Een ander die antwoordt · de Tien Woorden en het woord van de ander
– Slot – Mag je opnieuw trouwen? · kiezen tussen twee kwaden, en de genade
– Nawoord – De context van de teksten


