De weduwe
Hertrouwen in de Bijbel, deel 5
Zolang hij leeft
Romeinen 7 begint met een algemene regel die Paulus aan zijn lezers voorlegt als iets wat ze al weten: de wet heerst over een mens zolang hij leeft (7:1). Kurieuō is heer zijn, het werkwoord van kurios. De wet is een heer, en haar heerschappij reikt tot aan de dood en niet verder.
Dan het voorbeeld: want de getrouwde vrouw is door de wet gebonden aan haar man zolang hij leeft. Hupandros betekent letterlijk: onder een man. Maar als de man sterft, is zij ontslagen van de wet van de man (7:2). Katargeō is uitschakelen, buiten werking stellen. De wet bestaat nog, maar ze werkt niet meer op haar.
Vers 3 maakt het scherp: zolang de man leeft, zal zij overspelige heten als zij van een andere man wordt. Chrèmatizō is een officiële benaming krijgen, een titel dragen. Maar als de man sterft, is zij vrij van de wet, zodat zij geen overspelige is als zij van een andere man wordt.
Van een andere man worden. Dat is woordelijk de Griekse Bijbel van Deuteronomium 24:2: en zij gaat weg en wordt van een andere man. Paulus neemt de zin over die in de Thora het hertrouwen na een scheidbrief beschrijft, en zegt dat die zin bij een levende man overspel heet en bij een dode man vrijheid. De brief, het biblion apostasiou, komt in zijn voorbeeld niet voor. Er is alleen leven en dood.
Waarom de dood wel losmaakt, zegt Paulus in vers 1 al: de wet heerst over een mens zolang hij leeft. Het huwelijk is in deze redenering een zaak van de wet, en de wet houdt op waar het leven ophoudt. Een scheidbrief is een handeling binnen het leven en binnen de wet. De dood ligt buiten het bereik van de wet. Daarom kan de dood doen wat de brief volgens deze redenering niet kan.
Van een ander worden
Het voorbeeld dient een ander doel, en dat volgt in vers 4: zo zijn ook jullie, mijn broeders, voor de wet gedood door het lichaam van Christus, om van een ander te worden, van hem die uit de doden is opgewekt.
Voor de derde keer in vier verzen staat de zin van Deuteronomium 24:2. Wat Paulus beschrijft, is de verhouding van de gelovige tot Christus, en hij beschrijft die als een tweede huwelijk. De gemeente is een vrouw die eerst onder een andere heer stond en nu van een ander is geworden. Het hart van zijn evangelie in deze brief zegt hij in de taal van het hertrouwen.
En het beeld klopt niet. In het voorbeeld sterft de man, en de vrouw is vrij. In de toepassing sterft de vrouw: jullie zijn gedood. De wet, die de plaats van de eerste man zou moeten innemen, sterft niet. Uitleggers hebben eeuwenlang geprobeerd het beeld recht te trekken. Ik denk dat het met opzet scheef staat. In deze verhouding sterft iedereen: de gelovige voor de wet, Christus aan het kruis, en dan wordt Christus opgewekt. Wie van een ander wordt, is zelf eerst door de dood gegaan, en de ander bij wie zij komt ook. Het tweede huwelijk in Romeinen 7 wordt gesloten tussen twee die gestorven zijn.
Het doel staat erbij: opdat wij vrucht dragen voor God. In vers 5 staat het tegendeel: toen wij in het vlees waren, werkten de hartstochten in onze leden om vrucht te dragen voor de dood. Het ene huwelijk draagt vrucht voor de dood, het andere voor God. In de taal van de Thora is vrucht de reden van het huwelijk: een kind, een naam. Ook die gedachte komt terug in deel 7.
Een spanning wil ik niet wegpoetsen. Als de gelovige met Christus gestorven is, zoals Paulus een hoofdstuk eerder over de doop zegt (6:3-4), had hij kunnen concluderen dat ook alle bindingen van vóór die dood waren opgeheven, het huwelijk inbegrepen. Hij doet dat niet. In 1 Korinthiërs 7 zegt hij tegen gelovigen met een ongelovige partner: blijf. De dood die vrijmaakt van de wet, maakt het huwelijk niet los. Paulus gebruikt de lichamelijke dood als beeld voor de dood aan de wet, maar laat de twee niet samenvallen.
En dan het werkwoord. Katargeō, buiten werking stellen, gebruikt Paulus voor de vrouw die door de dood van haar man van de wet ontslagen is (7:2), en voor de gelovigen die van de wet ontslagen zijn (7:6). Hij gebruikt het ook in 1 Korinthiërs 15:26: eschatos echthros katargeitai ho thanatos, als laatste vijand wordt de dood buiten werking gesteld. Hetzelfde woord dat in Romeinen 7 de dood laat doen, doet in 1 Korinthiërs 15 iets met de dood zelf. De dood maakt de huwelijksband los, en de dood wordt losgemaakt. Wat dat betekent voor een band die door de dood was losgemaakt, is de vraag die de sadduceeën aan Jezus stellen (deel 8).
Met wie zij wil
Aan het eind van 1 Korinthiërs 7 zegt Paulus hetzelfde nog eens, maar nu als raad aan echte weduwen: een vrouw is gebonden zolang haar man leeft. Maar als de man ontslapen is, is zij vrij om te trouwen met wie zij wil, alleen in de Heer (7:39).
In Romeinen 7 staat apothanè, als hij sterft. Hier staat koimèthè, als hij ontslapen is. Het is het woord dat de eerste christenen voor hun doden gebruikten, de slaap waaruit gewekt wordt (1 Tessalonicenzen 4:13-16, 1 Korinthiërs 15:20). Paulus laat de weduwe vrij om te hertrouwen als haar man slaapt, en in dezelfde brief schrijft hij dat de slapenden zullen opstaan. Wat er dan met haar tweede huwelijk gebeurt, vraagt hij niet.
Met wie zij wil. Bij de scheidbrief uit Masada en in de langere formule van Rabbi Jehoeda (deel 1) is de vrouw vrij om te trouwen met iedere man die je wilt. Wat de joodse scheidbrief een weggezonden vrouw beloofde, geeft Paulus hier de weduwe: haar eigen wil. Hij geeft het haar zonder voorbehoud, op één na: alleen in de Heer. Of dat betekent dat haar nieuwe man een gelovige moet zijn, of dat zij haar keuze maakt als iemand die in de Heer is, laat de uitdrukking open.
Daarna volgt Paulus’ eigen voorkeur: maar gelukkiger is zij als zij zo blijft, naar mijn oordeel. Makarios is het woord van de zaligsprekingen. En dan een zin met een glimlach erin: ik denk dat ook ik de Geest van God heb (7:40). Dat ook ik is gericht tot de Korinthiërs die zich op de Geest beriepen om het huwelijk af te wijzen. Paulus geeft de weduwe de vrijheid om te hertrouwen en houdt zijn eigen voorkeur als voorkeur. Hij denkt de Geest te hebben, en toch maakt hij van zijn voorkeur geen gebod.
De eerste trouw
In 1 Timotheüs 5 is de weduwe een plek in de gemeente geworden. Eer de weduwen die werkelijk weduwe zijn (5:3). Timaō is eren, en het is ook onderhouden, betalen. De echte weduwe wordt beschreven als memonōmenè, alleen gelaten, en ze heeft haar hoop op God gesteld en blijft dag en nacht in gebed (5:5). Het is het portret van Anna in Lucas 2:36-37, die na zeven jaar huwelijk weduwe werd en als weduwe van vierentachtig (of: na vierentachtig jaar weduwschap) de tempel niet verliet.
Dan volgen regels. Op de lijst van weduwen die door de gemeente worden onderhouden, komt alleen een vrouw van minstens zestig, vrouw van één man geweest (5:9). Wat die uitdrukking betekent, is het onderwerp van deel 6. Jongere weduwen moet Timotheüs niet op de lijst zetten. Want wanneer hun verlangen hen van Christus wegtrekt, willen ze trouwen, en ze krijgen een oordeel omdat ze hun eerste trouw hebben gebroken (5:11-12).
En dan, drie verzen later: ik wil dus dat de jongere weduwen trouwen, kinderen krijgen en een huishouden leiden (5:14). Dezelfde brief die een weduwe die wil trouwen een oordeel toedicht, wil dat jonge weduwen trouwen. Het oordeel treft dus iets anders dan het hertrouwen: de eerste trouw. Waarschijnlijk is dat een belofte die een weduwe deed wanneer ze op de lijst kwam: zich aan Christus toewijden en niet meer trouwen. Wie die belofte breekt, wordt geoordeeld. Wie haar niet doet, mag trouwen, en wordt dat zelfs aangeraden.
In deze tekst is het de belofte die eerst blijft, en de overleden man staat daarbuiten. Numeri 30:10 had al gezegd dat de gelofte van een weduwe op haar blijft rusten, omdat niemand haar nog kan losmaken. Een weduwe die zich aan Christus heeft verbonden, heeft zichzelf gebonden. Een weduwe die dat niet heeft gedaan, is vrij.
In de Hebreeuwse Bijbel staat de weduwe naast de wees en de vreemdeling, onder de bijzondere bescherming van God. Een vader van wezen en een rechter van weduwen (Psalm 68:6). Dajan is degene die voor haar recht opkomt, zoals een man dat zou doen. Het volgende vers, Psalm 68:7, is het bewijsvers in Sotah 2a voor de leer over het tweede huwelijk. Daar spreken de wijzen over een eerste en een tweede zielsverwant, en het tweede paar samenbrengen is zo moeilijk als het splijten van de Schelfzee. De weduwe van vers 6 en de tweede verbintenis van vers 7 staan in de psalm naast elkaar.
In Jesaja 54 wordt het uitgesproken tegen een volk dat zich weduwe voelt: je Maker is je man. En in Jeremia 51:5 staat een zin met een woord dat nergens anders in de Hebreeuwse Bijbel voorkomt: want Israël en Juda zijn niet verweduwd van hun God. Alman betekent verweduwd, als weduwnaar achtergelaten. Het volk kan zijn God verliezen zoals een vrouw haar man verliest, en toch is het niet verweduwd. De echte weduwe uit 1 Timotheüs, die haar hoop op God stelt, leeft in die zin.
Waarom de dood wel
De inleiding op deze serie begon met de vraag of een woord kan losmaken wat in het lichaam gebonden is. Bij de weduwe geeft Paulus daar een antwoord op: wat een levend lichaam heeft gebonden, maakt het einde van dat lichaam los. Zolang hij leeft. De band hoort bij twee levende lichamen, en als één van de twee er niet meer is, is er geen één vlees meer om te bewaren. Een brief wordt geschreven door iemand die nog leeft, binnen de wet die over levenden heerst. De dood ligt buiten die wet, en daarom kan hij losmaken wat de brief volgens Paulus niet kan.
Toch is ook dat antwoord niet onschuldig. Als de dood vrijmaakt, kan een mens vrijheid maken door een dood. De Bijbel vertelt het zelf. Toen de rouw om Uria voorbij was, liet David Batseba halen, en zij werd zijn vrouw (2 Samuël 11:27). Volgens de letter van de wet was ze een vrije weduwe. Het vers eindigt met: maar wat David gedaan had, was kwaad in de ogen van de Eeuwige. Deel 7 komt daarop terug.
En er is een dood binnen het leven waar Paulus niet over spreekt, terwijl de Bijbel hem wel kent. Jesaja 54 noemt een vrouw die door haar man verlaten is weduwe, terwijl haar man leeft. Klaagliederen 1:1 zegt over Jeruzalem: ze is als een weduwe geworden. En in Romeinen 7:4 zijn de gelovigen gestorven terwijl ze nog leefden. De Schrift weet dat iets tussen twee levende mensen kan sterven. Of een huwelijk dat op die manier gestorven is, losmaakt zoals de dood van een lichaam losmaakt, zegt Paulus niet. Hij gebruikt de dood van een lichaam als beeld voor een dood die geen lichaam treft, maar trekt de lijn niet terug naar het huwelijk.
Wat hij wel laat staan, is het woord ontslapen. De man van de weduwe slaapt, en de slapenden zullen worden gewekt. Als de dood de band losmaakte en de dood zelf wordt losgemaakt, wat is er dan met die band? Dat is precies de vraag die de sadduceeën Jezus voorleggen, met een vrouw en zeven broers.
NAWOORD
Ik spreek tot wie de wet kennen, zegt Paulus aan het begin van Romeinen 7. Voor een lezer in Rome was de regel dat een vrouw gebonden is zolang haar man leeft, strenger dan het eigen recht, want naar Romeins recht kon een vrouw zelf scheiden. Paulus spreekt vanuit de Thora en legt zijn lezers een binding voor die hun samenleving niet kende. Dat maakt de dood als enige losmaker in zijn voorbeeld nog scherper.
Hoe een joodse weduwe leefde, hing af van haar ketoeba. Het huwelijkscontract gaf haar het recht in het huis van haar man te blijven wonen en uit zijn bezit te worden onderhouden, zolang zij weduwe bleef en haar ketoeba niet opeiste (Mishna Ketubot 4:12). Wie hertrouwde, verloor dat recht. Weduwe blijven was dus ook een economische keuze, en wie geen bezit achter zich had, had die keuze nauwelijks.
In 1 Timotheüs 5 is de lijst van weduwen ook een regeling voor onderhoud. Vers 16 zegt het uitdrukkelijk: een gelovige vrouw met weduwen in haar familie moet hen zelf helpen, zodat de gemeente niet wordt belast en de echte weduwen kan bijstaan. De middelen waren beperkt, dus moest worden bepaald wie recht had op steun: zestig jaar, vrouw van één man, bekend om goede werken. De eerste trouw krijgt daarmee een praktische kant. Een weduwe die door de gemeente werd onderhouden en daarna toch trouwde, liet een belofte achter en een uitgave.
De raad aan jonge weduwen om te hertrouwen heeft een reden die de brief zelf noemt: de tegenstander geen aanleiding geven tot smaad (5:14). In een stad waar de wetten van Augustus jonge weduwen tot hertrouwen dwongen, viel een gemeente met veel jonge, alleenstaande vrouwen op. De raad ging ook over reputatie naar buiten.
Bronnen
- Septuagint, Deuteronomium 24:1-4 (genètai andri heterō, biblion apostasiou)
- Grieks Nieuw Testament, Romeinen 7:1-6
- Bijbelteksten: Romeinen 6:3-4 en 7:1-6, 1 Korinthiërs 7:39-40 en 15:20-26, 1 Tessalonicenzen 4:13-16, 1 Timotheüs 5:3-16, Lucas 2:36-37, Numeri 30:10, Psalm 68:6, Jesaja 54:4-5, Jeremia 51:5, Klaagliederen 1:1, 2 Samuël 11:26-27
SERIE Hertrouwen in de Bijbel:
– Inleiding – Hertrouwen in de Bijbel
– deel 1 – Toegestaan aan iedere man · de scheidbrief als toestemming om te hertrouwen
– deel 2 – Niet terug · het verbod op terugkeer, Michal, God en zijn eigen wet
– deel 3 – En een ander trouwt · de vier uitspraken van Jezus en de vrouw bij de put
– deel 4 – Ongehuwd blijven of verzoenen · Paulus in 1 Korinthiërs 7
– deel 5 – De weduwe · waarom de dood losmaakt
– deel 6 – Man van één vrouw · de hertrouwde en het ambt
– deel 7 – Opnieuw, voor de naam · leviraat, Tamar, Ruth, Abigaïl, Batseba
– deel 8 – Bij wie hoort zij? · de vrouw met zeven mannen in de opstanding
– deel 9 – Een ander die antwoordt · de Tien Woorden en het woord van de ander
– Slot – Mag je opnieuw trouwen? · kiezen tussen twee kwaden, en de genade
– Nawoord – De context van de teksten


